Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU6171

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
09-09-2011
Datum publicatie
29-11-2011
Zaaknummer
SBR 11/1541
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zorgtoeslag. Eiseres heeft een ziektekostenverzekering voor studenten. Deze verzekering is niet aangemeld bij het college Zorgverzekeringen en voldoet ook overigens niet aan de vereisten van de Zorgverzekeringswet. Eiseres heeft derhalve geen recht op zorgtoeslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 11/1541

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de rechtbank van 9 september 2011

in de zaak tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats],

eiseres,

en

Belastingdienst/Toeslagen,

verweerder,

gemachtigde: J.G.C. van de Werken.

Procesverloop

Bij beschikking van 7 januari 2011 heeft verweerder de definitieve zorgtoeslag voor het berekeningsjaar 2009 vastgesteld op nihil en is een bedrag van € 692 aan betaalde voorschotten teruggevorderd.

Bij uitspraak op bezwaar van 7 april 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld bij deze rechtbank.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2011, waar eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, voornoemd. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht.

Beslissing

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan en het beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank de volgende motivering gegeven.

Overwegingen

1. Aan eiseres is een bedrag van € 692 aan voorschotten zorgtoeslag voor het berekeningsjaar 2009 betaald. Op 7 januari 2011 is de definitieve zorgtoeslag vastgesteld op nihil en zijn de betaalde voorschotten teruggevorderd omdat de door eiseres afgesloten zorgverzekering niet voldoet aan de definitie zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Zorgverzekeringswet.

2. Uit artikel 1, eerste lid, onder b en d, van de Wet op de zorgtoeslag, in samenhang met artikel 1, eerste lid, onder d en artikel 25 van de Zorgverzekeringswet, volgt dat voor het maken van aanspraak op een tegemoetkoming in de premie voor een zorgverzekering, vereist is dat de door belanghebbende gesloten zorgverzekering aangemeld is bij het College Zorgverzekeringen. Door verweerder is gesteld en door eiseres is niet bestreden dat de door eiseres afgesloten verzekering niet is aangemeld bij het College Zorgverzekeringen. De verzekering voldoet ook overigens niet aan de vereisten van de Zorgverzekeringswet. Zo zijn de kosten van de huisarts (artikel 10, aanhef en onder a, van de Zorgverzekeringswet) niet mee verzekerd. Ook overigens heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij in het onderwerpelijke jaar een zorgverzekering had in de zin van artikel 1, eerste lid, onder b en d, van de Wet op de zorgtoeslag in samenhang met artikel 1, eerste lid, onder d en artikel 25 van de Zorgverzekeringswet. Eiseres heeft derhalve geen recht op zorgtoeslag. Verweerder heeft de zorgtoeslag terecht op nihil gesteld en de onverschuldigd betaalde voorschotten terecht teruggevorderd.

3. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat de door haar gesloten zorgverzekering voldoet aan de definitie zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Zorgverzekeringswet, een afschrift overgelegd van een herziene beslissing op bezwaar van 8 januari 2011 ten name van [A]. De rechtbank vat de stelling van eiseres op als een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Verweerder heeft betoogd dat [A] ten onrechte zorgtoeslag heeft ontvangen. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat, gelet op vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet zo ver strekt dat verweerder een gemaakte fout dient te herhalen. Zo er derhalve al sprake zou zijn van gelijke gevallen, kan het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel naar het oordeel van de rechtbank niet slagen.

4. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

5. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid rechtsmiddelen aan te wenden tegen deze beslissing op de hieronder vermelde wijze.

Aldus opgemaakt door de griffier.

De griffier: De rechter:

mr. J.P. Wismeijer mr. M.N. Noorman

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.