Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU6145

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-11-2011
Datum publicatie
28-11-2011
Zaaknummer
16/710698-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming na veroordeling voor witwassen en overtreden Opiumwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/710698-11 (ontneming)

Vonnis van de rechtbank d.d. 25 november 2011

in de ontnemingszaak tegen

[verdachte],

geboren op [1981] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in PI Utrecht, Huis van Bewaring locatie Nieuwegein,

raadsman mr. J.G. Kabalt, advocaat te Breukelen.

1 De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

- de vordering, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;

- het strafdossier onder parketnummer 16/710698-11 waaruit blijkt dat [verdachte] (vanaf hier: veroordeelde) op 26 augustus 2011 door de meervoudige kamer in deze rechtbank is veroordeeld ter zake van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod en een gewoonte maken van witwassen, tot de in die uitspraak vermelde straf;

- het proces-verbaal van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

- het proces-verbaal van relaas, pagina 46 tot en met 55 van het strafdossier;

- de conclusie van antwoord van de raadsman van 8 september 2011;

- de conclusie van repliek van 8 november 2011 van de officier van justitie;

- de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting;

- de overige stukken.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2011. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is de officier van justitie gehoord. Tevens is de veroordeelde gehoord, bijgestaan door raadsman mr. J.G. Kabalt.

2 De beoordeling

2.1 De vordering van de officier van justitie

De vordering van de officier van justitie van 27 oktober 2011 strekte tot schatting van het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op € 196.623,18. De officier van justitie heeft bij conclusie van repliek aangegeven dat hij van mening is dat het bedrag van

€ 7.790,00 (Rolex) en het bedrag van € 60.000,00 (lening opa) in mindering moeten worden gebracht op de in het proces-verbaal van relaas opgenomen berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, nu de rechtbank heeft geoordeeld dat aannemelijk is geworden dat deze bedragen een legale herkomst hebben.

De vordering van de officier van justitie strekt, na vermindering bij conclusie van repliek, tot het aan de veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van € 128.833,18.

2.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangegeven dat zij het bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak ingenomen standpunt dat sprake is onrechtmatig verkregen bewijs handhaaft in het kader van de ontnemingszaak.

De verdediging heeft primair betoogd dat de vordering van de officier van justitie tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel afgewezen dient te worden. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat de officier van justitie geen rekening heeft gehouden met de legale inkomsten die veroordeelde heeft verkregen. Veroordeelde heeft

€ 10.000,00 verdiend met de verkoop van een Volkswagen Polo en € 3.750,00 met de verkoop van een bus. Daarnaast heeft veroordeelde een bedrag van € 20.000,00 van zijn vader ontvangen om een auto te kopen en heeft hij een bedrag van ongeveer € 25.000,00 van zijn broers ontvangen. De verdediging heeft voorts aangevoerd dat veroordeelde niet voor de hasjiesj heeft betaald, omdat hij de hasjiesj heeft verkregen door middel van diefstal.

Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de vordering van de officier van justitie moet worden afgewezen wegens gebrek aan draagkracht bij de veroordeelde.

2.3 Het oordeel van de rechtbank

2.3.1 Bespreking van het verweer van de verdediging: onrechtmatig verkregen bewijs

De verdediging heeft bij de inhoudelijke behandeling van de strafzaak aangevoerd dat de gegevens van veroordeelde niet in overeenstemming met de wettelijke bepalingen van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) bij de Belastingdienst zijn opgevraagd en dat derhalve sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs. De verdediging heeft aangegeven dat zij dit verweer ook in het kader van de ontnemingszaak wenst te voeren. Nu de raadsman geen conclusie aan het verweer heeft verbonden, begrijpt de rechtbank het verweer aldus dat de raadsman van mening is dat de informatie die bij de Belastingdienst is verkregen geen rol dient te spelen bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De rechtbank heeft in het vonnis van 26 augustus 2011 met betrekking tot dit verweer overwogen dat, aangezien bij de verkrijging van de gegevens van de Belastingdienst betreffende verdachte niet conform artikel 126nd Sv is gehandeld, ter zake van die verkrijging sprake is van een vormverzuim. De rechtbank heeft zulks aangemerkt als een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. In het kader van de onder 359a Sv door de rechtbank te nemen beslissingen omtrent het aan het geconstateerde vormverzuim te verbinden gevolgen heeft de rechtbank groot gewicht toegekend aan de constatering dat verdachte geen materieel nadeel heeft ondervonden van de onrechtmatige informatie-bevraging door de politie bij de Belastingdienst. Voorts heeft de rechtbank daarbij het belang dat het geschonden voorschrift dient en de ernst van het verzuim in aanmerking genomen. Bij dit laatste heeft de rechtbank betrokken dat aannemelijk is geworden dat de politie in de veronderstelling verkeerde dat een vordering ex 126nd Sv niet meer nodig was, nu het Convenant voorlag. Het leidt echter naar het oordeel van de rechtbank weinig twijfel dat als een dergelijke vordering door de politie aan de officier van justitie zou zijn voorgesteld en de officier van justitie deze zou hebben ingediend, de Belastingdienst de gevraagde gegevens vervolgens ook zou hebben verstrekt. De ernst van het verzuim is derhalve meer van formele dan van materiële aard. Om bovengenoemde redenen heeft de rechtbank ten aanzien van het geconstateerde vormverzuim geen reden gezien om daaraan andere consequenties te verbinden dan de enkele constatering van dit verzuim.

