Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU4875

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
09-11-2011
Datum publicatie
17-11-2011
Zaaknummer
297248 - HA ZA 10-2518
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen wettelijke handelsrente (art. 6:119a BW)verschuldigd over contractuele boete (zie 4.17).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/9

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handel en kanton

Handelskamer

zaaknummer / rolnummer: 297248 / HA ZA 10-2518

Vonnis van 9 november 2011

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

VEILIGHEIDSREGIO UTRECHT,

zetelend te Utrecht,

eiseres,

advocaat mr. J.C. Verlinden-Bijlsma te Rotterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

SIEMENS NEDERLAND N.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. S.E.A. Davina te Amsterdam.

Partijen zullen hierna VRU en Siemens genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 16 februari 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 26 mei 2011

- de akte na comparitie van VRU, met productie

- de akte na comparitie van Siemens, met producties

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3. Voor zover partijen in hun opmerkingen over het proces-verbaal van comparitie (bij hun aktes na comparitie) nieuwe stellingen hebben ingenomen, zijn deze niet relevant voor de beslissingen die in dit vonnis worden genomen.

2. De feiten

2.1. Partijen hebben – na openbare (Europese) aanbesteding door VRU en gunning aan Siemens – op 22 mei 2007 een overeenkomst met elkaar gesloten, krachtens welke Siemens zich verplichtte om namens en ten behoeve van VRU een nieuw openbaar brandmeldsysteem (ook wel aangeduid als OMS) aan te bieden aan bedrijven, instellingen en particulieren in de regio Eemland, en om dit vervolgens te installeren en te exploiteren voor een periode van minimaal 6 jaar (hierna: de overeenkomst).

2.2. Artikel 3.1 van de overeenkomst bepaalt:

“Gedurende de looptijd van deze Overeenkomst is Opdrachtnemer verplicht prestaties te leveren aan Opdrachtgever overeenkomstig de offerte-aanvraag van Opdrachtgever, kenmerk 01 BRW 06 (Bijlage 3) en overeenkomstig de voorwaarden en bepalingen van deze Overeenkomst, inclusief Bijlagen.”

Artikelen 11.1 en 11.2:

“Indien Opdrachtnemer, na schriftelijk in gebreke te zijn gesteld, en na verloop van de daarin gestelde termijn, toerekenbaar tekort komt in de nakoming van zijn uit deze Overeenkomst voortvloeiende verplichtingen [ ...] zal deze Overeenkomst van rechtswege zonder rechterlijke tussenkomst ontbonden zijn, tenzij Opdrachtgever alsnog uitvoering van deze overeenkomst verlangt.”

“Indien op grond van lid 1 van dit artikel nakoming van deze Overeenkomst wordt verlangd, zal Opdrachtnemer ten behoeve van Opdrachtgever na afloop van de in lid 1 van dit artikel genoemde termijn, voor elke sedertdien verstreken dag tot aan de dag van nakoming, een onmiddellijk opeisbare boete vebeuren ad € 2.250,-- (zegge: tweeëntwintighonderdvijftig euro), onverminderd het recht op verdere schadevergoeding en vergoeding van kosten en verhaal.”

Artikel 15.1:

“Voor zover de Overeenkomst, de Algemene Voorwaarden van de Gemeente Utrecht voor overeenkomsten tot het leveren van zaken/goederen en/of diensten 2003, en/of de overige Bijlagen met elkaar in tegenspraak zijn, geldt bij de interpretatie van de Overeenkomst de volgende rangorde, waarbij de inhoud van het hoger genoemde document prevaleert boven het lager genoemde:

Bijlage 0: de Overeenkomst

Bijlage 1: het verslag van het afstemmings- en verificatiegesprek d.d. 11 januari 2007

Bijlage 2: de nota van inlichtingen d.d. 17 november 2006

Bijlage 3: de offerte-aanvraag met kenmerk 01 BRW 06

Bijlage 4: de Algemene Voorwaarden van de Gemeente Utrecht voor overeenkomsten tot het leveren van zaken/goederen en/of diensten 2003

Bijlage 5: de offerte van Opdrachtnemer d.d. 11 december 2006

Bijlage 6: geheimhoudingsverklaring”

2.3. Paragraaf d-e-1 van de in artikel 15.1 van de overeenkomst bedoelde offerte-aanvraag (hierna: de offerteaanvraag) vermeldt:

