Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU5756

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
23-11-2011
Datum publicatie
24-11-2011
Zaaknummer
253725 - HA ZA 08-1725
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geldlening; vaststelling tijd van teruggave (art. 7A:1798 BW). Maatstaf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handel en kanton

Handelskamer

Zaaknummer / rolnummer: 253725 / HA ZA 08-1725

Vonnis van 23 november 2011

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. S. van Steenwijk te Utrecht,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. J. Bredius te Zeist.

Partijen zullen hierna de vader en de dochter genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 6 juli 2011;

- de akte met overlegging van producties van de dochter;

- de akte met uitlating van de vader.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Het geschil en de beoordeling

2.1. Het geschil betreft een vordering van de vader op de dochter in verband met een geldlening. In het vonnis van 6 juli 2011 heeft de rechtbank daarover, kort gezegd, als volgt geoordeeld. Voor zover indertijd niet een overeenkomst van geldlening tot stand gekomen is, die de dochter verplichtte tot terugbetaling, heeft zij in de vaststellingsovereenkomst van 23 september 2009 die verplichting op zich genomen. De lening is echter niet opeisbaar. De vader vordert (subsidiair) vaststelling van de termijn waarop de dochter haar lening aan hem zal moeten aflossen, op grond van artikel 7A:1798 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De rechtbank heeft de behandeling aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen zich daarover uit te laten. De dochter diende zich uit te laten over de vraag of zij de schuld aan de Rabobank al heeft afgelost of daarmee doende is en, meer algemeen, tevens over terugbetaling in termijnen. De vader diende zich uit te laten over de vraag welke termijn – mede gezien de in de vaststellingsovereenkomst gemaakte afspraken over de schuld aan de Rabobank – redelijk zou zijn.

2.2. De dochter heeft geen standpunt ingenomen over terugbetaling in termijnen. Zij heeft wel enige stukken overgelegd. Daaruit blijkt het volgende (alle bedragen afgerond):

- een Rabo OndernemersPakket met een negatief saldo van € 90.261 op 1 januari 2010 en een positief saldo van € 40 op 31 december 2010;

- een hypotheekschuld aan de Rabobank, aangegaan op 4 augustus 2010, met een saldo van € 93.416 op 31 december 2010, een aflossing van € 396 per maand en een rente tussen € 575 en € 600 per maand (eind 2010);

- een doorlopend krediet bij Ribank met een saldo op 30 juni 2011 van € 5.886 en maandtermijnen van € 150;

- een ziektewetuitkering van € 1.890 bruto (€ 1.391 netto) per vier weken in juli 2011, of omgerekend ongeveer € 1.500 netto per maand.

2.3. De vader stelt in zijn akte dat hij terugbetaling in twee jaar, in termijnen van € 479 per maand, redelijk vindt. Hij stelt een betalingsregeling voor met een gedurende het eerste jaar oplopend termijnbedrag, te beginnen met bijvoorbeeld € 75 en daarna maandelijks oplopend met € 25 per maand, waarna – na een jaar – het resterende bedrag wordt verdeeld over het tweede jaar.

2.4. In artikel 7A:1798 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is het volgende bepaald:

Indien men is overeengekomen dat hij die een goed ter leen heeft ontvangen dit zal terug geven, wanneer hij daartoe in staat zal zijn, zal de regter, naar gelang der omstandigheden, den tijd der teruggave bepalen.

De rechter zal daarbij rekening hebben te houden met alle omstandigheden van het geval. In deze zaak behoort daartoe de omstandigheid dat partijen vader en dochter van elkaar zijn en dat de vader vooraf met zijn dochter geen afspraken gemaakt heeft over terugbetaling. Daarnaast zijn van belang de financiële belangen over en weer. De dochter heeft – hoewel zij geen standpunt geformuleerd heeft over de mogelijkheid van terugbetaling – wel stukken overgelegd die een aanwijzing vormen dat haar financiële mogelijkheden beperkt zijn. Over de omstandigheden van de vader is niets gesteld. In zijn akte heeft hij alleen gesteld dat het hem er maar om gaat dat er eens wordt begonnen met terugbetalen.

2.5. De regeling die de vader voorstelt doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan deze omstandigheden. Volgens de berekening van de rechtbank zou die ertoe leiden dat de dochter in het tweede jaar een bedrag van € 745 per maand aan hem zou moeten betalen, bijna de helft van de ziektewetuitkering die zij nu ontvangt. De vader heeft niet toegelicht waarom hij verwacht dat zij in het tweede jaar een zodanig inkomen zal hebben dat hij dat van haar mag verwachten.

2.6. De rechtbank zal daarom op basis van de hierboven genoemde gegevens in redelijkheid een regeling vaststellen. Zij gaat daarbij uit van het genoemde inkomen. De vader stelt wel dat de dochter inkomsten zou kunnen hebben uit een onderneming, maar gezien de ziektewetuitkering ligt het niet zonder meer voor de hand dat dit om grote bedragen zal gaan, en de vader licht dat ook niet toe. Hij wijst er ook op dat de dochter geen gegevens verstrekt over de belastingteruggaaf in verband met de hypotheekrente die zij betaalt. Ook wanneer men zou uitgaan van een teruggaaf van € 200 à € 300 per maand, leidt dat niet tot de conclusie dat de dochter in staat zou zijn om naast haar eigen levensonderhoud en de genoemde schulden grote bedragen aan de vader te betalen. De rechtbank zal daarom schattenderwijs een redelijk bedrag vaststellen, met de aantekening dat deze regeling (met analogische toepassing van artikel 6:258 BW) herzien kan worden wanneer gewijzigde omstandigheden (aan de zijde van de dochter, de vader of allebei) daarvoor aanleiding geven.

2.7. Partijen hebben in de vaststellingsovereenkomst afgesproken dat de dochter geen wettelijke rente verschuldigd zou zijn. De rechtbank zal haar daartoe dan ook niet veroordelen.

2.8. Gelet op de familierelatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. veroordeelt de dochter om aan de vader te betalen € 11.500,00 (elfduizend vijfhonderd euro) in termijnen van € 100,00 (éénhonderd euro) per maand met ingang van 1 januari 2012, steeds bij vooruitbetaling te voldoen voor de eerste van de maand;

3.2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.3. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

3.4. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C. Hagedoorn en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2011.?