Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU6180

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-11-2011
Datum publicatie
29-11-2011
Zaaknummer
16-710561-11 (ontneming)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2013:8481, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming na veroordeling voor witwassen en overtreden Opiumwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/710561-11 (ontneming)

Vonnis van de rechtbank d.d. 25 november 2011

in de ontnemingszaak tegen

[verdachte],

geboren op [1985] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in PI Utrecht, Huis van Bewaring Wolvenplein te Utrecht,

raadsman mr. J.J. Weldam, advocaat te Utrecht.

1 De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

- de vordering, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;

- het strafdossier onder parketnummer 16/710561-11 waaruit blijkt dat [verdachte] (hierna ook: veroordeelde) op 26 augustus 2011 door de meervoudige kamer in deze rechtbank is veroordeeld ter zake van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod en een gewoonte maken van witwassen, tot de in die uitspraak vermelde straf;

- het proces-verbaal van relaas, pagina 32 tot en met 45 van het strafdossier;

- de conclusie van repliek d.d. 8 november 2011 van de officier van justitie;

- de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting;

- de overige stukken.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2011. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is de officier van justitie gehoord. Tevens is de veroordeelde gehoord, bijgestaan door raadsman mr. J.J. Weldam.

2 De beoordeling

2.1 De vordering van de officier van justitie

De vordering van de officier van justitie strekt tot het aan de veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van € 231.947,48.

2.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de vordering van de officier van justitie tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel afgewezen dient te worden. De verdediging heeft daartoe in de eerste plaats aangevoerd dat bij de berekening van het vermeende wederrechtelijk verkregen voordeel de verkeerde berekeningsmethode is toegepast. In plaats van de kasopstelling had de berekening op transactiebasis moeten plaatsvinden.

De verdediging heeft in de tweede plaats aangevoerd dat de berekening van het vermeende wederrechtelijk verkregen voordeel onjuist is en dat er bij een juiste berekening geen sprake zou zijn van een negatief verschil tussen legale inkomsten en uitgaven. De verdediging heeft daartoe het volgende betoogd.

a) Zoals uit de aanslagen inkomstenbelasting en premieheffing over de jaren 2009 en 2010 blijkt heeft veroordeelde in deze jaren een belastbaar inkomen gehad van

€ 95.000,00. Dit inkomen dient bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel betrokken te worden. Subsidiair stelt de verdediging dat de belastingheffing van € 34.495,00 over deze jaren in mindering dient te worden gebracht op het vermeende wederrechtelijk verkregen voordeel;

b) Het bedrag van € 22.600,00 dient niet in de berekening te worden meegenomen, omdat de rechtbank in het vonnis van 26 augustus 2011 heeft bepaald dat dit bedrag is aan te merken als speelwinst. Met betrekking tot het resterende bedrag van Holland Casino blijft de verdediging van mening dat er onvoldoende bewijs is voor het daadwerkelijk aankopen door veroordeelde van speelpenningen;

c) Er is onvoldoende bewijs dat veroordeelde daadwerkelijk een bedrag van

€ 58.742,18 heeft gestort op de Attijariwafabank. Indien voornoemd bedrag door de rechtbank toch in de kasopstelling wordt meegenomen, dient ook de opname van

€ 13.489,17 meegenomen te worden in de berekening;

d) Ten minste vijftig procent van de huur ad € 9.240,00 en de aangetroffen facturen ten bedrage van € 10.786,88 is betaald door de broer van veroordeelde;

e) Het beginsaldo contant geld moet minimaal € 19.755,00 zijn, want veroordeelde heeft dit bedrag in 2008 van zijn ex-vriendin ontvangen;

f) De vermeende contante betaling van € 116.000,00 voor de aanschaf van de hasjiesj dient niet meeberekend te worden, omdat uit het dossier blijkt dat geen sprake is geweest van een aankoop.

2.3 Het oordeel van de rechtbank

2.3.1 Bespreking van het verweer van de verdediging: onjuiste rekenmethode

De verdediging heeft betoogd dat de berekening van het vermeende wederrechtelijk verkregen voordeel niet door middel van een kasopstelling had moeten plaatsvinden, maar dat dit op transactiebasis had dienen te gebeuren. De rechtbank overweegt dat artikel 36e van het Wetboek van Strafvordering geen regeling voor de te hanteren berekeningsmethodes voorschrijft. Er zijn naar het oordeel van de rechtbank geen redenen om aan te nemen dat de onderbouwing van de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel middels de in voornoemd proces-verbaal van relaas gehanteerde berekening geen voldoende basis voor de vordering zou vormen. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de verdediging.

