Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU5162

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-06-2011
Datum publicatie
21-11-2011
Zaaknummer
11/1851
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vovo. Weigering evenementenvergunning voor het verzorgen van helikopterrondvluchten. Verzoek toegewezen in die zin dat het besluit om de vergunning te weigeren wordt geschorst. Verweerder wordt niet gevolgd in zijn uitleg van het begrip 'voor publiek toegankelijk' Onder ‘voor publiek toegankelijk’ dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter te worden verstaan een activiteit die in beginsel voor eenieder toegankelijk is, eventueel gereguleerd door bijvoorbeeld kaartverkoop. ‘Voor publiek toegankelijk’ suggereert openbaarheid op enigerlei wijze voor (delen van) de bevolking ter onderscheiding van voor het algemene publiek juist niet-toegankelijke – en daarmee in beginsel besloten – activiteiten, welk onderscheid ook in artikel 2:24 van de APV is onderkend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 11/1851

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

HeliCentre B.V. en Anti Gravity B.V., beide gevestigd te Breda, verzoeksters,

gemachtigde: mr. G.A.M. van de Wouw,

en

de burgermeester van de gemeente Houten, verweerder,

gemachtigden: mr. A.R.E. Maris en M.E. Schreurs.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 30 mei 2011 heeft verweerder de aanvraag van verzoeksters om een evenementenvergunning voor het maken van helikopterrondvluchten op 8 juni 2011 en 17 september 2011 afgewezen.

Verzoeksters hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om onder de overweging dat de aangevraagde activiteiten niet evenementenvergunningplichtig zijn, dan wel voor vergunningverlening in aanmerking komen, de bestreden besluiten te schorsen. Daarnaast hebben verzoeksters de voorzieningenrechter verzocht om verweerder voor zover nodig op te dragen zodanige besluiten te nemen en/of handelingen te verrichten, dat de rondvluchten op 8 juni en 17 september 2011 doorgang kunnen vinden, dan wel een andere door de voorzieningenrechter passend geachte voorlopige voorziening te treffen en/of opdracht aan verweerder te geven.

1.2 Bij besluit van 3 mei 2011 heeft verweerder aan verzoekster Anti Gravity B.V. een preventieve last onder dwangsom opgelegd in verband met aangekondigde door haar te verzorgen rondvluchten boven de gemeente Houten op 7 mei 2011. Verzoekster Anti Gravity B.V. heeft hiertegen bezwaar gemaakt en, voor zover voor de onder 1.1 genoemde verzoeken nodig, verzocht om een voorlopige voorziening.

1.3 Het verzoek is behandeld ter zitting van 6 juni 2011, waar namens verzoeksters zijn verschenen [directeur] (directeur/eigenaar van beide vennootschappen) en [medewerker], bijgestaan door mr. Van de Wouw, voornoemd. Namens verweerder zijn verschenen de gemachtigden Maris en Schreurs, voornoemd, en mr. L. Baars en D. Verlinde (medewerkers van de gemeente Houten).

1.4 Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de voorzieningenrechter mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

2.1 De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, in die zin dat het besluit van verweerder van 30 mei 2011, voor zover het betrekking heeft op de geweigerde evenementenvergunning voor 8 juni 2011, wordt geschorst tot verweerder een beslissing op bezwaar heeft genomen.

Daarnaast bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeksters het door hen betaalde griffierecht van € 302,- vergoedt.

Ten slotte veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder in de proceskosten van verzoeksters tot een bedrag van € 916,86,- te betalen aan verzoeksters.

Overwegingen

3.1 Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.2 Ter zitting hebben verzoeksters desgevraagd aangegeven dat voor zover het besluit van 30 mei 2011 ziet op de weigering om een vergunning te verlenen voor de activiteit van 17 september 2011 er vooralsnog geen spoedeisend belang aanwezig is, omdat voor die tijd een beslissing op bezwaar valt te verwachten. Verzoeksters hebben daarom het verzoek ten aanzien van de weigering tot het verlenen van een evenementenvergunning voor 17 september 2011 ingetrokken.

3.3 Ter zitting hebben verzoeksters verder aangegeven dat zij het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van 3 mei hebben ingesteld, omdat zij een nieuwe preventieve last onder dwangsom verwachtten voor de geplande activiteiten op 8 juni 2011 en omdat zij aan dat besluit een algemenere strekking toedichten dan alleen gericht op de activiteit van 7 mei 2011. Verweerder heeft aangegeven niet van plan te zijn om een preventieve last onder dwangsom op te leggen voor de activiteit op 8 juni 2011, aangezien hij geen aanleiding heeft om te vermoeden dat verzoeksters zonder vergunning de activiteit zullen uitvoeren. Verzoeksters hebben vervolgens het verzoek met betrekking tot het besluit van 3 mei 2011 ingetrokken.

