Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU5325

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
16/600637-11 en 16/600324-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad de vlucht mogelijk te maken, opzettelijk en wederrechtelijk enige goed dat aan een ander toebehoort, beschadigen of vernielen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 16/600637-11 en 16/600324-10 (vordering tenuitvoerlegging) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 16 november 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1991] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres]

gedetineerd te Zwaag, PI Noord Holland Noord – HvB Zwaag

raadsman mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 2 november 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 op 21 juni 2011 te Utrecht een iPod heeft gestolen en daarbij geweld heeft gebruikt tegen [benadeelde];

Feit 2 op 21 juni 2011 te Utrecht de scooter en zonnebril van [benadeelde] heeft vernield;

Feit 3 primair: op 26 juni 2011 te Utrecht zijn oma heeft mishandeld door een stoel tegen haar scheenbeen te gooien/trappen;

Subsidiair: op 26 juni 2011 te Utrecht een stoel heeft vernield;

Feit 4 op 26 juni 2011 te Utrecht twee deuren heeft vernield.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk in haar vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten 1, 2, 3 subsidiair en 4 heeft begaan en zij baseert zich daarbij op de aangiftes en de verklaringen van getuigen. Verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 3 primair nu niet is komen vaststaan dat verdachte het (voorwaardelijk) opzet had zijn oma met de stoel te raken en haar daardoor te mishandelen. Tevens dient verdachte onder feit 4 te worden vrijgesproken van de vernieling van de WC-deur.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is met de officier van justitie van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen voor feit 3 primair en de vernieling van de WC-deur in feit 4. Tevens dient verdachte vrijgesproken te worden van feit 1, nu verdachte verklaart de iPod te hebben gevonden. In het geval de rechtbank van oordeel is dat wel sprake is van diefstal heeft de verdediging het standpunt ingenomen dat het door verdachte gebruikte geweld niet ten dienste heeft gestaan aan de diefstal. Verdachte gaf de klap uit frustratie, maar niet om te vluchten of om het bezit van het gestolene te verzekeren. Hij dient dan ook te worden vrijgesproken van dit deel van de tenlastelegging.

Voorts heeft de raadsman betoogd dat voor vernieling van de scooter wel wettig maar geen overtuigend bewijs voorhanden is. Getuige [getuige 1] heeft haar verklaring veel later afgelegd en heeft bovendien niets verklaard over het tijdstip waarop verdachte de scooter zou hebben omgegooid. Ook voor dit deel dient vrijspraak te volgen.

Tenslotte dient verdachte te worden vrijgesproken van de vernieling van de slaapkamerdeur (feit 4). Verdachte heeft deze deur in het verleden zelf gekocht en betaald, ter vervanging van een vernield exemplaar, zodat gesteld kan worden dat de deur zijn eigendom is.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de onder 1, 2, 3 subsidiair en 4 ten laste gelegde feiten bewezen op grond van het navolgende.

4.3.1 Ten aanzien van de feiten 1 en 2

Op 21 juni 2010 zaten [benadeelde] en zijn vriendin [X] in het Wilhelminapark te Utrecht. Naast hen stond de scooter van [benadeelde] geparkeerd, met daarop de tas van [X]. Een jongen ging met zijn hand in de tas van [X], waardoor het alarm van de scooter geactiveerd werd. [benadeelde] liep naar de jongen toe en controleerde de tas van [X]. Terwijl hij dit deed, riep een meisje dat bij die jongen was: “Ik ben niet medeplichtig”. [benadeelde] zag dat de iPod uit de tas was verdwenen en vroeg aan de jongen waar hij die had gelaten. De jongen liep weg en [benadeelde] liep achter de jongen aan. De jongen reageerde agressief en [benadeelde] zag dat hij de iPod in zijn jas had zitten. [benadeelde] zei dat hij de iPod terug moest geven, waarna de jongen zijn rechterarm ophief en [benadeelde] met gebalde vuist op zijn linkeroog sloeg. [benadeelde] werd duizelig en had pijn aan zijn oog. De jongen gooide de iPod op de grond en pakte uit de tas van [X] de zonnebril van [benadeelde] en gooide vervolgens [benadeelde] scooter op de grond. Hierdoor raakte de scooter beschadigd. De jongen kneep in de zonnebril, waardoor het montuur verbogen werd. Daarna liep hij weg.