“U realiseert het totale project binnen een termijn van 5 maanden vanaf het moment van ondertekening van de exploitatieovereenkomst”

Paragraaf d-e-2 vermeldt onder meer:

Het [door Siemens aan te leveren] plan van aanpak dient zoveel mogelijk te waarborgen dat […] Oplevering van het OMS systeem plaats vindt binnen de termijn zoals aangegeven bij eis d-e-1”

2.4. Het in artikel 15.1 van overeenkomst bedoelde verslag van het afstemmings- en verificatiegesprek d.d. 11 januari 2007 (hierna: het verificatieverslag) vermeldt onder meer:

“Vraag 8 Projectmanagement Eemland, pagina 2, begin van migratie in week 6, bestellen van lijnen in week 3, verschil in weken is 3, bestellen van lijnen duurt echter 8 weken. Dat is 5 weken tekort. Graag opheldering!

Antwoord: De maximale levertijd van de benodigde verbindingen is tussen 1 dag en maximaal 8 weken. De levertijd van de doormeld eenheden is de regel 6 weken. Momenteel beschikken we over voldoende startvoorraad.

Toelichting: Dhr. [X] licht toe dat in de praktijk een groot aantal abonnees in één dag over zullen kunnen. De planning die Siemens in haar offerte heeft opgenomen kan daarom absoluut als realistisch gezien worden. Dhr. [Y] geeft aan dat Siemens zich heeft geconformeerd aan eis d-e-1 en daarmee verklaard de opdracht binnen 5 maanden te zullen afronden.”

2.5. Artikel 24 lid 1 van de in artikel 15.1 van de overeenkomst bedoelde Algemene Voorwaarden van de Gemeente Utrecht voor overeenkomsten tot het leveren van zaken/goederen en/of diensten 2003 (hierna: de algemene voorwaarden) bepaalt:

“De gemeente Utrecht kan in de overeenkomst een boetebeding opnemen waarin onder meer is bedongen dat indien niet binnen de overeengekomen dan wel verlengde termijn de volledige verrichting van de prestaties is geaccepteerd die aan de overeenkomst beantwoordt, dan wel een andere prestatie ter voldoening is aangeboden en geaccepteerd, de wederpartij aan de gemeente Utrecht na verloop van een daartoe gestelde termijn, zonder rechterlijke tussenkomst, een boete verschuldigd is van een nader te bepalen percentage van de totale dan wel maximale prijs die met overeenkomst is gemoeid, minimaal € 2.250,-- vermeerderd met de omzetbelasting, voor elke dag dat de tekortkoming voortduurt, tot een maximum van 10% daarvan. Indien nakoming anders dan door overmacht blijvend onmogelijk is geworden, is de boete onmiddellijk in haar geheel verschuldigd.”

2.6. Op 17 december 2007 heeft VRU een e-mail gestuurd, onder meer aan Siemens, ter voorbereiding op een bespreking tussen partijen op 19 december 2007. Aan die e-mail was gehecht een intern memo van VRU, waarin met betrekking tot het gerezen probleem dat de planning van migratie van het nieuwe brandmeldingssysteem niet werd gehaald, als mogelijke oplossing werd vermeld:

“Met ingang van 1 februari (5 maanden na geaccepteerde doorlooptijd van het project) wordt Siemens ingebreke gesteld in het kader van artikel 11.2 van de Exploitatieovereenkomst. Boeteclausule in werking laten treden.”

2.7. Van de vervolgens op 19 december 2007 gehouden bespreking heeft Siemens een verslag opgesteld (hierna: het besprekingsverslag). Dit verslag vermeldt onder meer het volgende:

“Het is reëel bevonden om 01-09-2007 als start-datum voor het migratieproject vast te stellen. Volgens het contract is voor de migratie een termijn van 5 maanden genoemd. Hierdoor zou 01-02-2008 de vastgestelde einddatum moeten zijn en anders zou als maatregel artikel 11.1 gelden. Over de einddatum wordt overlegd.