De rechtbank neemt in het kader van de onderhavige ontnemingszaak deze overwegingen over en verwerpt derhalve het verweer van de verdediging.

2.3.2 Berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Dat veroordeelde het bewezenverklaarde heeft begaan blijkt uit de bewijsmiddelen, zoals vermeld in het vonnis in de hoofdzaak van 26 augustus 2011. De rechtbank ontleent aan de inhoud van de in de strafzaak genoemde bewijsmiddelen het oordeel dat de veroordeelde door middel van het begaan van bovengenoemde feiten een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft gehad.

Bij de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat volgt de rechtbank de berekening zoals deze is gemaakt in het proces-verbaal van relaas , met dien verstande dat de rechtbank op de volgende punten van deze berekening afwijkt:

- de rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat het bedrag van € 7.790,00 voor de Rolex en het bedrag van € 60.000,00 dat veroordeelde van zijn opa heeft geleend in mindering moeten worden gebracht op het in het proces-verbaal berekende wederrechtelijk verkregen voordeel, nu de rechtbank aannemelijk geworden acht dat deze bedragen een legale herkomst hebben. De rechtbank sluit voor de motivering hiervan aan bij hetgeen in het vonnis van 26 augustus 2011 is overwogen en verwijst voor die motivering naar het vonnis;

- de rechtbank is anders dan de officier van justitie van oordeel dat het bedrag van

€ 109.600,00 voor de hasjiesj in mindering dient te worden gebracht op het in het proces-verbaal berekende wederrechtelijk verkregen voordeel en overweegt daartoe het volgende. Zowel veroordeelde als de medeveroordeelde, [X] hebben ter terechtzitting van 11 november 2011 verklaard dat de hasjiesj die bij hen thuis is aangetroffen van diefstal afkomstig is. Zij hebben ter terechtzitting verklaard omtrent de periode waarin deze diefstal zou hebben plaatsgevonden en omtrent de daarbij door hen gevolgde werkwijze. De rechtbank stelt hier voorop dat nu deze nadere verklaringen haaks staan op die welke ter zake eerder door veroordeelde en zijn medeveroordeelde zijn afgelegd, de geloofwaardigheid van deze laaste verkalringen zeker niet voetstoots kan worden aangenomen. In het onderhavige geval worden de nadere verklaringen van veroordeelde en [X] echter ondersteund door zich in het strafdossier bevindende verklaringen en bevindingen. Bovendien dateren deze verklaringen en bevindingen van tijdstippen voor c.q. tijdens hun meest recente aanhouding door de politie, zodat niet kan worden aangenomen dat deze zijn beïnvloed door de thans lopende straf- en ontnemingszaken tegen veroordeelde en [verdachte]. In het bijzonder wijst de rechtbank daarbij op de door de CIE betrouwbaar geachte melding van 4 februari 2011, die luidt: “[X] en zijn maatje [A] (fon) hebben enkele maanden geleden iemand geript van een paar honderd kilo hasj. Ze verdienen ontzettend veel geld met de verkoop van die hasj”. Voorts is er in de Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] van veroordeelde een peilbaken aangetroffen en zijn er in de Volkswagen Golf met kenteken [kenteken] van [X] ook peilbakens aangetroffen. Daarnaast overweegt de rechtbank dat uit de inhoud van het tapgesprek tussen veroordeelde en [X] van 11 april 2011 sterk suggereert dat veroordeelde en [X] vaker voertuigen achtervolgden met het oog op wegneming van daarin aanwezige goederen.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdediging in voldoende mate aannemelijk heeft gemaakt dat veroordeelde en [X] niet betaald hebben voor de onder hen in beslag genomen hasjiesj, maar dat zij deze hadden verkregen door middel van diefstal.Zij hadden voor de verkrijging van deze hasjiesj derhalve ook geen geldelijke middelen voorhanden hoeven hebben, hetwelk in de in het proces-verbaal opgenomen berekening wel als uitgangspunt is genomen.

