Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU4081

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-10-2011
Datum publicatie
11-11-2011
Zaaknummer
16/600752-11; 16/600634-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft drie fietsendiefstallen gepleegd. Verdachte is een veelpleger. Straf opgelegd overeenkomstig de oriëntatiepunten van het LOVS. Geen bijzondere voorwaarde opgelegd, omdat verdachte duidelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij niet aan begeleidin

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600752-11; 16/600634-11 (ter terechtzitting gevoegd); 16/066857-10 (vordering tenuitvoerlegging) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 oktober 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1982] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

thans gedetineerd in Huis van Bewaring Wolvenplein te Utrecht

raadsman mr. W.C. den Daas, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 14 oktober 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer en zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

16/600752-11:

Feit 1 primair: een fiets heeft gestolen;

Feit 1 subsidiair: die fiets heeft geheeld;

Feit 2 primair: een fiets heeft gestolen;

Feit 2 subsidiair: die fiets heeft geheeld;

16/600634-11:

Primair: samen met een ander een fiets heeft gestolen;

Subsidiair: die fiets heeft geheeld.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de bij parketnummer 16/600752-11 onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten en het bij parketnummer 16/600634-11 onder primair ten laste gelegde feit heeft begaan. De officier van justitie baseert zich daarbij met name op de aangiften, op de verklaringen van getuigen en op de bekennende verklaringen van verdachte.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van het bij parketnummer 16/600752-11 onder 1 primair ten laste gelegde feit en van het bij parketnummer 16/600634-11 onder subsidiair ten laste gelegde feit. Ten aanzien van het laatstgenoemde feit heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte heeft verklaard dat hij de fiets niet zelf heeft gestolen, maar dat hij de fiets op aanwijzen van een vriend heeft meegenomen en dat hij van die vriend de fiets later weer zou moeten terugzetten.

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de bij parketnummer 16/600752-11 onder 2 primair en onder 2 subsidiair ten laste gelegde feiten, omdat op basis van de inhoud van het dossier niet kan worden aangetoond dat verdachte deze fiets heeft gestolen dan wel geheeld.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het bij parketnummer 16/600752-11 onder 1 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Op 23 juli 2011 werd door verbalisant [verbalisant] een projectfiets geplaatst op de[adres]te [woonplaats]. De projectfiets betrof een herenfiets, Gazelle Chamonix Excellent en was voorzien van een gps-tracker en een peilzender. Op 23 juli 2011 ontving verbalisant [verbalisant] een sms dat de fiets werd verplaatst. Verbalisant heeft vervolgens met de peilzender de projectfiets uitgepeild naar de achtertuin van de woning aan de [adres] te [woonplaats], waar hij de projectfiets in de schuur zag staan. De aanwezige Poolse bewoner [X] verklaarde dat hij de fiets van een Russische jongen had gekocht.

Verdachte bekende ter terechtzitting dat hij deze fiets had gestolen, omdat hij geen vervoer had en dat hij de fiets aan de Poolse man had verkocht.

De rechtbank acht voorts het bij parketnummer 16/600752-11 onder 2 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De politie relateert in het proces-verbaal van bevindingen dat in de tuin en de berging van de [adres] nog twee fietsen stonden.

Eén van deze fietsen betrof een damesfiets, Gazelle Davos, framenummer [nummer]. Aan het stuur van deze fiets hing een prijskaartje van rijwielhandel [bedrijf].

Aangever [A], eigenaar van het bedrijf [bedrijf], gevestigd in [woonplaats], verklaarde bij de politie dat op 2 juli 2011 een fiets, merk Gazelle, type Davos, framenummer [nummer], was weggenomen vanaf het terrein van zijn bedrijf.

De op het adres [adres] aanwezige Poolse bewoner [Y] verklaarde bij de politie dat hij de Gazelle Davos had gekocht van een Russische jongen. Bij het tonen van een foto van verdachte [verdachte] door de politie aan [Y] verklaarde deze dat de persoon op de foto dezelfde persoon was als degene die aan hem de fiets had verkocht. Hij herkende de persoon voor 100%.

Verdachte verklaarde bij de politie dat hij eerder op het adres van de Polen was geweest en dat hij toen twee fietsen aan twee Poolse mannen die daar woonden had verkocht. Verdachte verklaarde dat hij deze twee fietsen ergens had gestolen.

