Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU6165

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
29-11-2011
Zaaknummer
SBR 11/1637
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurtoeslag. Met ingang van 1 januari 2007 is de wettelijke regeling veranderd en telt vermogen in Box III van de inkomstenbelasting bestaande uit maatschappelijke beleggingen, groene beleggingen, sociaal-ethische beleggingen en beleggingen in durfkapitaal wél mee bij de beoordeling of een belanghebbende recht heeft op huurtoeslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 11/1637

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats],

eiseres,

en

Belastingdienst/Toeslagen,

verweerder.

Procesverloop

Bij beschikking van 14 januari 2011 heeft verweerder de definitieve huurtoeslag voor het berekeningsjaar 2008 vastgesteld op nihil en is een bedrag van € 3.197 aan betaalde voorschotten teruggevorderd.

Bij uitspraak op bezwaar van 14 april 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld bij deze rechtbank.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2011. Eiseres is ter zitting verschenen, tot bijstand vergezeld van P. Scherpenisse. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.E. van de Peppel en mr. J.H.E. van der Meer.

Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

1. Aan eiseres is een bedrag van € 3.197 aan voorschotten huurtoeslag voor het berekeningsjaar 2008 betaald. Op 14 januari 2011 is de definitieve huurtoeslag vastgesteld op nihil en zijn de betaalde voorschotten teruggevorderd vanwege het vermogen van eiseres.

2. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de wet op de huurtoeslag zijn het recht op en de hoogte van de huurtoeslag afhankelijk van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, diens partner en de medebewoners.

Ingevolge artikel 7, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) bestaat geen aanspraak op een tegemoetkoming indien in een inkomensafhankelijke regeling de aanspraak op een tegemoetkoming mede afhankelijk is gesteld van het vermogen indien bij belanghebbende over het berekeningsjaar voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) in aanmerking wordt genomen, dan wel in aanmerking zou worden genomen indien geen rekening wordt gehouden met de vrijstellingen als bedoeld in afdeling 5.3 en 5.3A van die wet.

De vrijstellingen als bedoeld in afdeling 5.3 en 5.3A van de Wet IB 2001 betreffen de vrijstelling maatschappelijke beleggingen, groene beleggingen, sociaal-ethische beleggingen en beleggingen in durfkapitaal.

3. Blijkens de aanslag inkomstenbelasting 2008 van eiseres was de waarde van haar bezittingen in 2008 gemiddeld € 19.913, de waarde van haar maatschappelijke beleggingen € 34.610 en de waarde van de beleggingen in durfkapitaal € 10.239. Dat betekent dat eiseres, indien geen rekening gehouden zou worden met de vrijstellingen als bedoeld in afdeling 5.3 en 5.3A van de Wet IB 2001, voordeel uit sparen en beleggen zou hebben gehad over een bedrag van € 44.447 (€ 64.762 -/- € 20.315, zijnde de vrijstelling van artikel 5.5, eerste lid, van de Wet IB 2001).

Nu eiseres ingevolge artikel 7, derde lid, van de Awir voordeel uit sparen en beleggen zou hebben gehad over een bedrag van € 44.447, heeft verweerder eiseres op grond van artikel 7, derde lid, van de Awir, terecht niet in aanmerking gebracht voor huurtoeslag en heeft verweerder de onverschuldigd betaalde voorschotten terecht teruggevorderd.

4. Eiseres voert in beroep aan dat zij door medewerkers van de Belastingtelefoon onjuist is geïnformeerd over de invloed van haar beleggingen op de huurtoeslag. Eiseres stelt dat, indien zij juist was geïnformeerd, zij anders gehandeld zou hebben. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), kan van in rechte te honoreren vertrouwen pas sprake zijn indien een aan de Belastingdienst toe te rekenen toezegging of informatie uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd is gegeven; zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 juni 2011 (LJN: BQ9685). Daarvan is, nog daargelaten dat niet kan worden vastgesteld welke vraag eiseres heeft gesteld en wat daarop is geantwoord, in het geval van eiseres geen sprake. Dat eiseres anders zou hebben gehandeld met haar vermogen indien zij juist geïnformeerd was, is een keuze die voor haar rekening en risico blijft. Een beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt derhalve niet.

5. Eiseres voert in beroep tevens aan dat verweerder, op grond van de aangifte inkomstenbelasting 2006, wist dat zij groene beleggingen had. Het had dan ook op de weg van de belastingdienst gelegen haar te informeren over de met ingang van 1 januari 2007 gewijzigde regelgeving omtrent het buiten beschouwing laten van groene beleggingen bij de bepaling van het recht op huurtoeslag. Dat is niet gebeurd; zelfs in de folders die zij jaarlijks van de belastingdienst krijgt is niets over de nieuwe wetgeving te vinden.

De rechtbank wijst erop dat de Belastingdienst en Belastingdienst/Toeslagen twee verschillende bestuursorganen zijn. Er is geen wettelijke bepaling die het ene bestuursorgaan, de Belastingdienst, verplicht om het andere bestuursorgaan, de Belastingdienst/Toeslagen, te informeren over eventuele gevolgen van inkomensbestanddelen uit een aangifte inkomstenbelasting voor het recht op huurtoeslag in komende jaren. Bovendien geschiedt de definitieve vaststelling van het recht op en de hoogte van de huurtoeslag pas als de definitieve aanslag inkomstenbelasting vastgesteld is en pas dan blijkt hoe het inkomen en vermogen van een belanghebbende zijn samengesteld. Met ingang van 1 januari 2007 is de wettelijke regelgeving veranderd en dient verweerder bij de definitieve vaststelling van het recht op en de hoogte van de huurtoeslag, anders dan in 2006, rekening te houden met vermogen van een belanghebbende in de vorm van maatschappelijke beleggingen, groene beleggingen, sociaal-ethische beleggingen en beleggingen in durfkapitaal. Dat de informatievoorziening daarover kennelijk gebrekkig is geweest en eiseres, naar zij stelt, niet over de juiste informatie heeft kunnen beschikken, maakt dat niet anders. Deze beroepsgrond van eiseres slaagt derhalve niet.

6. Voor zover eiseres een beroep doet op de hardheidsclausule van artikel 47 van de Awir, kan haar dit niet baten omdat de situatie van eiseres niet valt onder de voorwaarden voor de toepassing van de hardheidsclausule zoals deze genoemd zijn in artikel 9 van de Uitvoeringsregeling Awir.

7. Gelet op het vorenoverwogene zal het beroep ongegrond worden verklaard.

8. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.N. Noorman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Wismeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 november 2011.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.