3.4 Gelet op het voorgaande resteert het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van 30 mei 2011, voor zover dat ziet op de weigering van een evenementenvergunning voor de activiteit op 8 juni 2011. Ten aanzien van dat deel van het besluit staat het spoedeisend belang niet ter discussie.

3.5 Voor het treffen van een voorlopige voorziening in dit stadium (de bezwaarfase) is in beginsel alleen dan aanleiding wanneer het bestreden besluit zodanig gebrekkig is dat het in de heroverweging naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig in stand zal kunnen blijven. Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in een eventuele bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en bindt dit de rechtbank niet bij haar beslissing in die procedure.

3.6 Verzoeksters zijn voornemens om op 8 juni 2011 vanaf een terrein nabij Koedijk 1 in Houten helikopterrondvluchten te verzorgen. Verzoekster Anti Gravity B.V. heeft daartoe een ontheffing in de zin van artikel 8a.51 van de wet Luchtvaart verkregen van Gedeputeerde Staten van Utrecht, voor maximaal 45 rondvluchten, zijnde maximaal 90 vliegbewegingen tussen 12.00 uur tot uiterlijk 18.00 uur.

3.7 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de betreffende activiteit een evenement is zoals bedoeld in artikel 2:24 van de algemene plaatselijke verordening van de gemeente Houten (APV). Artikel 2:25, eerste lid, van de APV verbiedt het organiseren van evenementen zonder vergunning van verweerder. Verweerder heeft de vergunning geweigerd omdat – samengevat – door de overlast die wordt veroorzaakt door de geplande helikoptervluchten en de daarbij behorende landingen en opstijgingen de openbare orde in het geding kan komen en er onevenredig veel beslag op de gemeentelijke diensten en hulpdiensten zal worden gelegd. Deze gronden worden in respectievelijk artikel 1:8, onder a, en artikel 2:25 tweede lid, onder a, van de APV, genoemd als weigeringsgrond voor een vergunning.

3.8 Artikel 2:24 van de APV luidt als volgt:

“Artikel 2:24 Begripsbepaling

1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting

van vermaak, met uitzondering van:

(…)

2. Onder evenement wordt mede verstaan:

(…)

e. een besloten feest op of aan de weg of met uitstraling naar de openbare ruimte.”

3.9 Verzoeksters hebben zich primair op het standpunt gesteld dat de voor 8 juni 2011 geplande activiteit geen evenement is in de zin van artikel 2:24 van de APV. Subsidiair hebben zij zich met verschillende argumenten op het standpunt gesteld dat de activiteit redelijkerwijs vergunbaar is.

Volgens verzoeksters is geen sprake van een evenement omdat de activiteit niet voor publiek toegankelijk is. Verzoeksters verzorgen de helikopterrondvluchten op 8 juni 2011 in opdracht van een in Houten gevestigde ondernemer die op 8 juni 2011 een informatiebijeenkomst verzorgd voor een product van zijn bedrijf. Voor die bijeenkomst zijn zakelijke relaties van het bedrijf uitgenodigd. Onderdeel van de bijeenkomst is de mogelijkheid voor de genodigden om een door verzoeksters verzorgde helikopterrondvlucht te maken. Naar de mening van verzoeksters is sprake van een besloten bijeenkomst.

3.10 Ter onderbouwing van zijn standpunt dat sprake is van een evenement in de zin van artikel 2:24, eerste lid, van de APV, heeft verweerder aangevoerd dat de activiteiten voor vermaak bestemd zijn en dat er natuurlijke personen bij de bijeenkomst aanwezig zullen zijn, waardoor de bijeenkomst als voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak dient te worden aangemerkt. Verder heeft verweerder ter zitting gesteld dat in de toelichting op de model-APV van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) staat dat sprake is van een besloten bijeenkomst indien een duurzaam onderling verband bestaat tussen het gezelschap. Als voorbeelden heeft verweerder genoemd een bijeenkomst in familieverband of een groep vrienden waar iedereen elkaar kent. Bij zakelijke relaties is volgens verweerder geen sprake van een duurzaam onderling verband, en wordt dus niet voldaan aan de definitie van de term besloten als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder e van de APV.