De uiteindelijke afspraken zijn de volgende:

[…]

Alle verplicht aangesloten abonnees, huidige DM1, zullen 01-02-2008 + uiterlijk 2 weken later gemigreerd zijn naar de nieuwe infrastructuur en aangesloten zijn op het nieuwe OMS. Behoudens de probleemgevallen, die Siemens in de wekelijkse voorgang overleggen dient aan te geven of inmiddels al bij de VRU bekend zijn.

Alle verplichte abonnees, huidige DM2, zullen 01-03-2008 + uiterlijk 2 weken later gemigreerd zijn naar de nieuwe infrastructuur en aangesloten zijn op het nieuwe OMS. Behoudens de probleemgevallen, die Siemens in de wekelijkse voorgang overleggen dient aan te geven of inmiddels al bij de VRU bekend zijn. […]”

2.8. Bij brief van 18 februari 2008 heeft VRU Siemens gesommeerd om op 29 februari 2008 vóór 12.00 uur ten minste 95% van 350 abonnees die in de oude situatie een DM1-aansluiting hadden, te migreren naar het nieuwe brandmeldsysteem, en haar, voor het geval dat niet binnen deze termijn mocht worden nagekomen, in gebreke gesteld, onder aanzegging van de boetes als bedoeld in artikel 11.2 van de overeenkomst.

2.9. Bij brief van 29 februari 2008 aan VRU heeft Siemens medegedeeld niet binnen de gestelde termijn te hebben kunnen nakomen, en dat op dat moment 59 aansluitingen conform bestek waren gerealiseerd.

3. Het geschil

3.1. VRU vordert, na vermindering van eis, veroordeling van Siemens, bij bij voorraad uitvoerbaar vonnis, tot betaling van in hoofdsom € 596.250,00, vermeerderd met wettelijke handelsrente en proceskosten (inclusief nakosten).

3.2. VRU baseert deze vordering op de stelling dat Siemens niet binnen de overeengekomen – fatale – termijn doch eerst op 21 november 2008 aan haar verplichtingen onder de overeenkomst heeft voldaan (migratie van alle abonnees naar het nieuwe systeem), en om die reden op grond van artikel 11.2 van de overeenkomst boetes verschuldigd is tot het gevorderde bedrag.

3.3. Siemens voert de volgende verweren:

- de overeengekomen termijn ziet niet op de (vertraagde) migratie

- de overeengekomen termijn is geen “harde” termijn waarvoor – bij overschrijding – de boetes zouden gelden

- de overeengekomen termijn is geen fatale termijn

- de overeengekomen termijn is niet overschreden, omdat blijkens het besprekingsverslag de probleemgevallen daarvan waren uitgezonderd

- de vertraging is niet toerekenbaar aan Siemens

- de boete dient op grond van artikel 24 lid 1 van de algemene voorwaarden te worden gemaximeerd tot 10% van de opdrachtwaarde

- de boete dient te worden gematigd

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Verweer: de overeengekomen termijn ziet niet op de (vertraagde) migratie

4.1. Ter onderbouwing van haar verweer dat de gestelde termijn niet ziet op de migratie van abonnees van het oude naar het nieuwe brandmeldsysteem wijst Siemens erop dat de offerteaanvraag in paragraaf d-e-1 niet spreekt van “migratie” maar van “project” en dat overigens in de contractsdocumentatie het begrip “migratie” of een eenduidige beschrijving van het “project” niet voorkomt.

4.2. Het verweer faalt. De overeenkomst strekte ertoe dat Siemens de abonnees zou migreren van het oude naar het nieuwe (door Siemens te installeren) systeem. Tegen deze achtergrond is een alleszins aannemelijke uitleg van de overeenkomst dat het “project” (genoemd in paragraaf d-e-1 van de offerteaanvraag) mede – zelfs: met name – deze migratie inhield. Hiertegenover heeft Siemens geen andere concrete, laat staan aannemelijke uitleg van het begrip “project” gegeven. Dat het “project” mede en met name de migratie inhield vindt ook steun in de hiervoor in 2.4 aangehaalde passage uit het verificatieverslag. Daarin, met name in de laatste paragraaf, wordt immers een duidelijk verband gelegd tussen migratie (“groot aantal [die] ineens in één dag over zullen kunnen”) en de in paragraaf d-e-1 van de offerteaanvraag genoemde termijn.