2.3.2 Berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Dat veroordeelde het bewezenverklaarde heeft begaan blijkt uit de bewijsmiddelen, zoals vermeld in het vonnis in de hoofdzaak van 26 augustus 2011. De rechtbank ontleent aan de inhoud van de in de strafzaak genoemde bewijsmiddelen het oordeel dat de veroordeelde door middel van het begaan van bovengenoemde feiten een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft gehad.

Bij de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat volgt de rechtbank de berekening zoals deze is gemaakt in het proces-verbaal van relaas , met dien verstande dat de rechtbank op de volgende punten van deze berekening afwijkt:

- de rechtbank is anders dan de officier van justitie van oordeel dat een bedrag van

€ 22.600,00 in mindering moet worden gebracht op het in het proces-verbaal berekende wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat de rechtbank het aannemelijk acht dat dit bedrag dient te worden aangemerkt als speelwinst. Blijkens het dossier is in 2010 door Holland Casino in totaal een bedrag van € 22.600,00 naar de bankrekening van verdachte overgemaakt. Verdachte heeft ter terechtzitting van 12 augustus 2011 verklaard dat dit bedrag dient te worden aangemerkt als speelwinst. De rechtbank heeft in het vonnis van 26 augustus 2011 overwogen dat er geen stukken in het dossier aanwezig zijn die de verklaring van verdachte bevestigen dan wel tegenspreken en dat het de rechtbank derhalve onvoldoende is gebleken dat dit bedrag anders moet worden aangemerkt dan als speelwinst. De rechtbank blijft bij dit oordeel en is anders dan de officier van justitie van mening dat geen sprake is van vervolgprofijt. De rechtbank overweegt daartoe dat veroordeelde de beschikking heeft gehad over een bedrag van € 52.300,00 aan legale inkomsten, zoals hierna nog uit dit vonnis zal blijken;

- de rechtbank is anders dan de officier van justitie van oordeel dat het bedrag van

€ 116.000,00 voor de hasjiesj in mindering dient te worden gebracht op het in het proces-verbaal berekende wederrechtelijk verkregen voordeel en overweegt daartoe het volgende. Zowel veroordeelde als de medeveroordeelde, [medeveroordeelde], hebben ter terechtzitting van 11 november 2011 verklaard dat de hasjiesj die bij hen thuis is aangetroffen van diefstal afkomstig is. Zij hebben ter terechtzitting verklaard omtrent de periode waarin deze diefstal zou hebben plaatsgevonden en omtrent de daarbij door hen gevolgde werkwijze. De rechtbank stelt hier voorop dat nu deze nadere verklaringen haaks staan op die welke ter zake eerder door veroordeelde en zijn medeveroordeelde zijn afgelegd, de geloofwaardigheid van deze laaste verklaringen zeker niet voetstoots kan worden aangenomen. In het onderhavige geval worden de nadere verklaringen van veroordeelde en [medeveroordeelde] echter ondersteund door zich in het strafdossier bevindende verklaringen en bevindingen. Bovendien dateren deze verklaringen en bevindingen van tijdstippen voor c.q. tijdens hun meest recente aanhouding door de politie, zodat niet kan worden aangenomen dat deze zijn beïnvloed door de thans lopende straf- en ontnemingszaken tegen veroordeelde en [medeveroordeelde]. In het bijzonder wijst de rechtbank daarbij op de door de CIE betrouwbaar geachte melding van 4 februari 2011, die luidt: “[verdachte] en zijn maatje [medeveroordeelde] (fon) hebben enkele maanden geleden iemand geript van een paar honderd kilo hasj. Ze verdienen ontzettend veel geld met de verkoop van die hasj”. Voorts is er in de Volkswagen Golf met kenteken 41-PGL-8 van [medeveroordeelde] een peilbaken aangetroffen en zijn er in de Volkswagen Golf met kenteken 88-HKS-6 van veroordeelde ook peilbakens aangetroffen. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de inhoud van het tapgesprek tussen veroordeelde en [medeveroordeelde] van 11 april 2011 sterk suggereert dat veroordeelde en [medeveroordeelde] vaker voertuigen achtervolgden met het oog op wegneming van daarin aanwezige goederen.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdediging in voldoende mate aannemelijk heeft gemaakt dat veroordeelde en [medeveroordeelde] niet betaald hebben voor de onder hen in beslag genomen hasjiesj, maar dat zij deze hadden verkregen door middel van diefstal. Zij hadden voor de verkrijging van deze hasjiesj derhalve ook geen geldelijke middelen voorhanden hoeven hebben, hetwelk in de in het proces-verbaal opgenomen berekening wel als uitgangspunt is genomen.

