Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU4120

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-10-2011
Datum publicatie
11-11-2011
Zaaknummer
16/600656-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak overtreding Opiumwet: geen feiten en omstandigheden gebleken waaruit kan worden afgeleid dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zich hashish in zijn vrachtwagen bevonden. Al helemaal geen sprake van boos opzet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600656-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 oktober 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1971] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsman mr. B.J. Tieman, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 14 oktober 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met anderen heeft geprobeerd ongeveer 99 kilogram hashish buiten het grondgebied van Nederland te brengen;

Feit 2: samen met anderen ongeveer 99 kilogram hashish aanwezig heeft gehad.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. De officier van justitie heeft zich daarbij gebaseerd op het proces-verbaal van bevindingen, waaruit volgt dat in de vrachtwagen van verdachte een partij hashish is aangetroffen. De officier van justitie heeft daarbij betoogd dat een vrachtwagenchauffeur altijd verantwoordelijk is voor de lading in zijn vrachtwagen en zij rekent het verdachte aan dat hij niet heeft gecontroleerd wat hij als lading in zijn vrachtwagen vervoerde.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 1 en feit 2. De verdediging wijst er daarbij op dat in het dossier geen enkele aanwijzing zit voor de wetenschap en de opzet bij verdachte ten aanzien van de in zijn vrachtwagen aangetroffen drugs. De strafrechtelijke risico-aansprakelijkheid die de officier van justitie creëert is iets heel anders dan het al dan niet aanwezig zijn van voorwaardelijk opzet, aldus de verdediging.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt dat verdachte niet erg oplettend heeft gehandeld door na te laten de lading op enige wijze te inspecteren. Dit had wel in de rede gelegen temeer nu verdachte zelf heeft verklaard dat hij het vreemd vond dat hij zijn vrachtauto in opdracht van zijn baas op een industrieterrein moest zetten, hetgeen niet de normale gang van zaken was. Deze handelwijze van verdachte leidt er naar het oordeel van de rechtbank echter niet toe dat hem in strafrechtelijke zin een verwijt kan worden gemaakt. Op basis van de inhoud van het dossier kan namelijk niet worden geconcludeerd dat verdachte wetenschap had van de partij hashish in zijn vrachtwagen en dat hij de opzet heeft gehad op het vervoeren van die hashish en op het aanwezig hebben van die hashish.

Naar het oordeel van de rechtbank is hiervoor geen enkel aanknopingspunt in het dossier te vinden.

Uit het door de politie opgemaakte proces-verbaal van bevindingen volgt namelijk dat de dozen, waarin de partij hashish is aangetroffen, achter in de vrachtwagen stonden en dat de overige lading tegen die dozen was aangezet. De dozen waren bij het openen van de deuren hierdoor niet zichtbaar voor verdachte. Verdachte had over de andere lading heen moeten klimmen om de, overigens ook dichte dozen, überhaupt te kunnen zien staan. Door de plek waarop de dozen stonden bestaat de mogelijkheid dat de dozen met hashish al op een eerdere datum en ergens anders dan de reguliere lading in de vrachtwagen zijn geladen.

Na het aantreffen van de hashish is door de politie verder geen onderzoek verricht, zoals een dactyloscopisch onderzoek op de dozen dan wel op de verpakking van de hashish. In plaats daarvan is door de officier van justitie de opdracht gegeven de hashish te vernietigen, waardoor een dergelijk onderzoek ook niet meer kan plaatsvinden.

De vrachtbrieven waarop staat vermeld welke lading er in de vrachtwagen zit en die normaliter door de vrachtwagenchauffeur worden ondertekend voor akkoord, zitten niet in het dossier. Ook daar kan de rechtbank dus niets uit afleiden. Evenmin zijn andere feiten of omstandigheden gesteld of gebleken waaruit zou kunnen worden afgeleid dat verdachte wist dan wel had kunnen vermoeden dat er zich hashish tussen zijn lading zou bevinden.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting geen feiten en omstandigheden zijn gebleken waaruit kan worden afgeleid dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zich in zijn vrachtwagen hashish zouden bevinden, laat staan dat gezegd kan worden dat sprake is geweest van boos opzet. De officier van justitie heeft ook geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd, waarop zij het bewijs voor de aanwezigheid van (voorwaardelijk) opzet, zoals bedoeld in het Wetboek van Strafrecht, bij verdachte heeft gebaseerd. Het door de officier van justitie ingenomen standpunt komt feitelijk neer op een vorm van volledige strafrechtelijke risico-aansprakelijkheid voor vrachtwagenchauffeurs ten aanzien van de door hen vervoerde lading. Dit standpunt vindt naar het oordeel van de rechtbank geen steun in het Nederlands strafrecht en kan dan ook niet leiden tot een bewezenverklaring en een veroordeling.

Gelet op voornoemde zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van de aan hem onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

5 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Crouwel, voorzitter, mr. M.C. Oostendorp en

mr. A. Kuijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.F. van Dam, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 28 oktober 2011.

Mr. Oostendorp is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.