Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU5315

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
22-11-2011
Datum publicatie
22-11-2011
Zaaknummer
16-710942-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft samen met twee anderen een persoon afgeperst, omdat de vriendin van een van hen zou zijn vreemd gegaan met die persoon. Ze zijn gedrieën naar de woning van het slachtoffer gegaan en hebben hem aldaar bedreigd, waarna het slachtoffer geld heeft afgegeven. Tevens hebben zij het slachtoffer nog een schuldbekentenis laten tekenen met het doel hem nog meer geld afhandig te maken. De rechtbank houdt er bij de strafoplegging, ten nadele van verdachte, rekening mee dat verdachte zijn aandeel in voornoemde feiten, de afpersing en de poging daartoe, groot is geweest. Ten gunste van verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat, hoewel er geen sprake is van eendaadse samenloop zoals beschreven in artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht, de feiten nauw met elkaar samenhangen. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/710942-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 22 november 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1986] te [geboorteplaats] (China)

thans gedetineerd te PI Nieuwegein

raadsman mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 8 november 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (16/600460-11) en [medeverdachte 2] (16/600471-11).

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 26 april 2011 te Utrecht samen met anderen [aangever 1] heeft afgeperst voor een bedrag van € 1.000,- en/of met (bedreiging met) geweld voormeld geldbedrag van die [aangever 1] heeft gestolen;

feit 2: in de periode van 26 april tot en met 3 mei 2011 te Utrecht samen met anderen heeft geprobeerd die [aangever 1] af te persen voor een bedrag van € 18.888,-.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de verklaringen die door aangever [aangever 1] zijn afgelegd, de schriftelijke schuldbekentenis, de verklaring van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] en de verklaring van zowel verdachte als de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. De officier van justitie ziet geen reden om aan de verklaring van aangever te twijfelen.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de ten laste gelegde feiten en voert daartoe het volgende aan.

Ten eerste is aangever de enige die heeft verklaard over de vermeende afpersing. Hiervan zijn geen directe getuigen. Verdachte en de medeverdachten hebben een andere lezing van hetgeen op 26 april 2011 is gebeurd. De verklaringen van aangever zijn bovendien niet betrouwbaar. Aangever heeft, met name ten aanzien van de schuldbekentenis en de hoogte van het bedrag, niet consistent verklaard.

Ten tweede dient de rechtbank terughoudend om te gaan met de verklaringen van de getuigen. Deze verklaringen zijn voornamelijk de auditu.

Ten derde kunnen de vertaalde sms-berichten en tapgesprekken niet als bewijs dienen, nu onduidelijk is wat de juiste vertaling hiervan is.

Tot slot kunnen de gebeurtenissen van 2 mei 2011 niet bijdragen aan het bewijs van hetgeen zou zijn gebeurd op 26 april 2011.

Alles aldus de verdediging.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

Aangever [aangever 1] heeft verklaard dat op 26 april 2011 een aantal personen bij zijn woning te Utrecht heeft aangebeld. Toen [aangever 1] zijn deur opende kwamen er drie mannen zijn woning binnen. Zij maakten aanstalten om [aangever 1] te slaan. Man 1 (hierna: [medeverdachte 1]) vroeg [aangever 1] of hij met zijn vrouw had geslapen. Man 3 (hierna: [verdachte]) zei daarop tegen [aangever 1] dat hij van de Chinese Maffia was en man 2 (hierna: [medeverdachte 2]) zei dat hij hem in elkaar zou slaan. [medeverdachte 2] pakte [aangever 1] vervolgens vast en zei hem dat ze geld van hem wilden. [medeverdachte 1] pakte daarop een Chinees zwaard, haalde die uit de koker, richtte dit zwaard op [aangever 1] en hield de punt van het zwaard voor [aangever 1] zijn gezicht. [medeverdachte 2] pakte een nagelvijl, hield die vlak voor het gezicht van [aangever 1] en zei dat hij geld wilde zien. [aangever 1] gaf hen daarop € 1.000,-. [verdachte] stelde vervolgens een schuldbekentenis van € 18.888,- op en liet die door [aangever 1] overschrijven en ondertekenen. De drie mannen zeiden daarna tegen [aangever 1] dat hij voornoemd bedrag binnen een week moest betalen en dat ze hem anders zouden doodschieten. [medeverdachte 2] zei daarop tegen [aangever 1]: ‘je mag de politie er niet bij halen’. [medeverdachte 1] gaf [aangever 1] daarop een telefoonnummer dat hij moest bellen als hij het geldbedrag bij elkaar had. [aangever 1] heeft uiteindelijk de politie ingeschakeld, waarna twee van de drie mannen op 3 mei 2011 zijn aangehouden.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij op 26 april 2011 bij [aangever 1] in diens woning is geweest en dat hij daar een siermes in zijn handen heeft gehad. Hij heeft voorts verklaard dat zij met zijn drieën waren en dat zij [aangever 1] hebben gevraagd waarom hij, [aangever 1], de vrouw van [medeverdachte 1] had geslagen.

