Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU4709

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
11-11-2011
Datum publicatie
16-11-2011
Zaaknummer
16/600971-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het in vereniging opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van twaalf jongens van buitenlandse afkomst (mensenhandel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600971-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 november 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1989] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsvrouw mr. C.H. Dijkstra, advocaat te Amersfoort.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 29 november 2010, 11 februari 2011, 12 juli 2011, 23 september 2011, 29 september 2011 en 28 oktober 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Samen met een ander opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van twaalf jongens van buitenlandse afkomst.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het aan hem ten laste gelegde feit op de nader in het ter zitting overgelegde schriftelijk requisitoir omschreven gronden.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het ten laste gelegde feit. De verdediging heeft daarbij gewezen op de in het ter zitting overgelegde schriftelijk pleidooi omschreven gronden. De verdediging heeft verzocht om verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de medeverdachte en partner van verdachte, [medeverdachte], met gebruikmaking van de dwangmiddelen: misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie, de in de dagvaarding genoemde personen heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en opgenomen, met het oogmerk hen ertoe te bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling dan wel tot het verrichten van andere diensten. Medeverdachte [medeverdachte] heeft vervolgens ook uitvoering gegeven aan dat oogmerk onder zodanige omstandigheden dat sprake is geweest van uitbuiting van de bedoelde personen in de prostitutie. De rechtbank verwijst hiervoor naar de bewijsmiddelen, opgenomen in het vonnis van [medeverdachte] van 11 november 2011, welk vonnis als bijlage aan onderhavig vonnis is gehecht .

Medeverdachte [medeverdachte] heeft in de ten laste gelegde periode onder meer inkomsten genoten uit vorenvermelde uitbuiting. Van het geld dat door de aangevers uit de verrichte seksuele handelingen is gegenereerd moest de helft aan hem worden afgestaan .

Dit is naar het oordeel van de rechtbank slechts anders ten aanzien van aangever [benadeelde 1] die heeft verklaard dat hij nog maar twee dagen in de woning van verdachte was op het moment dat de politie kwam en verdachte werd aangehouden. In die twee dagen heeft [benadeelde 1] niet voor [medeverdachte] in de prostitutie gewerkt. De rechtbank concludeert hieruit dat [benadeelde 1] ook geen inkomsten aan medeverdachte [medeverdachte] heeft afgedragen. Hieruit volgt dat verdachte niet heeft geprofiteerd van inkomsten gegenereerd door aangever [benadeelde 1], zodat verdachte ten aanzien van [benadeelde 1] van het hem ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Eén en ander laat overigens onverlet dat ook ten aanzien van [benadeelde 1] sprake is geweest van handelingen die (mede) als uitbuiting zijn te kwalificeren. Gelet echter op de wijze waarop de tenlastelegging in de zaak van verdachte is opgesteld zal verdachte van (het medeplegen van) alle handelingen ten aanzien van [benadeelde 1] worden vrijgesproken, ook daar waar die zijn verricht door medeverdachte [medeverdachte].

De rechtbank verwijst voor de bewezenverklaring voorts naar hoofdstuk 10 van het proces-verbaal, houdende een verslag van het financieel onderzoek .

Verdachte was in de ten laste gelegde periode de partner van [medeverdachte]. Hij woonde in de periode van december 2008 tot en met december 2009 in Nederland in diens woning aan de [adres] te [woonplaats]. Verdachte had in die periode geen eigen inkomsten en werd door zijn partner onderhouden . Verdachte heeft nog gesteld dat hij in deze periode circa twee maanden in Roemenie heeft verbleven, doch ook in deze twee maanden heeft hij geen andere inkomsten verkregen dan die van zijn partner, [medeverdachte] .

Medeverdachte [medeverdachte] heeft in 2009 via de Western Union Bank zestien maal geld overgemaakt naar verdachte voor een bedrag van in totaal € 2.650,00.