4.3. Hierbij komt dat Siemens thans niet wordt aangesproken op overschrijding van de oorspronkelijke in de overeenkomst bedoelde termijn van vijf maanden na contractssluiting, maar de – blijkens het besprekingsverslag – nader overeengekomen termijn van vijf maanden en twee weken na 1 september 2007 (voor DM1-abonees), die VRU vervolgens nog eens eenzijdig met twee weken heeft verlengd. Dat die termijn op de overeengekomen migratie zag, blijkt ondubbelzinnig uit de bewoordingen van het verslag, waarin herhaaldelijk met zoveel woorden wordt gesproken over migratie. Daaruit blijkt ook dat deze termijn door het met zoveel woorden genoemde artikel 11.1 van de overeenkomst zou worden gesanctioneerd.

Verweer: de overeengekomen termijn is geen “harde” termijn waarvoor – bij overschrijding – de boete zou gelden

4.4. Aan dit verweer legt Siemens ten grondslag dat het volgens paragraaf d-e-2 van de offerteaanvraag door Siemens aan te leveren plan van aanpak slechts “zoveel mogelijk” diende te waarborgen dat oplevering van het nieuwe systeem zou plaatsvinden binnen de in d-e-1 van de offerteaanvraag genoemde termijn. Dit duidt er volgens Siemens op dat deze termijn, in zoverre, niet “hard” was.

4.5. Ook dit verweer faalt. Niets in paragraaf d-e-1 van de offerteaanvraag duidt erop dat de daarin bedoelde termijn slechts als streeftermijn of planning zou behoeven te gelden. Ook de blijkens het verificatieverslag door Siemens gedane mededeling dat Siemens “zich heeft geconformeerd aan eis d-e-1 en daarmee verklaard [sic.] de opdracht binnen 5 maanden te zullen afronden” duidt bepaald niet daarop. Hieraan doet niet af de bepaling dat het plan van aanpak slechts “zoveel mogelijk” een tijdige oplevering diende te waarborgen. Dat plan van aanpak diende immers een praktisch plan te zijn, waarin naar zijn aard geen garanties in de juridische betekenis van het woord kunnen worden gegeven; dit doet dus niet af aan de “harde” termijn, in de juridische betekenis van het woord, die in de overeenkomst is opgenomen.

4.6. Ook hierbij komt weer dat Siemens thans niet wordt aangesproken op overschrijding van de oorspronkelijke in de overeenkomst bedoelde termijn van vijf maanden na contractssluiting, maar de op 19 december 2007 nader overeengekomen termijn van vijf maanden en twee weken na 1 september 2007 (voor DM1-abonees), die VRU vervolgens nog eens eenzijdig met twee weken heeft verlengd, welke termijn duidelijk in het licht van het met zoveel woorden genoemde artikel 11.1 van de overeenkomst is gesteld.

Verweer: de overeengekomen termijn is geen fatale termijn

4.7. Siemens heeft geen belang bij dit verweer. VRU beroept zich immers tevens – voor het geval de oorspronkelijke termijn niet als een fatale mocht worden geoordeeld – op haar hiervoor in 2.8 aangehaalde ingebrekestelling en termijnstelling. Haar vordering is ook gebaseerd op de periode na verloop van de bij die ingebrekestelling gestelde termijn. Voor zover Siemens heeft willen betogen dat de daarin gestelde termijn niet redelijk is, had het op haar weg gelegen om onderbouwd aan te voeren – zo niet reeds toen, dan ten minste in de onderhavige procedure – op welke termijn, in redelijkheid, zij dan wel alsnog had kunnen nakomen en waarom. Siemens heeft dit nagelaten, zodat als vaststaand moet worden aangenomen dat zij na het verstrijken van bedoelde termijn in verzuim is komen te verkeren.

Verweer: de overeengekomen termijn is niet overschreden, omdat blijkens het besprekingsverslag de probleemgevallen daarvan waren uitgezonderd

4.8. Blijkens het besprekingsverslag is overeengekomen dat alle abonnees binnen de genoemde termijn moesten worden gemigreerd, “behoudens de probleemgevallen, die Siemens in de wekelijkse voorgang overleggen dient aan te geven of inmiddels al bij de VRU bekend zijn”. Ter zake van deze als uitzondering geformuleerde categorie, lag het op de weg van Siemens om te stellen welke (categorieën van) gevallen als probleemgevallen in de zin van deze uitzondering hadden te gelden, dat alle op 1 maart 2008 nog niet gemigreerde abonnees (-/- 5%) als zodanig kwalificeerden, en dat deze bovendien in de wekelijkse voorgangoverleggen waren gemeld dan wel reeds bij VRU bekend waren. Siemens heeft dit alles nagelaten, zodat als vaststaand moet worden aangenomen dat Siemens de aan haar gestelde termijn voor nakoming heeft overschreden ten aanzien van alle abonnees die toen nog niet waren gemigreerd.