[getuige 3] was eveneens in het park aanwezig en zag dat twee jongens ruzie hadden. Een jongen was met een scooter en de andere jongen werd [verdachte] genoemd. Ze zag dat [verdachte] boos werd en met zijn vuist een stomp gaf tegen de wang van de jongen met de scooter. Daarna duwde [verdachte] tegen de scooter, waardoor die op de grond viel.

Verdachte was samen met een vriendin op 21 juni 2011 in het Wilhelminapark in Utrecht en ging naast een scooter zitten.

Bespreking van de verweren

Op grond van de hiervoor aangehaalde verklaringen van [benadeelde] en [getuige 1] is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de iPod uit de tas heeft gestolen. Verdachte liep vervolgens weg, met de iPod in zijn zak. Nadat hij hierop door [benadeelde] werd aangesproken gaf hij [benadeelde] een klap en daarna gooide hij de iPod op de grond. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer dat het geweld niet ten dienste heeft gestaan van de diefstal.

4.3.2 Ten aanzien van de feiten 3 en 4

Op 26 juni 2011 kwam verdachte midden in de nacht onaangekondigd de woning van zijn oma, mevr. [A], te [woonplaats] in. In de woordenwisseling die volgde pakte verdachte een eetkamerstoel en gooide die kapot. Later is verdachte naar boven gegaan en heeft hij zijn slaapkamerdeur vernield door er tegen te slaan.

De rechtbank verwerpt het verweer dat de slaapkamerdeur het eigendom van verdachte is, waardoor vrijspraak dient te volgen. De slaapkamerdeur is onderdeel van de woning van de grootouders van verdachte. Verdachte heeft nadat hij de deur eerder had vernield voor vervanging gezorgd. Dit maakt echter niet dat de deur hierdoor zijn eigendom is geworden.

Vrijspraak

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan verdachte onder feite 3 primair is ten laste gelegd. Verdachte wordt hiervan dan ook vrijgesproken.

Tevens zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de vernieling van de WC-deur, nu oma spreekt over beschadiging aan de buitenzijde en getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij tegen de buitenkant van de deur heeft gebonkt, toen verdachte zich op toilet had opgesloten.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 21 juni 2011 te Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een IPod, toebehorende aan [benadeelde], welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen die [benadeelde], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, die [benadeelde] op diens

oog/gezicht heeft gestompt;

2.

op 21 juni 2011 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk een scooter en een zonnebril, toebehorende aan [benadeelde], heeft vernield of beschadigd, door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk die scooter op de grond te gooien en het montuur van die bril te verbuigen;

3.

Subsidiair

op 26 juni 2011 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk een eetkamerstoel, toebehorende aan [A], heeft vernield, door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk die stoel op te pakken en met kracht op de grond te gooien;

4.

op 26 juni 2011 te Utrecht opzettelijk en wederrechtelijk een slaapkamerdeur, toebehorende aan [A], heeft vernield , door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk tegen die deur te slaan.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: diefstal gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad de vlucht mogelijk te maken;

Feit 2, feit 3 subsidiair, feit 4:

telkens, opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort, beschadigen of vernielen

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte heeft eenmaal gesproken met T.A. Wouters, psychiater, met de bedoeling omtrent hem een psychiatrische rapportage op te maken. Verdachte is echter niet meer verschenen op de geplande vervolgafspraken en ook de referenten werkten nauwelijks mee aan het onderzoek. De deskundige heeft in zijn rapport van 10 oktober 2011 dan ook geen onderbouwd standpunt in kunnen nemen over de psychische gesteldheid van verdachte en de invloed hiervan op de bewezen verklaarde feiten.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte strafbaar is, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, met aftrek van het voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit verdachte een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest, aangevuld met een werkstraf. De detentie heeft diepe indruk op verdachte gemaakt en hij is vast voornemens niet meer opnieuw in de fout te gaan. Door de uitvoering van een werkstraf kan hij zijn goede wil tonen en bovendien in weer in het juiste ritme komen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft op straat een iPod uit de tas van een ander gepakt en toen hij hierop werd aangesproken geweld gebruikt. Daarna duwde hij de scooter van de jongen die hem aansprak om en vernielde hij zijn zonnebril. Tevens heeft hij in de woning van zijn grootouders een eetkamerstoel en een slaapkamerdeur vernield.