De betreffende money-transfers werden beschikbaar gesteld in diverse plaatsen, waaronder Amersfoort, Bacau en Boekarest.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft voorts in 2009 zestien maal geld overgemaakt naar de in Roemenië wonende moeder van verdachte, genaamd [naam], voor een bedrag van in totaal € 5.500,00.

Verdachte heeft op zijn beurt ook geld overgemaakt naar zijn moeder en wel via zes money- transfers voor een bedrag van in totaal € 1.450,00 .

De rechtbank concludeert uit het bovenstaande dat verdachte in de ten laste gelegde periode willens en wetens en derhalve opzettelijk voordeel heeft genoten van de inkomsten van medeverdachte [medeverdachte].

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zijn levensonderhoud en het naar en ten behoeve van hem overgemaakte geld uitsluitend afkomstig was uit de WAO-uitkering van [medeverdachte] en uit diens inkomsten uit arbeid als disc-jockey, welke laatste inkomsten door verdachte worden gesteld op € 1.000,00 per maand. De rechtbank acht dit echter niet geloofwaardig.

Redengevend hiervoor is allereerst dat noch bij de belastingdienst noch bij het UWV iets bekend is over de inkomsten uit arbeid van [medeverdachte] en deze inkomsten ook anderszins door de verdediging niet met stukken zijn onderbouwd. Daarnaast blijkt uit het dossier op geen enkele wijze van enige oormerking van inkomsten. Er is derhalve geen enkele reden om aan te nemen dat de door [medeverdachte] gegenereerde gelden uit uitbuiting zich niet hebben vermengd met zijn overige inkomsten, op welke wijze dan ook verkregen. Bovendien geldt voor uitgaven die gefinancierd worden door de contante inkomsten uit uitbuiting dat zij niet gefinancierd behoeven te worden uit overige inkomsten. Zodoende komen de inkomsten uit uitbuiting ten goede aan het saldo van de overige inkomsten.

De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het voordeel dat verdachte opzettelijk heeft getrokken (in elk geval) mede afkomstig is geweest uit gelden die [medeverdachte] door middel van uitbuiting heeft gegenereerd.

Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of het opzet van verdachte ook op de uitbuiting gericht was.

De rechtbank acht voor de beantwoording daarvan onder meer van belang of verdachte op de hoogte was van de herkomst van het geld, waarmee hij werd onderhouden en van waaruit de money-transfers werden gefinancierd en van de omstandigheden waaronder dit werd verdiend. Naar het oordeel van de rechtbank dient die vraag bevestigend te worden beantwoord op grond van de hierna volgende bewijsmiddelen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij al voordat hij met zijn partner ging samenwonen bekend was met het feit dat zijn partner een escortbedrijf had. Dit escortbedrijf werd gevoerd in en vanuit een woning waar verdachte met [medeverdachte] samenwoonde .

Het betrof een kleine flatwoning, bestaande uit een hal, een keuken, een kleine badkamer met eenvoudige douche en wastafel, twee kleine slaapkamers, een woonkamer met daarachter een slaapkamer en een vliering zonder ramen die bereikbaar was met een vlizotrap . In de woonkamer stonden computers waarmee contacten met klanten werden gelegd en de twee kleine slaapkamers werden gebruikt om klanten te ontvangen en dienden tegelijkertijd als slaapkamer voor enkele aangevers. Daarnaast was de zolder in gebruik als slaapruimte voor de aangevers. De slaapkamer achter de woonkamer was in gebruik als slaapkamer van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] . De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat de wijze waarop het escortbedrijf werd geëxploiteerd zich afspeelde letterlijk voor de ogen van verdachte. Het is onmogelijk dat deze werkwijze en leefomstandigheden van de in de dagvaarding genoemde aangevers, waaronder zich bovendien enkele landgenoten van verdachte bevonden, verdachte kunnen zijn ontgaan. Verdachte moet geweten hebben van de zolder zonder ramen, waarop meerdere jongens sliepen, de huisregels, van de illegale verblijfspositie van de escorts, hun economisch en sociaal kwetsbare positie, het moeten afstaan van ten minste de helft van de inkomsten en van hun meervoudige afhankelijkheid van medeverdachte [medeverdachte]. Dit heeft verdachte niet van de hem verweten gedraging weerhouden.