[medeverdachte 2] heeft eveneens verklaard dat hij samen met twee anderen op 26 april 2011 in een woning te Utrecht is geweest, omdat de vriendin van [verdachte] daar zou zijn. Hij heeft voorts verklaard dat hij daar een nagelknipper in zijn handen heeft gehad.

Ook [verdachte] heeft verklaard dat hij op voornoemde datum met twee anderen bij [aangever 1] in de woning is geweest. Hij was daar samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. [verdachte] heeft voorts verklaard dat hij aangever een aantal vragen heeft gesteld over zijn partner. [verdachte] heeft hierover tegen zijn partner [getuige 3] gezegd dat hij erachter was gekomen dat zij, [getuige 3], was vreemd gegaan met [aangever 1], dat hij hem vervolgens heeft opgezocht en dat [aangever 1] hem daarop € 1.000,- heeft gegeven.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met twee anderen [aangever 1] heeft afgeperst voor € 1.000,- en heeft geprobeerd hem tevens af te persen voor een bedrag van € 18.888,-. De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat er sprake was van diefstal met (bedreiging met) geweld van voornoemde € 1.000,-. [aangever 1] heeft het geld immers onder druk afgegeven, het is hem niet afgenomen in de zin van de artikelen 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Aanvullende bewijsoverweging

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaring van aangever niet betrouwbaar is, omdat hij niet consequent heeft verklaard. Voorts zou aangever in zijn verklaring het gebeurde hebben overdreven, omdat hij wilde dat de politie zijn verklaring serieus zou nemen.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe dat aangever op ondergeschikte punten weliswaar inconsistent heeft verklaard, maar dat dit niet af doet aan de bewijswaarde van zijn verklaringen. Te meer nu verdachte en de medeverdachten zelf ook hebben verklaard dat zij, vanwege een incident met een vrouw, in de woning van aangever zijn geweest. Voorts hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bevestigd dat zij respectievelijk een sierzwaard en een nagelvijl in hun handen hebben gehad. De verklaring van aangever wordt bovendien ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 3], aan wier verklaring de rechtbank evenmin twijfelt.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 26 april 2011 te Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [aangever 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van ongeveer EUR 1000,-, toebehorende aan voornoemde [aangever 1], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en zijn mededaders

- naar het huis van die [aangever 1] zijn gegaan en dat huis zijn binnengegaan en

- aanstalten hebben gemaakt die [aangever 1] te slaan, en

- (daarbij) tegen die [aangever 1] hebben gezegd hem te zullen slaan en

- die [aangever 1] hebben vastgepakt en tegen die [aangever 1] hebben gezegd dat er betaald moest worden voor het einde van de week omdat hij met de vriendin van een van die drie mannen had geslapen en hen moest bellen op een aan hem gegeven telefoonnummer, en

- dat één van hen van de Chinese Maffia was en dat zij hem zouden doodschieten als hij het bedrag niet zou betalen, en

- (daarbij) een (chinees) zwaard op die [aangever 1] hebben gericht en voor hem hebben gehouden en een nagelvijl voor zijn gezicht hebben gehouden;