De rechtbank acht ten slotte het bij parketnummer 16/600634-11 onder primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Verbalisant [verbalisant] relateert in het door hem opgemaakte proces-verbaal van bevindingen dat hij op 27 juni 2011 om 08.00 uur een projectfiets plaatste voor de Albert Heijn op de Hellestraat in [woonplaats]. De projectfiets betrof een damesfiets, Gazelle Chamonix en was voorzien van een gps-tracker en peilzender. Op 27 juni 2011 om 09.40 uur kreeg verbalisant een signaal via de mail dat de projectfiets werd verplaatst.

Verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] kregen vervolgens de melding dat een verdachte de lokfiets had weggenomen. Verdachte zou wegfietsen vanaf de Zuidsingel in de richting van de Stadsring op een Gazelle damesfiets, voorzien van zwarte fietstassen. Verdachte was de Stadsring overgestoken en zou op de Bisschopsweg rijden. Vervolgens hoorden verbalisanten dat verdachte zou fietsen ter hoogte van de Sint Ansfridusstraat.

Ter hoogte van de Sint Ansfridusstraat zagen verbalisanten verdachte fietsen op een Gazelle damesfiets voorzien van zwarte fietstassen. Verdachte werd op 27 juni 2011 om 09.45 uur aangehouden.

[verbalisant] heeft namens Politie Utrecht aangifte gedaan van diefstal van de damesfiets, merk Gazelle Chamonix, op 27 juni 2011. Op de fiets zaten zwarte fietstassen.

Verdachte verklaarde dat een kennis van hem, genaamd [naam], hem de fiets had aangewezen en hem had gevraagd met hem mee te fietsen. Verdachte heeft daarop de door [naam] aangewezen fiets gepakt en is weggefietst. Verdachte verklaarde dat hij [naam] later weer zou zien.

De rechtbank overweegt dat verdachte ter terechtzitting alleen de naam [naam] heeft genoemd. Verdachte heeft verder geen nadere informatie over [naam] gegeven, waardoor deze persoon niet door de politie kan worden getraceerd.

De rechtbank overweegt voorts dat verdachte binnen vijftien minuten, nadat de projectfiets was weggenomen, door de politie op de fiets is aangetroffen. Het is niet aannemelijk dat binnen een dergelijk kort tijdsbestek de fiets door [naam] is weggenomen, verdachte hem is tegengekomen, verdachte de fiets heeft gepakt en verdachte daarop ook nog een stuk heeft gefietst.

Tot slot overweegt de rechtbank dat de route die verdachte volgens zijn verklaring bij de politie met de fiets heeft afgelegd niet overeen met de route die verdachte volgens het

gps-systeem heeft gefietst.

De rechtbank acht op basis van voornoemde punten de verklaring van verdachte dat hij de fiets niet gestolen heeft, maar voor een vriend had meegenomen, ongeloofwaardig.

De rechtbank acht op grond van voornoemd bewijs bewezen dat verdachte de fiets heeft weggenomen in die zin dat verdachte dit feit alleen heeft gepleegd.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

16/600752-11

1.

Primair

op 23 juli 2011 te [woonplaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een herenfiets merk Gazelle, type Chamonix Excellent, toebehorende aan Politie Utrecht;

2.

Primair

op 2 juli 2011 te [woonplaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een fiets merk Gazelle, type Davos, toebehorende aan [A];

16/600634-11

Primair

op 27 juni 2011 te [woonplaats] met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een fiets merk Gazelle, toebehorende aan Politie Utrecht.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van parketnummer 16/600752-11 feit 1 primair, feit 2 primair en parketnummer 16/600634-11 primair:

Telkens: Diefstal.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 100 dagen waarvan 53 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en met een proeftijd van twee jaar, alsmede verplicht reclasseringstoezicht op de wijze, zoals door de reclassering in haar rapport aangegeven, als bijzondere voorwaarde.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de door de officier van justitie gevorderde straf gelet op de feiten een te hoge straf is. Een langere straf dan de zevenenveertig dagen die verdachte in voorarrest heeft gezeten staat niet in verhouding tot de feiten. De verdediging heeft voorts aangevoerd dat de bijzondere voorwaarden niet aan de orde zijn, omdat verdachte heeft aangegeven dat hij geen hulp nodig heeft.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie fietsendiefstallen. Verdachte heeft twee van de gestolen fietsen vervolgens verkocht. Diefstal van fietsen is een bijzonder ergerlijk feit. Het getuigt van weinig respect voor het eigendom van anderen en zorgt voor de gedupeerden voor (financiële) schade en overlast. De verdachte heeft daar geen rekening mee gehouden, maar kennelijk slechts aan eigen gewin gedacht.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 5 september 2011 volgt dat verdachte eerder voornamelijk is veroordeeld voor diverse vermogensdelicten, waaronder fietsendiefstallen.

