Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU5586

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
11-11-2011
Datum publicatie
24-11-2011
Zaaknummer
16/601004-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal scooter, herkenning van verdachte op videobeelden door verbalisant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/601004-11 [P]

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 november 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1991] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

gedetineerd voor deze zaak te PI Utrecht, Huis van Bewaring Wolvenplein, Utrecht.

Raadsman mr. M.G. Vos, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 28 oktober 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen een scooter heeft gestolen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Vastgestelde feiten

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

[aangever] heeft aangifte gedaan van de diefstal van de motorscooter van zijn zoon [benadeelde], gepleegd op 28 augustus 2011 rond 19.11 uur op de Croeselaan te Utrecht. Het gaat om een motorscooter van het merk Piaggio, type Gilera Runner 180. Aangever heeft van de vriendin van zijn zoon gehoord dat een drietal jongens de scooter de Tesselschadestraat heeft ingetrokken en in een zandkleurige bus heeft getild. Aangever duidt de kleur van de bus ook aan als geel.

Op 28 augustus 2011 zag getuige [getuige] omstreeks 19.00 uur op de Croeselaan te Utrecht drie jongens aan komen lopen. Ze keken om zich heen alsof ze op de uitkijk stonden. Kort daarop kwam een geel busje aanrijden met kenteken [kenteken] met twee jongens daarin. De getuige zag dat de vijf jongens om zich heen keken. Vanaf dit moment maakte de getuige beeldopnames van wat hij ziet gebeuren. De jongens pakten vervolgens een scooter die op het trottoir stond en droegen deze de bus in. Daarna reden zij weg. De getuige heeft voornoemd kenteken doorgegeven aan de politie. Tevens heeft de getuige de door hem gemaakte beeldopnamen aan de politie verstrekt.

Verbalisant [verbalisant] heeft op 28 augustus 2011 omstreeks 19.11 uur een melding gehoord dat de inzittenden van een bus van het merk Volkswagen met kenteken [kenteken] een scooter hadden weggenomen op de Croeselaan. Omstreeks 20.28 uur diezelfde dag reed de verbalisant samen met een collega over de Bevinlaan te Utrecht. Hij zag op de Roosevelt-laan een bestelbus van het merk Volkswagen rijden, voorzien van kenteken [kenteken]. De verbalisant is achter het busje gaan rijden en heeft het voertuig een stopteken gegeven. De bestuurder voldeed hieraan en gaf een rijbewijs aan de verbalisant. De foto op het rijbewijs kwam overeen met het gezicht van de bestuurder. De bestuurder bleek te zijn genaamd [verdachte], verdachte. De staande houding van verdachte heeft ongeveer vijf minuten geduurd, waarbij de verbalisant de verdachte meerdere malen recht in het gezicht heeft gekeken.

Verbalisant ziet later de beelden die door getuige [getuige] van de diefstal zijn gemaakt en verklaart dat hij verdachte op die beelden herkent.

[X], de vader van verdachte, is de eigenaar is van de Volkswagen met kenteken [kenteken]. Hij weet niet meer aan wie hij de bus heeft uitgeleend op 28 augustus. Hij leent de bus alleen uit aan zijn kinderen [A] en [verdachte]. [A] rijdt niet alleen in de bus. [verdachte] en hijzelf zijn de enigen die alleen in de bus rijden.

Het draait in deze zaak om de vraag of verdachte één van de daders van de diefstal van de scooter is geweest.

4.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. De officier van justitie baseert zich daarbij met name op het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door verbalisant [verbalisant], waaruit blijkt dat deze verbalisant verdachte heeft herkend op foto’s van de diefstal.

4.3 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en verzoekt verdachte van het tenlastegelegde vrij te spreken. De raadsman wijst daarbij op het volgende. De zaak draait om de herkenning van verdachte door verbalisant [verbalisant]. Er kan niet met honderd procent overtuiging gezegd worden dat verdachte op de foto’s te zien is. De herkenning is gebaseerd op de huidskleur en de vorm van het hoofd, maar dat zijn nietszeggende criteria, omdat verdachte op die punten geen bijzondere kenmerken heeft. Ook de kleding is niet zodanig bijzonder dat daarop een herkenning gebaseerd kan worden.

4.4 Het oordeel van de rechtbank

De herkenning van verdachte

Verbalisant [verbalisant] heeft na de staandehouding van verdachte op 28 augustus 2011 omstreeks 20.30 uur op het bureau later die avond videobeelden en foto’s van de diefstal bekeken. Op de videobeelden zag hij de Volkswagen Transporter met kenteken [kenteken] staan. Hij herkende het voertuig als het voertuig dat hij eerder die dag staande had gehouden aan de kleur, het kenteken, de dubbele cabine en de wieldoppen. Hij zag op de beelden en foto’s dat er verschillende jongeren om het voertuig heen stonden. Op foto’s S6001737 en S6001736 staat een persoon in een blauwe jas afgebeeld. De verbalisant herkende deze persoon als [verdachte] aan zijn huidskleur, de vorm van zijn hoofd, zijn gezicht, zijn postuur, maar ook aan zijn kleding. De kleding die verdachte op de foto’s draagt, is namelijk exact dezelfde kleding als de kleding die verdachte op het moment dat de verbalisant verdachte staande hield, droeg.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat de herkenning van verdachte door de verbalisant onbetrouwbaar is en overweegt daartoe als volgt. Verbalisant [verbalisant] heeft verdachte niet alleen herkend, maar ook verklaard dat en waarom hij verdachte kent. De rechtbank kan slechts beoordelen of een dergelijke herkenning in redelijkheid mogelijk is. Voor dit oordeel heeft de rechtbank gelet op de mate van duidelijkheid en helderheid van de foto’s en meer in het bijzonder op de weergave van de personen die op de foto’s die zich in het dossier bevinden staan afgebeeld. Op basis daarvan acht de rechtbank het mogelijk dat iemand die deze persoon kent, hem op deze beelden herkent zowel aan zijn fysieke kenmerken als ook aan de door die persoon gedragen kleding. Dit maakt dat de rechtbank waarde hecht aan de inhoud van de verklaring van voornoemde verbalisant en dat zij deze verklaring voor het bewijs zal gebruiken.