De rechtbank acht het anders dan de officier van justitie niet noodzakelijk om de zaak aan te houden om nader onderzoek te verrichten naar de diefstal van de hasjiesj. De rechtbank overweegt hierbij dat gezien het tijdsverloop, de houding van veroordeelde en zijn medeveroordeelde en het milieu waarbinnen de diefstal zich zou hebben afgespeeld het naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijze niet te verwachten is dat dit nadere onderzoek nog tot objectief verifieerbare en voor de onderhavige vordering relevante informatie zal kunnen leiden.

Voor het overige neemt de rechtbank de berekeningen uit voornoemd proces-verbaal van relaas over en maakt deze tot de hare. Deze berekeningen acht de rechtbank voldoende onderbouwd.

De rechtbank verwerpt daarbij de onder 2.2 opgenomen verweren van de verdediging en overweegt daartoe het volgende:

a) De rechtbank is van oordeel dat de door de verdediging overgelegde aanslagen inkomstenbelasting en premieheffing over de jaren 2009 en 2010 niet tot een andere berekening van het wederechtelijk verkregen voordeel dienen te leiden. Ten eerste overweegt de rechtbank daartoe dat de aanslagen ambtshalve zijn vastgesteld door de Belastingdienst en derhalve zijn gebaseerd op schattingen. Ten tweede is niet vast komen te staan dat en tot welke omvang de aanslagen onherroepelijk zijn geworden. Op de derde plaats overweegt de rechtbank nog dat de Belastingdienst geen benadeelde derde is in de zin van artikel 36e lid 6 van het Wetboek van Strafvordering;

b) Ten aanzien van het resterende bedrag van € 16.100,00 van Holland Casino stelt de rechtbank op basis van de stukken in het dossier vast dat veroordeelde dit geld heeft ingewisseld voor speelpenningen. Dit bedrag kan dus niet worden aangemerkt als speelwinst en zal door de rechtbank in de berekening van het totale bedrag aan gelden worden meegenomen;

c) Tijdens de doorzoeking is in de woning van veroordeelde een bankafschrift van de Attijariwafabank aangetroffen, waaruit blijkt dat er buitenlands geld ten bedrage van 658.789,50 dirham op een rekening bij die bank gestort is. Dit is omgerekend in euro’s een bedrag van € 58.742,18. Nu dit bankafschrift bij veroordeelde thuis is aangetroffen en verdachte niet wil verklaren over deze storting, gaat de rechtbank er van uit dat veroordeelde dit geldbedrag op de rekening heeft gestort. De opname van € 13.489,17 hoeft niet meegenomen te worden in de berekening, omdat opname van welk bedrag dan ook niet afdoet aan het feit dat veroordeelde over het bedrag van € 58.742,18 heeft beschikt;

d) Veroordeelde heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de kleding deels door zijn broer is aangeschaft en dat de huur voor de helft door zijn broer is betaald. De rechtbank overweegt daartoe dat zij de verklaring van veroordeelde niet geloofwaardig acht, gelet op het gebrek aan verifieerbare ondersteuning van deze verklaring;

