Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU4692

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
08-11-2011
Datum publicatie
16-11-2011
Zaaknummer
313800 / FA RK 11-6280, 313802 / FA RK 11-6281
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beslissing voorlopige voorziening ex 223 Rv vooruitlopend op de beslissing in de bodemprocedure tot vaststellen van het hoofdverblijf van een minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK UTRECHT

Sector Familie & Toezicht

zaaknummer / rekestnummer:

313800 / FA RK 11-6280 (vaststelling hoofdverblijfplaats)

313802 / FA RK 11-6281 (voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv)

Beschikking van 8 november 2011

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

hierna te noemen de vader,

advocaat mr. M.T.N. Whiterod te Utrecht

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats], verblijvende te Portugal,

verweerster,

hierna te noemen de moeder,

advocaat mr. E.I. Robert te Utrecht.

1. Verloop van de procedure

1.1. De vader heeft op 26 september 2011 ter griffie van deze rechtbank ingediend:

- een verzoekschrift tot vaststelling van het hoofdverblijf van het minderjarige kind van partijen bij hem;

- een verzoekschrift voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv.

1.2. Op 7 oktober 2011 zijn nadere stukken van mr. Whiterod ontvangen.

1.3. De zaak is behandeld ter terechtzitting met gesloten deuren van 8 november 2011.

Verschenen zijn: de vader en zijn advocaat, de advocaat van de moeder en

mevrouw [X], namens de Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Utrecht.

Hoewel behoorlijk opgeroepen is de moeder niet ter zitting verschenen.

1.4. In het verzoek voorlopige voorzieningen heeft de rechter direct na de zitting mondeling uitspraak gedaan.

2. Vaststaande feiten

2.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad. De vader heeft de Nederlandse nationaliteit, de moeder de Portugese en zij hebben gedurende hun relatie in Nederland samengewoond. Uit deze relatie is geboren [dochter] op [2009] te [geboorteplaats]. Partijen hebben gezamenlijk het gezag over [dochter].

2.2. Nadat de relatie tussen partijen is verslechterd, is de moeder in juli 2011 met [dochter] naar Portugal gegaan. De vader had toestemming gegeven voor een verblijf van [dochter] in Portugal voor de periode 18 juli 2011 tot en met 15 augustus 2011.

2.3. De moeder heeft op 5 augustus 2011 schriftelijk aan de vader medegedeeld dat zij en [dochter] niet zullen terugkeren naar Nederland.

2.4. Eveneens op 5 augustus 2011 is de vader naar Portugal gegaan om zich bij zijn gezin te voegen. Hij is op 15 augustus 2011 zonder [dochter] naar Nederland teruggekeerd.

2.5. Op 23 augustus 2011 heeft de vader een verzoek tot teruggeleiding van [dochter] gedaan bij de Centrale Autoriteit. Op 11 november 2011 zal deze zaak door de Portugese rechter worden behandeld. Een door de moeder eerder aanhangig gemaakte procedure tot wijziging van het gezamenlijk gezag in eenhoofdig gezag is door de rechter in Portugal aangehouden.

3. Beoordeling van het verzochte

3.1. De vader heeft in de bodemzaak verzocht om het hoofdverblijf van [dochter] bij hem te bepalen en vooruitlopend op de beslissing in de bodemprocedure heeft hij verzocht te bepalen dat [dochter] aan hem zal worden toevertrouwd. Hij stelt dat partijen gezamenlijk gezag hebben over [dochter], dat hij gedurende de samenleving een groot deel van de verzorging en opvoeding van [dochter] op zich heeft genomen en dat de hij ook na het verbreken van de relatie daartoe in staat is; hij kan met zijn werkgever regelen dat hij zoveel mogelijk voor [dochter] beschikbaar is en hij heeft voor twee dagen de crèche aangehouden. Volgens de vader zouden partijen – toen bleek dat de relatie ten einde was – samen overleggen over de verdeling van de zorg- en opvoedtaken voor [dochter] en proberen om in overleg tot een ouderschapsplan te komen. Voor het zover was heeft de moeder besloten om met [dochter] in Portugal te blijven. Zonder zijn toestemming, aldus de vader. Omdat er sprake is van een ongeoorloofde overbrenging in strijd met zijn gezagsrecht heeft de vader de Centrale Autoriteit ingeschakeld met als doel teruggeleiding van [dochter] naar haar woonplaats in Nederland. De vader heeft verder nog aangevoerd dat het zijn bedoeling is om, zodra [dochter] in Nederland is, alsnog met de moeder tot overeenstemming te komen over een zorgregeling voor [dochter], al dan niet met behulp van een mediator die gespecialiseerd is in crossborder mediation.

