Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU4928

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
29-08-2011
Datum publicatie
17-11-2011
Zaaknummer
16-610164-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag van alle rechtsvervolging ter zake poging tot zware mishandeling. Beroep op noodweer gehonoreerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/610164-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 augustus 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1955] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 15 augustus 2011, waarbij de officier van justitie en de verdachte hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair:

- op 24 april 2010 te Baarn geprobeerd heeft [aangever 1] zwaar te mishandelen.

Subsidiair

- op 24 april 2010 te Baarn [aangever 1] heeft mishandeld.

3. De voorvragen

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd.

4.2. Het standpunt van de verdachte

De verdachte is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde kan komen. De verdachte voert daartoe aan dat hij aangever niet heeft geslagen en onschuldig is.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. Op basis van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feitelijke gang van zaken vast.

In de ochtend van 24 april 2010 omstreeks 8:45 uur te Utrecht kwam [aangever 1] verdachte tegen in de straat waarin verdachte woont. Verdachte heeft uit zijn bestelbus een staaf gepakt. Verdachte heeft [aangever 1] met deze staaf een klap gegeven. [aangever 1] heeft letsel opgelopen tijdens dit gevecht. Uit de geneeskundige verklaring betreffende de verwondingen van [aangever 1] is gebleken dat [aangever 1] drie hoofdwonden heeft opgelopen. De foto’s van het letsel komen overeen met de beschrijvingen van de verwondingen die passen bij het slaan op het hoofd met een metalen staaf. Verdachte heeft verklaard dat de staaf die hij uit zijn bestelbus heeft gepakt inderdaad een metalen staaf was.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 24 april 2010 te Baarn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen met kracht met een metalen staaf tegen het hoofd van die [aangever 1] heeft geslagen zijnde uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid van het feit

5.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt dat, gelet op de aard van het letsel, blijkt dat aangever meerdere malen met een hard voorwerp op het hoofd is geslagen. Zij stelt dat verdachte geen beroep op noodweer, dan wel noodweerexces toekomt, nu niet uit het dossier valt af te leiden dat er sprake was van een objectiveerbare aanval. De officier van justitie stelt dat wellicht bij verdachte het idee is ontstaan dat hij zou worden aangevallen, maar niet duidelijk is geworden of hij een aanval ook echt kon verwachten. Er is volgens de officier van justitie niet vast komen te staan dat er sprake was van een (dreigende) wederrechtelijke aanranding. Zij wijst erop, dat verdachte zelf een metalen staaf heeft gepakt en daarmee op aangever heeft ingeslagen. Zij acht het onaannemelijk dat de verwondingen op het hoofd van aangever op andere wijze teweeg zijn gebracht. De officier van justitie stelt dat - gezien de plekken waar aangever is geraakt - het feit gekwalificeerd moet worden als poging tot zware mishandeling.

5.2. Het standpunt van de verdachte

Verdachte heeft een beroep gedaan op noodweer. Verdachte heeft aangevoerd dat hij de ochtend van de vechtpartij bijna werd aangereden door [aangever 1]. Verdachte stelt dat [aangever 1] naar de woning van verdachte is gekomen om ruzie te maken. Verdachte voelde zich bedreigd toen [aangever 1] op hem af kwam lopen met de mededeling dat hij wilde vechten. Verdachte geeft aan dat er weinig tijd zat tussen het moment dat [aangever 1] kwam aanrijden en het moment dat hij bijna voor verdachte stond. Tevens stelt verdachte dat hij niet weg kon lopen, omdat hij door de poging tot aanrijding tussen de deuren van zijn bus in was gaan staan. Achter zijn bus stond op dat moment een auto geparkeerd.

5.3. Het oordeel van de rechtbank

Het feit is niet strafbaar, omdat is gebleken van een omstandigheid die de strafbaarheid van het feit uitsluit.