De rechtbank baseert het oordeel dat het opzet van verdachte ook op de uitbuiting betrekking heeft gehad tevens op zijn rol in het bedrijf van medeverdachte [medeverdachte]. Naar het oordeel van de rechtbank is deze rol groter dan verdachte wil doen voorkomen en is niet aannemelijk dat verdachte, zoals hij stelt, juist tegenstander was van het door medeverdachte [medeverdachte] geëxploiteerde escortbedrijf.

Dit blijkt onder meer uit de verklaring van aangeefster [getuige 1]. Zij heeft tegenover de politie verklaard dat medeverdachte [medeverdachte] nauw samenwerkte met een Roemeense jongen genaamd [verdachte] . Zij verklaart voorts tegenover de politie over haar aankomst in de woning van medeverdachte [medeverdachte]. Er was toen in de huiskamer een soort vergadering tussen onder meer haar en verdachte en medeverdachte [medeverdachte], waarbij prijsafspraken en afspraken over het onderdak en eten werden gemaakt. Naast medeverdachte [medeverdachte] en verdachte zelf waren er op het moment van haar aankomst nog elf jongens in huis en zij schrok daarvan, omdat het niet zo’n groot huis was . Verdachte, medeverdachte [medeverdachte] en [X] deden handelingen op de computer met de klanten . Verdachte handelde ook de telefoontjes af. Hij maakte prijsafspraken en had contacten met klanten. Hij had altijd mooie kleding, schoenen en sieraden. Hij gaf het geld van medeverdachte [medeverdachte] uit. Hij verbleef veel in het winkelcentrum. Als medeverdachte [medeverdachte] er niet was, waren verdachte en [X] degene die de orders gaven. Er waren ook huisregels . Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 1] verklaard dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] de baas waren en dat zij het door haar verdiende geld afgaf aan medeverdachte [medeverdachte] of aan verdachte.

Namens de verdediging is gesteld dat de verklaring van [getuige 1] wemelt van de onregelmatigheden en is ingegeven door een verblijfsrechtelijk belang. Om die twee redenen dient die verklaring als onbetrouwbaar buiten het bewijs te blijven, aldus de verdediging.

De rechtbank oordeelt anders. Het moge zo zijn dat bij haar verklaring op een aantal door de verdediging benadrukte punten vraagtekens kunnen worden gezet, maar dit maakt nog niet dat alles wat zij heeft verklaard als onbetrouwbaar zou moeten worden aangemerkt. Zeker niet op die punten waarin haar verklaring steun vindt in ander bewijsmateriaal.

Dit is naar het oordeel van de rechtbank met name het geval als zij verklaart over de rol van verdachte in het bedrijf. Haar verklaring op dat punt vindt steun in de huisregels die op de computer van medeverdachte [medeverdachte] zijn aangetroffen. In die huisregels wordt onderstreept dat verdachte de baas is als medeverdachte [medeverdachte] er niet is . Daarnaast wordt haar verklaring omtrent het geven van geld aan verdachte ondersteund door de verklaring van [benadeelde 2], die bij de rechter-commissaris op 22 augustus 2011 heeft verklaard dat als medeverdachte [medeverdachte] er niet was het geld aan [X] of verdachte gegeven moest worden en dat dat logisch was, omdat verdachte de vriend was van de eigenaar .

Een actievere rol als verdachte wil doen voorkomen blijkt ook uit de verklaring van [getuige 2] dat verdachte door middel van MSM op de computer vertaalde voor medeverdachte [medeverdachte] en dan ook aan de jongens vroeg of ze naar Nederland wilden komen en uit het gegeven dat verdachte op 9 december 2008 samen met medeverdachte [medeverdachte] is aangetroffen in de auto waarmee escorts uit het buitenland naar Nederland werden vervoerd .