3.2. Namens de moeder is verweer gevoerd. Zij heeft de rechtbank verzocht het verzoek van de vader af te wijzen. Subsidiair heeft zij bij wijze van zelfstandig verzoek de rechtbank verzocht om [dochter] voorlopig aan haar toe te vertrouwen, meer subsidiair heeft zij verzocht de behandeling van de zaak aan te houden. De moeder betwist dat de vader het grootste deel van de opvoeding voor zijn rekening nam toen partijen nog bij elkaar waren. Partijen werkten allebei en [dochter] verbleef ook bij een kinderdagverblijf of bij de grootouders. Volgens de moeder was het niet haar bedoeling om in Portugal te blijven met [dochter]. Op dit moment heeft zij echter wel de intentie om met [dochter] in Portugal een leven op te bouwen, waar zij zich gesteund weet door familie en vrienden. Mr. Robert heeft tegenover de rechter verklaard dat de moeder ervan op de hoogte is dat zij handelt in strijd met het Verdrag betreffende de Burgerrechtelijke aspecten van Internationale Ontvoering van Kinderen (hierna: het Haags Kinderontvoeringsverdrag). De moeder meent echter dat het in het belang van [dochter] is dat zij bij haar woont en zij heeft de intentie om samen met de vader tot een zorgregeling voor [dochter] te komen. De moeder is bereid daarvoor met de vader naar een mediator te gaan.

De voorlopige voorziening

3.3. De rechtbank overweegt ten aanzien van de ontvankelijkheid van de voorlopige voorziening het volgende. Artikel 223 RV ziet op voorlopige voorzieningen binnen het kader van een dagvaardingsprocedure. Naar het oordeel van de rechtbank kan ook in een verzoekschriftprocedure een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden gevraagd. Immers, daarbij gaat het om voor de duur van de bodemprocedure een voorlopige beslissing te geven, die geldt totdat in de bodemzaak wordt beslist. Naar het oordeel van de rechtbank komt het geven van een dergelijke voorlopige beslissing niet in strijd met enig wettelijk voorschrift. Vereist voor de ontvankelijkheid van de voorlopige voorziening is wel dat verzoeker een belang heeft bij zijn verzoek. Gelet op hetgeen de vader heeft gesteld als grond voor zijn verzoek kan hem een voldoende belang bij het verzoek niet worden ontzegd. Voorts wordt eveneens voldaan aan de in lid 2 van artikel 223 Rv gesteld voorwaarde dat de gevraagde voorziening samenhangt met de hoofdvordering. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de voorlopige voorziening ontvankelijk is, zodat de rechtbank zal overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek.

3.4. Ten aanzien van de inhoud van het verzoek overweegt de rechtbank als volgt.

Partijen hebben gezamenlijk het gezag over [dochter]. Tijdens de samenleving hebben beide partijen een aandeel in de zorg- en opvoedingstaken van [dochter] gehad. De vader heeft onweersproken gesteld dat hij met zijn werkgever een regeling kan treffen om zoveel mogelijk voor [dochter] beschikbaar te zijn, dat hij de crèche heeft aangehouden, waar [dochter] altijd naartoe ging en dat [dochter] zo kan terugkeren in de voor haar vertrouwde woning. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de vader in staat is om de verzorging en opvoeding van [dochter] op zich te nemen. Vast staat dat de moeder [dochter] zonder toestemming van de vader en derhalve in strijd met zijn gezagsrecht in Portugal houdt. Gelet op de omstandigheid dat partijen gezamenlijk gezag hebben had het op de weg van de moeder gelegen om over de verblijfplaats van [dochter] eerst in overleg te treden met de vader. Indien partijen niet tot overeenstemming zouden zijn gekomen, had de moeder het geschil over de verblijfplaats moeten voorleggen aan de rechter, die een belangenafweging kan maken waarin ook de belangen van [dochter] worden meegewogen. Door eenzijdig te beslissen dat [dochter] in Portugal moet verblijven, handelt de moeder in strijd met de belangen van [dochter], die als gevolg hiervan veel minder contact heeft met haar vader. Deze handelswijze van de moeder en de omstandigheid dat de vader in staat moet worden geacht de verzorging en opvoeding van [dochter] op zich te nemen leidt tot het oordeel dat [dochter], vooruitlopend op de beslissing in de bodemzaak, aan de vader moet worden toevertrouwd. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat eventuele weigeringsgronden in de zin van het Haags Kinderontvoeringsverdrag, die aan de voorlopige toevertrouwing van [dochter] aan haar vader in de weg zouden kunnen staan, niet zijn gesteld of gebleken. Nu het verzoek van de vader wordt toegewezen zal het verzoek van de moeder worden afgewezen.

De bodemprocedure

3.5. De beslissing van de rechtbank over het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [dochter] bij hem te bepalen is onder meer afhankelijk van de uitkomst van de beslissing van de Portugese rechter op het verzoek tot teruggeleiding van [dochter] naar Nederland. Bovendien hebben partijen, ieder voor zich, verklaard om met elkaar in overleg te treden over de verblijfplaats van [dochter] en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. In afwachting hiervan zal de rechtbank de beslissing in de bodemprocedure aanhouden voor de duur van drie maanden.

4. Beslissing

De rechtbank

In de voorlopige voorziening:

bepaalt dat voorlopig, voor de duur van het geding, met ingang van heden de minderjarige [dochter], geboren op [2009] te [geboorteplaats], wordt toevertrouwd aan de vader;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het verzoek van de moeder om toevertrouwing van [dochter] af;

In de bodemprocedure:

houdt het verzoek van de vader om het hoofdverblijf van [dochter] bij hem te bepalen pro forma aan tot 8 februari 2012, met verzoek aan de meest gerede partij de rechtbank voor die datum te berichten of een nadere mondelinge behandeling noodzakelijk is dan wel een beschikking moet worden gegeven.

Deze beschikking is op 8 november 2011 gegeven door mr. E.W.A. Vonk, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. I.C.T.M. Jongens, griffier.