De rechtbank acht het anders dan de officier van justitie niet noodzakelijk om de zaak aan te houden om nader onderzoek te verrichten naar de diefstal van de hasjiesj. De rechtbank overweegt hierbij dat gezien het tijdsverloop, de houding van veroordeelde en zijn medeveroordeelde en het milieu waarbinnen de diefstal zich zou hebben afgespeeld het naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijze niet te verwachten is dat dit nadere onderzoek nog tot objectief verifieerbare en voor de onderhavige vordering relevante informatie zal kunnen leiden.

Voor het overige neemt de rechtbank de berekeningen uit voornoemd proces-verbaal van relaas over en maakt deze tot de hare. Deze berekeningen acht de rechtbank voldoende onderbouwd.

De rechtbank verwerpt daarbij het verweer van de verdediging dat veroordeelde meer legale inkomsten dan uitgaven heeft gehad. De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat veroordeelde een bedrag van € 25.000,00 van zijn broers heeft gekregen en dat hij een bedrag van € 20.000,00 van zijn vader voor de aankoop van een auto heeft gekregen. De rechtbank overweegt daartoe dat zij de verklaring van veroordeelde en de verklaringen van zijn broers en vader niet geloofwaardig acht, gelet op het gebrek aan verifieerbare ondersteuning van deze verklaringen. De rechtbank acht tevens niet aannemelijk geworden dat veroordeelde een bedrag van € 13.750,00 met de verkoop van een Volkswagen Polo en een bus heeft verdiend. De rechtbank acht het door de verdediging overgelegde vrijwaringsbewijs met betrekking tot de Volkswagen Polo niet overtuigend, nu daarop geen bedrag is vermeld en er ook niet uit blijkt aan wie de auto is overgedragen.

De rechtbank overweegt hierbij nog dat zij de onderhavige zaak niet vergelijkbaar acht met de door de raadsman aangehaalde zaak [naam] met LJN-nummer BR2104, nu in die zaak niet vast is komen te staan dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit waaruit het bij hem aangetroffen geldbedrag verkregen zou kunnen zijn. Nu daarvan in de onderhavige zaak wel sprake is, meent de rechtbank dat het hiervoor opgenomen oordeel dat verdachte zijn verklaring niet aannemelijk heeft gemaakt stand kan houden.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot de volgende berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel:

Aangetroffen geld:

Doorzoeking, euro € 11.500,00

Doorzoeking, dirham (omgerekend in euro) € 108,62

Uitgaven:

Contante stortingen/opnamen bankrekeningen € 28.020,00

Moneytransfer d.d. 4 mei 2010 € 2.000,00

Aangetroffen contantbonnen (zonder Rolex) € 7.104,56

Volkswagen Golf [kenteken] € 9.500,00

Volkswagen Golf [kenteken] € 21.000,00

Hasjiesj € 0,00

Subtotaal: € 79.223,18

Inkomsten/vermogen legaal: € 60.000,00 -

Totaal: € 19.233,18

De rechtbank zal het terug te betalen bedrag derhalve vaststellen op voornoemd bedrag van € 19.233,18 en de vordering van de officier van justitie voor het overige afwijzen.

Het verweer van de veroordeelde dat gelet op zijn financiële draagkracht het bedrag op nihil dient te worden gesteld wordt door de rechtbank verworpen. Niet aannemelijk is geworden dat de veroordeelde naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet in staat zal zijn aan zijn betalingsverplichting te voldoen.

3 Toegepaste wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

4 De beslissing

De rechtbank:

- stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 19.233,18;

- legt [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 19.233,18, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

- wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.

Deze beslissing is gegeven door mr. A. Kuijer, voorzitter, mrs. A.G. van Doorn en A.M. Crouwel, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. D. Riani el Achhab en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 25 november 2011.