De rechtbank acht op grond van vorenvermelde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van meerdere jonge mannen, waarbij het opzet van verdachte zowel op het voordeel trekken als op de uitbuiting gericht is geweest. Met betrekking tot de periode waarin één en ander is gebeurd merkt de rechtbank op dat dit gelet op de tijd die verdachte in de woning van medeverdachte [medeverdachte] heeft gewoond en geleefd, alsmede gelet op de data waarop de bovenbedoelde money-transfers hebben plaatsgevonden, een kortere periode is geweest dan ten laste gelegd, maar in elk geval wel in de ten laste gelegde periode.

De bezwaren van de verdediging tegen toelating tot het bewijs van de belastende verklaringen van de getuigen [benadeelde 4], [getuige 3] en [getuige 4] behoeven geen bespreking meer, nu de rechtbank die niet heeft gebruikt.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op tijdstippen gelegen in de periode van 01 oktober 2008 tot en met 22 februari 2010 telkens te Amersfoort en/of (elders) in Nederland,

telkens tezamen en in vereniging met een ander,

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van anderen, te weten:

- [A] [benadeelde 2] (geboren [1983] te [geboorteplaats], Brazilië),

en/of

- [B] [benadeelde 8] (geboren [1987] te [geboorteplaats], Roemenië),

en/of

- [C] [getuige 3] (geboren [1984] te [geboorteplaats], Brazilië),

en/of

- [D] [benadeelde 4] (geboren [1987] te [geboorteplaats], Roemenië),

en/of

- [E] [benadeelde 5] (geboren [1982] te [geboorteplaats], Polen),

en/of

- [F] [benadeelde 9] (geboren op [1989] te [geboorteplaats], Cuba),

en/of

- [G] [benadeelde 10] (geboren op [1985] te [geboorteplaats], Roemenië),

en/of

- [I] [benadeelde 6] (geboren op [1990] te [geboorteplaats], Brazilië),

en/of

- [J] [benadeelde 7] (geboren op [1986] te [geboorteplaats], Kroatië),

en/of

- [K] [benadeelde 11] (geboren op [1985] te [geboorteplaats]. Lasi, Roemenië, en/of

- [L] [benadeelde 12] (geboren op [1979] te [geboorteplaats], Brazilië),

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader

- via internet contact gezocht met die [A], [C,], [D], [F], [J], [L] die zich toen in het buitenland bevonden, en/of

- die [A], [C,], [D], [E], [F], [I], [J], [L] uitgenodigd om voor zijn mededader, voor een bepaald salaris en onder zekere arbeids- en/of leefomstandigheden in de homo-escort en homoprostitutie te komen werken, en/of

- de tickets voor die [A], [C,], [D], [F], [G], [J], om naar Nederland te kunnen reizen, besteld en betaald en/of opgestuurd naar die [A], [C,], [D], [F], [G], [J], en/of

- die [A], [B], [D], [E], [F], [J], [L] op diverse locaties in Nederland opgehaald, en/of

- die [A], [B], [C,], [D], [E], [F], [G], [I], [J], [K], [L] onderdak en huisvesting verschaft, in zijn, verdachte’s, woning van waaruit zijn mededader, een escortbureau en een of meer escort-websites(s) heeft gerund, genaamd (o.a.) Heavenboys en/of Paradiseboys, en/of

- die [A], [C,], [D], [F], [G], [J], (toen) verteld dat zij de kosten van de tickets terug moesten betalen, en/of

- de paspoorten van die [A], [D], [F], [G], [J], [L] (daartoe) (tijdelijk) afgepakt en opgeborgen, en/of

- die [A], [C,], [D], [E], [F], [I], [J], [K], [L] bewogen te gaan werken en te blijven werken in de escort/prostitutie, en die [B] en/of [G] bewogen in de woning van die verdachte en zijn mededader huishoudelijke werkzaamheden en/of werkzaamheden op de computer te (blijven) verrichten, en/of