Al deze feiten heeft verdachte begaan terwijl hij onder invloed van alcohol was.

Ter zitting heeft verdachte aangegeven tijdens de detentie tot het besluit te zijn gekomen zijn leven een andere wending te gaan geven. Hij is van plan te stoppen met drinken en zich in te schrijven voor school. Ook wil hij afstand nemen van foute vrienden.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte houdt de rechtbank rekening met het strafblad van verdachte van 4 oktober 2011, waaruit blijkt dat hij meerdere malen is veroordeeld voor geweldsdelicten. Hij heeft hierbij naast werkstraffen ook voorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd gekregen.

Verdachte is niet ingegaan op de uitnodiging van de reclassering om tot een adviesrapportage te komen, zoals volgt uit het rapport van 31 augustus 2011.

Gelet op met name de ernst en aard van het bewezen verklaarde feit 1, is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie onvoldoende recht doet aan deze feiten. Volgens de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS wordt bijvoorbeeld bij een winkeldiefstal met gebruikmaking van geweld na betrapping en recidive als uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden gehanteerd. In deze zaak is bovendien sprake van daarnaast andere bewezenverklaarde feiten.

Alles afwegende acht de rechtbank het passend en geboden aan verdachte een gevangenis-straf op te leggen voor de duur van 4 maanden, met aftrek van het voorarrest, en een werkstraf voor de duur van 60 uren.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 994,44 voor feit 1.

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat deze vordering dient te worden toegewezen.

Van de zijde van de verdediging is betoogd dat de kosten voor het herstel van de schade aan de scooter bijna de aanschafwaarde van een gemiddelde scooter overstijgen. De vordering zou gematigd dienen te worden.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade, mede gelet op de daags na het gebeuren opgemaakte schadebegroting, een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het is een feit van algemene bekendheid dat onderdelen kostbaar zijn en tezamen met het arbeidsloon tot een hoge kostenpost kunnen leiden. Dat de aanschafprijs van een nieuwe scooter gelijk zou liggen aan de reparatiekosten, indien dit al zo zou zijn, doet hieraan niet af.

Ook de immateriële schade is een rechtstreeks gevolg van de bewezen verklaarde feiten en ook daarvoor is verdachte aansprakelijk.

Het gevorderde is in zijn geheel voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8 Het beslag

8.1 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp aan verdachte, aangezien dit voorwerp niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag is genomen.

9 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf van 2 weken gevangenisstraf die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter van 9 februari 2011 ten uitvoer zal worden gelegd.

De verdediging heeft bepleit de gevangenisstraf om te zetten in een werkstraf.

Gelet op de omstandigheid dat verdachte in de onderhavige hoofdzaak (16/600638-11) tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden en een werkstraf voor de duur van 60 uur wordt veroordeeld, zal de rechtbank verdachte in de gelegenheid stellen een werkstraf te verrichten in plaats van de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. Door de werkstraf goed te verrichten kan verdachte bewijzen dat het hem ernst is met het voornemen zijn leven in positieve zin te wijzigen.

10 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14g, 22c, 22d, 57, 310, 312, 350 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van hetgeen onder 3 primair is ten laste gelegd:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: diefstal gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad de vlucht mogelijk te maken;

Feit 2, feit 3 subsidiair, feit 4:

telkens, opzettelijk en wederrechtelijk enige goed dat aan een ander toebehoort, beschadigen of vernielen

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 60 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten de IPod, type Nano, kleur zwart;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 9 februari 2011 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/600324-10 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken;

- bepaalt dat deze ten uitvoer te leggen gevangenisstraf zal worden vervangen door een werkstraf voor de duur van 28 uur;

- beveelt dat indien verdachte deze werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 2 weken;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 994,44, waarvan € 844,44 ter zake van materiële schade en € 150,- ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], € 994,44 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 19 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Dit vonnis is gewezen door mr. N.E.M. Kranenbroek, voorzitter, mr. J. Ebbens en mr. P. Wagenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van D.G.W. van de Haar-Kleijer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 16 november 2011.