2.

in de periode van 26 april 2011 tot en met 03 mei 2011 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [aangever 1] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag van ongeveer EUR 18.888,-, toebehorende aan voornoemde [aangever 1], tezamen en in vereniging met anderen als volgt heeft gehandeld: zijnde en hebbende hij, verdachte, en (één of meer van) zijn mededader(s)

- naar het huis van die [aangever 1] gegaan en dat huis binnengegaan en

- aanstalten hebben gemaakt die [aangever 1] te slaan, en

- (daarbij) tegen die [aangever 1] gezegd hem te zullen slaan en

- die [aangever 1] vastgepakt en tegen die [aangever 1] gezegd dat er betaald moest worden voor het einde van de week omdat hij met de vriendin van een van die drie mannen had geslapen en hen moest bellen op een aan hem gegeven telefoonnummer, en

- dat één van hen van de Chinese Maffia was en dat zij hem zouden doodschieten als hij het bedrag niet zou betalen, en

- (daarbij) een (chinees) zwaard, op die [aangever 1] hebben gericht en voor hem hebben gehouden en een nagelvijl voor zijn gezicht hebben gehouden en

- (vervolgens) die [aangever 1] een schuldbekentenis hebben laten tekenen voor een geldbedrag van (ongeveer) EUR 18.888,- en

- (vervolgens) tegen die [aangever 1] hebben gezegd: "je mag de politie niet bellen".

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 1: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Ten aanzien van feit 2: poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de eventueel aan verdachte op te leggen gevangenisstraf gelijk dient te zijn aan het reeds door verdachte ondergane voorarrest. De verdediging heeft voorts benadrukt dat naast een gevangenisstraf ook andere strafmodaliteiten een optie zijn.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft samen met twee anderen een persoon afgeperst, omdat de vriendin van een van hen zou zijn vreemd gegaan met die persoon. Ze zijn gedrieën naar de woning van het slachtoffer gegaan en hebben hem aldaar bedreigd, waarna het slachtoffer geld heeft afgegeven. Tevens hebben zij het slachtoffer nog een schuldbekentenis laten tekenen met het doel hem nog meer geld afhandig te maken. Verdachte is er aldus niet voor teruggeschrokken geweld te gebruiken en te dreigen met geweld. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan een ernstig misdrijf. Het spreekt voor zich dat voornoemd feit voor het slachtoffer, die door verdachte is afgeperst in zijn eigen woning, een traumatische ervaring moet zijn geweest. Verdachte heeft hierbij kennelijk in het geheel niet stilgestaan en zijn eigen hebzucht vooropgesteld.

De rechtbank houdt er bij de strafoplegging, ten nadele van verdachte, rekening mee dat verdachte zijn aandeel in voornoemde feiten, de afpersing en de poging daartoe, groot is geweest. Ten gunste van verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat, hoewel er geen sprake is van eendaadse samenloop zoals beschreven in artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht, de feiten nauw met elkaar samenhangen.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank verder rekening gehouden met een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 20 juli 2011, waaruit blijkt dat verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend en noodzakelijk en ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

7. De benadeelde partij

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [aangever 1]

-hoofdelijk- wordt toegewezen en dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [aangever 1] vordert een schadevergoeding van € 2.000,- (waarvan € 1.000,- ter zake van materiële schade (feit1) en € 1.000,- ter zake van immateriële schade ( de feiten 1 en 2)) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten en acht verdachte -en de mededaders- aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering -hoofdelijk- zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank, naast het vermeerderen van de toegekende vordering met de wettelijke rente vanaf 26 april 2011, tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 45, 57, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 2: poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 1] van € 2.000,-, waarvan € 1.000,- ter zake van materiële schade en € 1.000,- ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 26 april 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 1], € 2.000,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 30 dagen hechtenis, te vermeerderen met de wettelijke rente berekend vanaf de 26 april 2011, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Bender, voorzitter, mr. J. Ebbens en mr. P. Wagenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Ven-de Vries, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 22 november 2011.