- de prostitutieklanten voor die [A], [C,], [D], [E], [F], [I], [J], [K] , [L] geregeld en daarbij bepaald, of, en zo ja, hoeveel en welke prostitutieklanten naar [A], [C,], [D], [E], [F], [I], [J], [K], [L] gingen en derhalve invloed gehad op de hoogte en de frequentie van de inkomsten van die [A], [C,], [D], [E], [F], [I], [J], [K], [L] en/of

- het geld dat die [A], [C,], [D], [E], [F], [G], [I], [J], [K], [L] verdienden met de prostitutie/escort in ontvangst genomen, en telkens (deels) aan verdachte afgegeven, en/of

- van dat verdiende geld telkens 50 Euro -als basisverdienste- aan die [A], [C,], [D], [E], [F],

[G], [I], [J], [K], [L] afgegeven of teruggegeven, en/of

- gedreigd de illegale verrichte werkzaamheden en de illegale verblijfsstatus van die [C,], [L] bekend te maken bij de Nederlandse politie/autoriteiten,

terwijl

- die [A], [C,], [D], [F], [I], [J], [L] door zijn mededader zijn uitgenodigd om voor zijn mededader voor een relatief goed salaris en onder relatief normale arbeids- en leefomstandigheden in de homo-escort en homo-prostitutie te komen werken,

- die [A], [C,], [D], [F], [G], [J], van buitenlandse afkomst waren en vanuit Duitsland en/of Spanje en/of Roemenië naar Nederland waren gebracht en daardoor een schuld bij zijn mededader hadden opgebouwd bestaande uit de reissom, en/of

- die [A], [D], [F], [G], [J], [L] hun paspoorten (tijdelijk) (gedurende de periode van afbetaling van de reissom) aan zijn mededader moesten afstaan, en/of

- die [A], [B], [C,], [D], [F], [G], [I], [J], [K], [L] zonder legale verblijfstitel en/of arbeidstitel in Nederland verkeerden, en/of

- die [A], [F], [G], [I], [L] niet of nauwelijks de Nederlandse en Engelse taal spraken en niet goed bekend waren in en met de Nederlandse samenleving en/of,

- die [A], [B], [D], [E], [F], [J], [L] (direct) na aankomst in Nederland door zijn mededader zijn opgehaald en naar het pand [adres] te [woonplaats], zijn gebracht, en/of

- die [A], [B], [C,], [D], [E], [F], [G], [I], [J], [K], [L] verbleven bij en werkzaamheden verrichtten voor zijn mededader en (daardoor) voor hun aantal klanten en daaruit voortvloeiende inkomsten en hun eerste levensbehoeften van zijn mededader (volledig) afhankelijk waren, en/of