Verweer: de vertraging is niet toerekenbaar aan Siemens

4.9. Ter onderbouwing van dit verweer voert Siemens aan de omstandigheid dat zij bij aanvang van de overeenkomst niet over de juiste en volledige gegevens van de abonnees beschikte en dat met name het localiseren van zgn. ISRA-punten bij abonnees veel werk was, de lange responstijd van abonnees, het niet-beschikken over dwangmiddelen, en de tariefsverhoging van 260% die VRU na sluiting van het contract had doorgevoerd.

4.10. Ook dit verweer faalt. De tijd die nodig zou zijn om juiste en volledige gegevens

– waaronder de locaties van ISRA-punten – te vergaren, en de responstijd van abonnees op dat punt, waren factoren waarmee Siemens bij het aangaan van overeenkomst rekening had moeten en kunnen houden, mede gegeven de omstandigheid dat Siemens ook voorafgaand aan de inwerkingtreding van de overeenkomst, het (oude) brandmeldsysteem van VRU al exploiteerde. Deze factoren komem op grond van de overeenkomst voor rekening en risico van Siemens.

4.11. Aan de stelling van Siemens dat zij niet beschikte over dwangmiddelen, heeft VRU – vervolgens onweersproken – tegengeworpen dat Siemens haar niet tot het doen toepassen van dwangmiddelen heeft verzocht en dat zij desgevraagd bereid zou zijn geweest om bestuursdwang te doen toepassen door de gemeenten, waarmee het verweer ook op deze grond faalt. De tariefsverhoging is ingevoerd weliswaar na het sluiten van de overeenkomst, maar voordat de nadere termijn van 5 maanden na 1 september 2007 werd overeengekomen. Nu Siemens bij die gelegenheid ter zake – kennelijk – geen voorbehoud heeft gemaakt, kan zij deze omstandigheid niet thans nog aanvoeren ter verontschuldiging van de ontstane termijnoverschrijding.

Verweer: de boete dient op grond van artikel 24 lid 1 van de algemene voorwaarden te worden gemaximeerd tot 10% van de opdrachtwaarde

4.12. Siemens heeft geen belang bij dit verweer. Tussen partijen staat vast dat de gemiddelde jaarlijkse opdrachtwaarde € 350.000,00 heeft bedragen (tot aan het moment van de comparitie van partijen in deze procedure, dat wil zeggen de eerste vier jaren van het contract). Siemens heeft vervolgens niet aannemelijk gemaakt dat dit voor de resterende looptijd van de overeenkomst minder zal worden. Tegen deze achtergrond moet de totale opdrachtwaarde voor de overeenkomst – voor de initiële zes jaren looptijd – op € 2,1 miljoen worden gesteld. 10% daarvan is € 210.000,00. Op grond van het door Siemens gevoerde matigingsverweer zal de vordering van VRU reeds tot een lager bedrag worden toegewezen (hierna, 4.13-4.15).

4.13. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het verweer ondeugdelijk is. Op grond van artikel 15.1 van de overeenkomst, gaat de overeenkomst vóór de algemene voorwaarden, voor zover de overeenkomst daarvan afwijkt. In artikel 11.2 van de overeenkomst is geen maximum opgenomen, hetgeen als afwijking van de maximering in de algemene voorwaarden moet worden aangemerkt, en daarom dus daarop voorgaat.

