Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU6169

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
29-11-2011
Zaaknummer
SBR 10/4433
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurtoeslag. Eiser heeft een vakantiewoning in Duitsland betrokken en heeft zijn huurwoning in Nederland, met toestemming van de verhuurder, tijdelijk verhuurd aan een huurster. De huurster stond op dit adres ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. Het inkomen van de huurster is terecht meegerekend bij de bepaling van het recht op en de hoogte van de huurtoeslag. De huurster heeft Box III-inkomen. Derhalve is er geen recht op huurtoeslag.

Daarnaast heeft eiser geen recht op huurtoeslag omdat hij in het onderhavige jaar de woning niet als hoofdverblijf had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 10/4433

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats] Duitsland,

eiser,

en

Belastingdienst/Toeslagen,

verweerder,

gemachtigde: L. Runnenburg.

Procesverloop

Bij beschikking van 17 mei 2010 heeft verweerder de definitieve huurtoeslag voor het berekeningsjaar 2008 vastgesteld op nihil en is een bedrag van € 1.676 aan betaalde voorschotten teruggevorderd.

Bij uitspraak op bezwaar van 28 september 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij deze rechtbank.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2011. Eiser is ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, voornoemd.

Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

1. Aan eiser is een bedrag van € 1.676 aan voorschotten huurtoeslag voor het berekeningsjaar 2008 betaald. Op 17 mei 2010 is de definitieve huurtoeslag vastgesteld op nihil en zijn de betaalde voorschotten teruggevorderd omdat de door verweerder als medebewoonster aangemerkte mevrouw [A] in het onderhavige berekeningsjaar inkomen uit sparen en beleggen heeft.

2. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag, zijn het recht op en de hoogte van de huurtoeslag afhankelijk van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, diens partner en de medebewoners. Op grond van artikel 2, eerste lid onder g, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) is een medebewoner de persoon die op hetzelfde woonadres als de belanghebbende staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba).

Op grond van artikel 7, vierde lid, van de Awir is er geen recht op een tegemoetkoming indien bij een medebewoner over het berekeningsjaar voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (box III) in aanmerking wordt genomen.

3. Eiser en zijn echtgenote woonden in 2008 in een vakantiehuis in Duitsland. In afwachting van toestemming voor permanente bewoning aldaar hebben zij hun huurhuis in Duiven aangehouden. Met toestemming van de verhuurder is de woning, ter voorkoming van mogelijke inbraak, brandstichting en vandalisme bij leegstand, verhuurd aan [A]. Uit de stukken van het geding blijkt - en door eiser is niet bestreden - dat eiser en zijn echtgenote gedurende het gehele berekeningsjaar 2008 in de gba stonden ingeschreven op het adres [adres] te [woonplaats] en dat op dit adres van 1 april 2007 tot 2 februari 2009 tevens stond ingeschreven [A]. Zoals hiervoor onder 2 is weergegeven moet [A] ingevolge artikel 2, eerste lid onder g, van de Awir als medebewoonster worden aangemerkt nu zij in de gba op hetzelfde adres als eiser staat ingeschreven.

4. Eiser voert in beroep aan dat hij het onjuist vindt dat het inkomen van [A] bij zijn inkomen wordt geteld. Hij stelt dat hij niets te maken heeft met het vermogen van [A]. Ingevolge artikel 7, eerste lid van de Wet op de huurtoeslag in verbinding met artikel 7, vierde lid, van de Awir is er geen recht op huurtoeslag indien een medebewoner voordeel uit sparen en beleggen heeft. Zoals hiervoor onder 3 is overwogen moet [A] aangemerkt worden als medebewoonster. Uit de gegevens van de belastingdienst is gebleken dat [A] in 2008 voordeel uit sparen en beleggen had. Derhalve heeft verweerder eiser terecht niet in aanmerking gebracht voor huurtoeslag en de onverschuldigd betaalde voorschotten teruggevorderd.

5. Ten overvloede overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder stelt dat eiser ook om andere redenen in het onderhavige berekeningsjaar geen recht heeft op huurtoeslag. Eiser en zijn echtgenote verbleven immers gedurende het gehele jaar 2008 in hun vakantiewoning in Duitsland. Dat betekent dat de woning waarvoor eiser huurtoeslag heeft aangevraagd, in 2008 niet zijn hoofdverblijf was. Daardoor voldeed eiser niet aan de definitie van huurder welke is opgenomen in artikel 1, onder c, van de Wet op de huurtoeslag en zou hij ook om deze reden geen recht hebben gehad op huurtoeslag.

6. Gelet op het vorenoverwogene zal het beroep ongegrond worden verklaard.

7. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.N. Noorman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Wismeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 november 2011.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.