- die [A], [C,], [D], [E], [F], [G], [I], [K], te weinig verdienden om terugkeer naar hun thuisland en/of vertrek naar een andere huisvesting en/of arbeidsplaats mogelijk te maken.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Medeplegen van mensenhandel, meermalen gepleegd.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 250 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van vijf jaar en met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd om als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijke strafdeel te koppelen dat de verdachte zich op geen enkele wijze zal bezighouden met prostitutie(bemiddelings)werkzaamheden en escortservices in de ruimste zin van het woord.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft met betrekking tot de strafmaat geen standpunt ingenomen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft opzettelijk voordeel getrokken uit de uitbuiting van elf jonge jongens van buitenlandse afkomst. Verdachte wist dat de medeverdachte, zijnde zijn partner, een escortbureau runde en dat deze jongens die voor het escortbureau van zijn partner werkten door zijn partner werden uitgebuit. Toch heeft verdachte geleefd op kosten van zijn partner en daarmee gedeeld in de opbrengst uit de door de jongens verrichte diensten in de homo-prostitutie. De wetenschap dat de jongens werden uitgebuit heeft verdachte er niet van weerhouden om geld van zijn partner aan te nemen. Verdachte heeft blijkbaar alleen gedacht aan zijn eigen financiële gewin en heeft niet stilgestaan bij de gevolgen hiervan voor de slachtoffers.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met het feit dat verdachte zich niet schuldig heeft gemaakt aan een grove schending van de lichamelijke integriteit van de jongens die voor zijn medeverdachte in de prostitutie werkten. Het kwalijke in deze zaak zit hem meer in de omstandigheden waaronder de jongens moesten leven en werken dan in de werkzaamheden die de jongens moesten verrichten zelf. Uit de verklaringen in het dossier blijkt niet dat er geweld werd gebruikt tegen de jongens. Ook blijkt niet dat de jongens seksuele handelingen met klanten moesten verrichten terwijl zij dat niet wilden. De jongens werden nergens toe gedwongen op seksueel gebied. Wel hebben de jongens in slechtere omstandigheden moeten wonen en werken dan normaal en hebben zij onder die omstandigheden tenminste de helft van het door hen verdiende geld moeten afdragen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee geen sprake geweest van de meest ernstigste vorm van mensenhandel, waar verdachte voordeel van heeft gehad.

De rechtbank houdt ten nadele van verdachte voorts rekening met het feit dat verdachte ter terechtzitting in het geheel geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Verdachte heeft totaal geen spijt en berouw getoond en hij heeft gedurende het onderzoek ter zitting volgehouden dat hij niets fout heeft gedaan.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 19 september 2011 volgt dat verdachte niet eerder in Nederland is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Gelet op voornoemde is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf een passende sanctie is. De rechtbank zal deze straf dan ook aan verdachte opleggen. De rechtbank is van oordeel dat een voorwaardelijk strafdeel noodzakelijk is om verdachte er in de toekomst van te weerhouden opnieuw (dergelijke) strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal verdachte daarbij de bijzondere voorwaarde opleggen dat verdachte zich op geen enkele wijze zal bezighouden met prostitutie(bemiddelings)-werkzaamheden en escortservices in de ruimste zin van het woord. Om verdachte ervan te doordringen dat hij zich nooit meer met dit soort praktijken moet bezighouden zal de rechtbank ten aanzien van de bijzondere voorwaarde een proeftijd van vijf jaar opleggen.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partijen [benadeelde 6], [benadeelde 5], [benadeelde 4], [benadeelde 7], [benadeelde 3], [benadeelde 2] en [benadeelde 1] hebben ieder afzonderlijk een vordering tot schadevergoeding ingediend. Gelet op de aard van deze vorderingen en het daarin gestelde, dat de rechtbank mede beschouwt in het licht van de door de benadeelde partijen gedane aangiften, gaat de rechtbank ervan uit dat de benadeelde partijen hebben bedoeld deze vorderingen alleen in te dienen in de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte]. De rechtbank zal de benadeelde partijen daarom in de onderhavige zaak in de door hen ingediende vorderingen tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaren.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 273f van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Medeplegen van mensenhandel, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 250 dagen, waarvan 180 voorwaardelijk;

Stelt een proeftijd vast van twee jaren:

Bepaalt daarbij dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Stelt een proeftijd vast van vijf jaren:

Bepaalt daarbij dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarde niet naleeft:

- dat de veroordeelde zich op geen enkele wijze zal bezighouden met prostitutie(bemiddelings)werkzaamheden en escortservices in de ruimste zin van het woord;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- verklaart de benadeelde partijen [benadeelde 6], [benadeelde 5], [benadeelde 4], [benadeelde 7], [benadeelde 3], [benadeelde 2] en [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de door hen ieder afzonderlijk ingediende vorderingen tot schadevergoeding;

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A.C. Koster, voorzitter, mr. A.G. van Doorn en

mr. M.A.A.T. Engbers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.F. van Dam, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 11 november 2011.