De verdachte heeft een beroep gedaan op noodweer. Daarmee ligt de vraag ter beoordeling of de voorwaarden voor de aanvaarding voor het beroep op noodweer zijn vervuld. Daartoe is vereist dat een feit wordt begaan, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

Voor de vraag of er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, acht de rechtbank het volgende van belang. In de nacht van 23 op 24 april 2010 was [aangever 1] op een verjaardagsfeest, alwaar hij een grote hoeveelheid alcohol heeft gedronken. Aangever is rond 7.00 uur van de feestlocatie weggereden in zijn auto. Op dit verjaardagsfeest heeft [aangever 1] meermaals aangegeven, dat hij verdachte de volgende dag wilde opzoeken. In de straat van verdachte aangekomen, reed [aangever 1] met een hoge snelheid en maakte hij een scherpe beweging naar rechts, waardoor hij recht op verdachte afstuurde, die op dat moment op straat bij zijn bestelbus stond. Indien verdachte op dat moment niet achteruit gestapt was, had [aangever 1] hem aangereden. Vervolgens parkeerde [aangever 1] zijn auto midden op straat en kwam op verdachte aflopen en riep: “We gaan matten”. Verdachte bemerkte dat [aangever 1] hem wilde slaan en dat de situatie zou escaleren. Verdachte zag geen kans om voor [aangever 1] weg te lopen. [aangever 1] en verdachte zijn met elkaar in gevecht geraakt. Uiteindelijk is verdachte bewusteloos op de grond achtergelaten door [aangever 1], nadat deze hem - toen verdachte reeds op de grond lag - nog enkele malen tegen het hoofd heeft getrapt. Verdachte heeft zwaar lichamelijk letsel opgelopen waarvan hij nog lange tijd de gevolgen ondervindt.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte over de periode voorafgaand aan de vechtpartij geloofwaardig. De verklaring van verdachte vindt steun in de verklaringen van getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], waaruit blijkt dat verdachte onder invloed was van alcohol toen hij die ochtend op verdachte af kwam rijden, niet had geslapen en de avond voorafgaande aan het incident al had gesproken over een bezoek aan verdachte. De rechtbank acht op grond van de hiervoor weergegeven feiten aannemelijk geworden dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte, waaronder overigens ook een onmiddellijk dreigende aanranding moet worden gerekend. Aannemelijk is geworden dat verdachte zich voorafgaand aan en tijdens de vechtpartij in ernstige mate bedreigd heeft gevoeld. Voor verdachte ontstond een situatie waarin het noodzakelijk was zichzelf te verdedigen tegen aangever.

Vervolgens moet worden beoordeeld of tegen deze aanranding de gevoerde verdediging noodzakelijk en geboden was. Daarbij is van belang of moet worden gezegd dat de gevoerde verdediging niet meer in redelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding (de zogenaamde proportionaliteitseis). Verdachte heeft verklaard dat hij een voorwerp heeft moeten pakken om zichzelf te beschermen. Het voorwerp dat voorhanden was, was een metalen staaf in de bus van verdachte. Verdachte heeft verder verklaard dat hij door de aanval snel moest handelen en vreesde om helemaal in elkaar geslagen te worden door aangever. De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden niet kan worden gezegd dat het slaan met een voorhanden zijnd voorwerp, in casu een metalen staaf, niet in redelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding.

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, aannemelijk geworden dat het feit is begaan, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep van verdachte op noodweer slaagt. De rechtbank acht het bewezenverklaarde niet strafbaar. Verdachte dient ter zake daarvan dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

6. De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever 1] vordert schadevergoeding van € 1.534,00 voor het tenlastegelegde.

Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging voor het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

7. De vordering tot tenuitvoerlegging

7.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. De officier van justitie heeft gevorderd dat een deel van de - bij vonnis van de rechtbank d.d. 29 oktober 2009 opgelegde - voorwaardelijke straf ten uitvoer zal worden gelegd. De officier van justitie eist de tenuitvoerlegging van twee maanden gevangenisstraf, omgezet naar 120 uren werkstraf. De officier van justitie acht een verlenging van de proeftijd met een jaar op zijn plaats ten aanzien van de resterende voorwaardelijke straf.

7.2. Het oordeel van de rechtbank

Nu verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging, dient de vordering tot tenuitvoerlegging te worden afgewezen.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [aangever 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij [aangever 1] in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil;

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Maanen, voorzitter, mr. R.P. den Otter en mr. C.S.K. Fung Fen Chung, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. van den Brink, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 29 augustus 2011.