Beroep op zwijgrecht door verdachte

De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat een verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden op zichzelf niet tot het bewijs kan bijdragen. Wel kan de rechtbank in haar bewijsoverweging betrekken dat een verdachte zwijgt op vragen om uitleg op concrete punten en daarin een ondersteuning vinden voor de juistheid van de conclusies die de rechtbank uit het aanwezige bewijs trekt.

In casu heeft de verdachte geen plausibele verklaring gegeven voor de omstandigheid dat de gele Volkswagen Transporter is gezien op de plaats waar de scooter is weggenomen. Deze omstandigheid moet worden bezien in samenhang met het feit dat zijn vader verklaard heeft -dat deVolkswagen Transporter van hem (vader) is en

-dat afgezien van vader zelf, alleen verdachte en diens zus in de Volkswagenbus mogen rijden,

-dat de zus van verdachte nooit alleen in de bus rijdt en dat verdachte de enige is buiten vader zelf die de bus alleen bestuurt maar dat de vader niet meer weet aan wie hij de bus op 28 augustus 2011 heeft uitgeleend.

Nu verdachte zelf geen verklaring geeft voor de aanwezigheid van de Volkswagen op de plaats van het delict, leidt de rechtbank uit bovenstaande af dat verdachte de bedoelde Volkswagen Transporter tot zijn beschikking had op het moment dat daarmee de scooter werd gestolen.

Ook heeft verdachte geen plausibele verklaring gegeven voor de omstandigheid dat hij relatief kort na de diefstal samen met medeverdachte [medeverdachte] in de Volkswagen Transporter rondrijdt en dat medeverdachte [medeverdachte] uit de rijdende bus springt vlak voordat de Volkswagen Transporter wordt aangehouden door de politie. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte degene is geweest die tijdens en kort na de diefstal de Volkswagen Transporter heeft bestuurd.

De rechtbank is van oordeel dat voornoemde omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, vragen om een verklaring van verdachte. Nu verdachte nog geen begin van een aannemelijke verklaring wenst te geven, is de rechtbank van oordeel dat er gevolgen mogen worden verbonden aan dit stilzwijgen van verdachte, inhoudende dat dit bijdraagt aan het bewijs.

Conclusie

Op grond van hetgeen onder 4.1 en 4.4 is overwogen, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank bewezen dat verdachte één van de daders van de diefstal van de scooter is geweest.

4.5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 28 augustus 2011 te Utrecht tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een motorscooter, merk Piaggio, type Gilera Runner 180, toebehorende aan [benadeelde]

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Diefstal door twee of meer verenigde personen.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken, met aftrek van voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft met betrekking tot de strafmaat geen standpunt ingenomen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van een motorscooter. In strafverzwarende zin weegt de rechtbank mee dat dit feit in vereniging is gepleegd. Verdachte heeft voor het plegen van de diefstal een busje geleverd en dit ook bestuurd. Hij heeft met zijn mededaders een scooter in dat busje getild en is daarmee weggereden. Dit is gebeurd op klaarlichte dag. Verdachte heeft zich bij het plegen van deze diefstal niet bekommerd om de schade, de overlast en het ongemak die dit brutale delict veroorzaakt. De rechtbank weegt daarnaast mee dat verdachte ter terechtzitting geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daad.

Uit de filmfragmenten wordt duidelijk dat verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] niet de enigen zijn geweest die de diefstal hebben gepleegd, maar dat er meerdere jongemannen hebben geholpen bij het plegen van deze diefstal. Het baart de rechtbank zorgen dat het voor verdachte en zijn medeverdachte blijkbaar geen moeite kost om mensen te vinden die willen meewerken aan het plegen van een dergelijke diefstal.

De rechtbank beschouwt verdachte, op basis van een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 18 oktober 2011, als first offender. Gelet op de ernst van het feit acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Bij de bepaling van de duur van de onvoorwaardelijke vrijheidsstraf heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het LOVS voor diefstal van vervoermiddelen. Als uitgangspunt voor diefstal van een motorfiets wordt bij een first offender een gevangenisstraf van 6 weken onvoorwaardelijk gehanteerd. De rechtbank ziet echter aanleiding om van dit oriëntatiepunt af te wijken. De rechtbank vreest op grond van de ernst van het feit, het samenwerkings-verband waarbinnen dit feit gepleegd is en de proceshouding van verdachte dat gevaar voor herhaling bestaat. Om verdachte er in de toekomst van te weerhouden weer een strafbaar feit te plegen legt de rechtbank verdachte daarom daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur op.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit artikel luidde ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Diefstal door twee of meer verenigde personen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 weken, waarvan 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Voorlopige hechtenis

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Oostendorp, voorzitter, mr. M.A.E. Somsen en mr. A.M. Crouwel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Riani el Achhab, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 11 november 2011.