3.11 Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningrechter is het enkele feit dat de activiteit bestemd is voor natuurlijke personen onvoldoende om te concluderen dat de activiteit om die reden dus voor het publiek toegankelijk is. Verweerder heeft niet bestreden dat de activiteiten bestemd zijn voor genodigde zakelijke relaties van een bedrijf, zodat de voorzieningenrechter daar bij de beoordeling vanuit zal gaan. Onder ‘voor publiek toegankelijk’ dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter te worden verstaan een activiteit die in beginsel voor eenieder toegankelijk is, eventueel gereguleerd door bijvoorbeeld kaartverkoop. ‘Voor publiek toegankelijk’ suggereert openbaarheid op enigerlei wijze voor (delen van) de bevolking ter onderscheiding van voor het algemene publiek juist niet-toegankelijke – en daarmee in beginsel besloten – activiteiten, welk onderscheid ook in artikel 2:24 van de APV is onderkend. In het tweede lid, aanhef en onder e van dat artikel, is immers bepaald dat - kennelijk als uitzondering op de hoofdregel dat alleen voor publiek toegankelijke activiteiten als evenement moeten worden aangemerkt - een besloten feest op of aan de weg of met uitstraling naar de openbare ruimte, een evenement is.

In het onderhavige geval zijn de activiteiten alleen voor relaties van het bedrijf op uitnodiging toegankelijk en daarmee niet voor het publiek. De activiteit voldoet naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook niet aan de in het eerste lid van artikel 2:24 van de APV gegeven omschrijving van het begrip evenement.

3.12 Verweerder heeft ter zitting desgevraagd herhaaldelijk gesteld dat de activiteit niet op grond van artikel 2:24, tweede lid, onder e, als evenement kan worden aangemerkt. Daarbij heeft verweerder betoogd dat de activiteit niet voldoet aan de hiervoor onder 3.10 weergegeven invulling van de term ‘besloten’ in de toelichting op de model-APV van de VNG. Daarnaast heeft verweerder gesteld dat ook geen sprake is van een feest.

3.13 Gelet op voornoemde door verweerder voorgestane uitleg van lid 2, onder e, van artikel 2:24 van de APV concludeert de voorzieningenrechter thans dat, nu geen sprake is van een voor het publiek toegankelijke verrichting en volgens verweerder ook niet van een besloten feest met uitstraling naar de openbare ruimte, er op dit moment geen grond is om aan te nemen dat een evenementenvergunning is vereist voor de op 8 juni 2011 geplande activiteit.

De voorzieningrechter geeft verweerder in overweging om bij de heroverweging naar aanleiding van het door verzoeksters gemaakte bezwaar, nadere aandacht te besteden aan de vraag of artikel 2:24, tweede lid, onder e, van de APV van toepassing is.

3.14 De voorzieningenrechter concludeert dat het besluit van 30 mei 2011 bij de huidige door verweerder gegeven uitleg van artikel 2:24 eerste en tweede lid, aanhef en onder e, van de APV niet in stand zal kunnen blijven voor zover het de weigering van de evenementenvergunning voor de activiteiten op 8 juni 2011 betreft. Een dergelijke vergunning kan in dit stadium immers gelet op het bovenstaande niet worden verlangd. Daardoor en vanwege de evidente belangen van verzoeksters bij doorgang van de activiteiten op 8 juni 2011, is er aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Door het besluit tot weigering van de evenementenvergunning voor zover het ziet op de activiteiten op 8 juni 2011 te schorsen, staat het ontbreken van een dergelijke vergunning thans niet aan die activiteiten in de weg.

Voor de door verzoeksters verzochte verder strekkende voorziening ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding en ook – bij ontbreken van te dien aanzien voorliggende besluiten of standpunten van verweerder – geen mogelijkheden.

3.15 Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,- (1 punt voor het verzoek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 437,-) als kosten van verleende rechtsbijstand en € 42,86 voor de vanwege verzoeksters gemaakte reiskosten.

3.16 De voorzieningenrechter ziet verder aanleiding om te bepalen dat verweerder aan verzoeksters het betaalde griffierecht ten bedrage van € 302,- vergoedt.

De mondelinge uitspraak is gewezen door mr. J.M. Willems, op 6 juni 2011.

de griffier: de rechter:

mr. A.R. Scharrenborg mr. J.M. Willems

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.