e) De rechtbank acht het op grond van de door de verdediging overhandigde bankafschriften aannemelijk geworden dat veroordeelde in 2008 van zijn ex-vriendin een bedrag van € 19.755,00 heeft ontvangen. De rechtbank meent echter dat dit bedrag niet als beginsaldo voor de kasopstelling moet worden genomen. De rechtbank baseert dit oordeel op het uitgavenpatroon van veroordeelde in de periode van 1 januari 2009 tot en met 18 april 2011. De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte in 2008 een uitgavenpatroon heeft gehad dat hiermee overeenstemt. De uitgaven van veroordeelde zijn dermate hoog dat de rechtbank het onaannemelijk acht dat veroordeelde in januari 2009 nog over voornoemd bedrag heeft kunnen beschikken.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de geldbedragen die veroordeelde van zijn ex-vriendin heeft ontvangen voorts nog het volgende. Veroordeelde had tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak ter terechtzitting van 12 augustus 2011 verklaard dat hij de afgelopen jaren een groot aantal geldbedragen van zijn ex-vriendin had gekregen, waarmee hij zijn uitgaven had bekostigd. Uit het vonnis van de rechtbank van 26 augustus 2011 blijkt dat de rechtbank heeft overwogen dat de verklaring van verdachte op dit punt wordt ondersteund door de verklaring van zijn ex-vriendin [ex-vriendin]. Zij verklaarde dat zij in 2009 verschillende bedragen aan verdachte had geleend en dat zij aan het eind van hun relatie nog eens € 20.000,00 aan verdachte had geleend om van hem af te zijn. Het geld dat zij had geleend was afkomstig uit de erfenis van haar vader. In totaal had verdachte € 68.300,00 van zijn ex-vriendin gekregen. De rechtbank gaf in het vonnis aan van oordeel te zijn dat verdachte voldoende heeft onderbouwd dat hij dit bedrag als legale inkomsten tot zijn beschikking heeft gehad en dat hij hiermee een deel van zijn uitgaven heeft kunnen bekostigen. De rechtbank heeft deze door de verdediging als legaal aangevoerde inkomsten dan ook in mindering gebracht op het totaalbedrag aan witwasgelden.

De rechtbank zal dit bedrag echter niet in mindering brengen op de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel en overweegt daartoe het volgende. Indien de bedragen die op pagina 549 van het proces-verbaal genoemd zijn, worden opgeteld komt de rechtbank, anders dan in voormeld PV wordt vermeld, niet uit op een bedrag van € 68.300,00, maar op een bedrag van € 60.300,00. Hiervan is een bedrag van € 8.000,00 door veroordeelde teruggeboekt naar de rekening van zijn ex-vriendin. Veroordeelde heeft in totaal derhalve een bedrag van € 52.300,00 aan legale inkomsten gehad. Dit bedrag is naar het oordeel van de rechtbank door de politie echter al, zij het impliciet, verdisconteerd in het saldo van contante stortingen en opnames in het jaar 2009. Dit leidt de rechtbank af uit het feit dat op de bankafschriften/bankoverzichten te zien is dat en welke bedragen door de ex-vriendin van veroordeelde aan hem zijn overgemaakt, maar deze bedragen door de opstellers van het proces-verbaal niet zijn meegenomen in door hen gemaakte (totaal)overzichten van de stortingen en opnamen die door veroordeelde zijn gedaan. Nu deze bedragen niet zijn meegenomen in de geldstroom berekening, is er ook geen aanleiding deze zelfde bedragen vanwege hun (legale) herkomst op het berekende wederrrechtelijke voordeel van veroordeelde in mindering te brengen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot de volgende berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel:

Aangetroffen geld:

Doorzoeking, euro € 6.122,01

Doorzoeking, buitenlandse valuta (omgerekend in euro) € 183,26

Uitgaven:

Contante stortingen/opnamen bankrekeningen € - 36.576,85

Storting Attijariwafa bank € 58.742,18

Moneytransfer € 500,00

Holland Casino (- € 22.600,00) € 16.100,00

Aangetroffen contantbonnen € 10.786,88

Auto Volkswagen Golf [kenteken] € 20.500,00

Mercedes Viano [kenteken] € 2.500,00

Hästens bed € 5.250,00

Huur: € 9.240,00

Hasjiesj: € 0,00

Subtotaal: € 93.347,48

Inkomsten legaal: € 0,00 -

Totaal: € 93.347,48

De rechtbank zal het terug te betalen bedrag derhalve vaststellen op voornoemd bedrag van € 93.347,48, en de vordering van de officier van justitie voor het overige afwijzen.

3 Toegepaste wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

4 De beslissing

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 93.347,48;

- legt [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 93.347,48, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

- wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.

Deze beslissing is gegeven door mr. A. Kuijer, voorzitter, mrs. A.G. van Doorn en A.M. Crouwel, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. D. Riani el Achhab en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 25 november 2011.