Verweer: de boete dient te worden gematigd

4.14. Siemens beroept zich ter onderbouwing van dit verweer op dezelfde omstandigheden als die welke zij ten grondslag legt aan haar hiervoor reeds verworpen verweer dat de tekortkoming haar niet kan worden toegerekend. Verder voert zij aan dat de gevorderde boete niet in (billijke) verhouding staat tot de totale opdrachtwaarde, laat staan haar (negatieve) resultaat op de opdracht. Ook voert Siemens aan dat VRU voor het brandmeldsysteem in een andere regio (Utrecht, drie keer zo groot als Eemland) de algemene voorwaarden van BRUL hanteert, die een boetebeding kennen met een maximum van € 200.000,00. Deze omstandigheid moet volgens Siemens meewegen bij de beoordeling in hoeverre de thans door VRU van haar gevorderde boete als redelijk mag worden aangemerkt. Tot slot voert Siemens aan dat VRU geen schade heeft geleden door de vertraging in de migratie. Tegenover dit laatste voert VRU aan dat zij wel reputatieschade heeft geleden of dreigde te kunnen leiden en dat zij interne en juridische kosten heeft gemaakt in verband met het verzuim van Siemens.

4.15. Dat VRU kosten heeft gemaakt in verband met het verzuim van Siemens acht de rechtbank aannemelijk. Voor zover Siemens slechts heeft beoogd te stellen dat zij in geval van een calamiteit (vóór de migratie) reputatieschade had kunnen leiden, geldt dat dit zich niet heeft voorgedaan. Voor zover Siemens heeft beoogd te stellen dat zij daadwerkelijk reputatieschade heeft geleden, geldt dat deze stelling niet is onderbouwd.

4.16. De door Siemens aangevoerde omstandigheden, voor zover niet feitelijk betwist, in het bijzonder de verhouding tussen boete en omzet/verlies, het ontbreken van schade anders dan (door VRU niet nader gespecificeerde) interne en juridische kosten, en het ontbreken van kwantitatieve of andere onderbouwing waaruit, rekening houdend met de door Siemens getroffen noodmaatregelen, de door VRU gestelde verhoging van gevaarzetting door de vertraging in de migratie blijkt, maken dat toewijzing van de volledige boete tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat zou leiden, en geven de rechtbank aanleiding de gevorderde boete te matigen tot in hoofdsom € 200.000,00.

Wettelijke (handels)rente

4.17. De vordering tot vergoeding van wettelijke handelsrente (artikel 6:119a BW) is niet toewijsbaar. Artikel 6:119a BW moet niet toepasselijk worden geacht met betrekking tot secundaire contractuele prestaties, zoals boeteverplichtingen. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de redactie van het tweede lid sub b en c van deze bepaling, dat tegenover de (met handelsrente versterkte) betalingsverplichting van de debiteur, een daarop betrekking hebbende “prestatie” van haar wederpartij verondersteld. In geval van een boeteverplichting is daarvan geen sprake. Ook volgens de parlementaire geschiedenis op artikel 6:119a BW geldt het handelsrenteregime niet voor betalingen bij wijze van schadeloosstelling (MvT TK 28 239, 2001-2002, nr. 3, p. 10). Dit geldt dan ook voor een boeteverplichting, althans indien die (mede) strekt tot compensatie van schade, zoals – kennelijk – in het onderhavige geval.

4.18. Wettelijke rente (artikel 6:119 BW) is wel verschuldigd. Deze zal worden toegewezen vanaf de dag van de inleidende dagvaarding. Dat Siemens met betrekking tot de gevorderde boetes op een eerder tijdstip in verzuim is komen te verkeren, is gesteld noch gebleken (vgl. HR 5 september 2008, LJN: BD3127).

Proceskosten

4.19. Siemens zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van VRU op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding € 87,93

- griffierecht 3.490,00

- salaris advocaat 5.000,00 (2,5 punten × tarief EUR 2.000,00)

Totaal € 8.577,93

De nakosten zullen worden toegewezen als in het dictum vermeld.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt Siemens om aan VRU te betalen een bedrag van € 200.000,00 (tweehonderdduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 9 november 2010 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt Siemens in de proceskosten, aan de zijde van VRU tot op heden begroot op € 8.577,93, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3. veroordeelt Siemens, indien niet binnen 14 dagen na vandaag vrijwillig volledig aan dit vonnis wordt voldaan, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 131,00 aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na vandaag

- te vermeerderen, indien Siemens niet binnen 14 dagen na aanschrijving door VRU aan het vonnis heeft voldaan en vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met

€ 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betekening,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Frieling, mr. R.J. Verschoof en mr. L.A.C. de Vaan en in het openbaar uitgesproken op 9 november 2011.?