De rechtbank houdt rekening met het feit dat verdachte door de politie inmiddels is gelabeld als veelpleger.

Uit het rapport van Centrum Maliebaan van 12 oktober 2011 volgt dat verdachte is opgegroeid in een zeer onveilig klimaat, waardoor verdachte hoogstwaarschijnlijk te kampen heeft met psychische problematiek. Verdachte is verslaafd aan cocaïne en heroïne, waardoor hij delicten pleegt. Verdachte is tot 13 maart 2010 clean geweest, maar sindsdien is hij weer gaan gebruiken. Als verdachte drugs blijft gebruiken is de kans op recidive hoog. Verdachte heeft wel een stabiele thuisbasis bij zijn ouders, hij heeft geen schulden en hij werkt regelmatig via het uitzendbureau. De reclassering ziet daarom voldoende mogelijkheden om verdachte begeleiden. Psychologisch onderzoek wordt noodzakelijk geacht om verdachte adequaat te kunnen begeleiden. Tot op heden heeft verdachte onderzoeken geweigerd, maar in het gesprek met de reclassering heeft hij aangegeven mee te zullen werken aan een psychologisch onderzoek. De reclassering adviseert om verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met een meldingsgebod, deelname aan een gedragsinterventie, een behandelverplichting en andere voorwaarden het gedrag van de veroordeelde betreffende als bijzondere voorwaarden. In het kader van het toezicht zullen er wekelijks urinecontroles plaatsvinden om zicht te houden op het gebruik van verdachte en tevens zal verdachte een Leefstijltraining moeten volgen.

Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij op meerdere manieren heeft geprobeerd om van zijn verslaving af te komen. Dat is hem echter niet gelukt. Verdachte geeft aan dat het hem anderhalf jaar lang was gelukt om geen harddrugs te gebruiken. Volgens verdachte moet hij zijn verslaving een plek geven en moet hij ermee leren leven. Een behandeling helpt hem daarbij niet, aldus verdachte. Door een behandeling zou het alleen maar slechter gaan met hem. Verdachte verklaarde geen hulp van buitenaf nodig te hebben, omdat het van binnenuit moet komen. Ten aanzien van de urinecontroles gaf verdachte aan dat de reclassering wel zijn vrijheid in het oog moet houden en dat hij de ruimte moet krijgen om af en toe een joint te roken. Over de Leefstijltraining merkte verdachte op dat hij zelf wel weet welke leefstijl hij moet volgen.

De rechtbank overweegt dat voor het plegen van drie fietsendiefstallen door een als veelpleger gelabelde verdachte volgens de normen als opgenomen in de rechterlijke oriëntatiepunten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen weken gerechtvaardigd is. De rechtbank ziet in het verhandelde ter zitting geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Gelet hierop zal de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf matigen.

De rechtbank is van oordeel dat een gedeelte van de straf voorwaardelijk moet worden opgelegd om verdachte er in de toekomst van te weerhouden opnieuw (dergelijke) strafbare feiten te plegen. Verdachte heeft zevenenveertig dagen in voorarrest doorgebracht. De rechtbank acht een gevangenisstraf van 63 dagen waarvan 16 dagen voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest geïndiceerd en zij zal deze straf dan ook aan verdachte opleggen.

De rechtbank ziet door de verklaring van verdachte zelf geen aanleiding om begeleiding en behandeling als bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijk strafdeel te koppelen. Verdachte heeft ter zitting immers duidelijk kenbaar gemaakt dat hij zelf zijn leven op orde wil proberen te krijgen en dat hij daarbij geen hulp van buitenaf wil aanvaarden. Verdachte heeft eerder geweigerd om aan onderzoeken mee te werken. Duidelijk is dat verdachte alleen onder zijn eigen voorwaarden begeleiding en behandeling wil aanvaarden. De rechtbank ziet in het opleggen van behandeling en begeleiding dan ook geen toegevoegde waarde.

De rechtbank geeft verdachte wel mee dat als hij opnieuw strafbare feiten pleegt hij het reële risico loopt dat (een vordering) tot oplegging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders nadrukkelijk in beeld komt.

7 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter te Utrecht van 16 juni 2010, zal worden afgewezen nu geen sprake is van gelijksoortige feiten.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de feiten, waarvoor verdachte door de politierechter op 16 juni 2010 is veroordeeld, andersoortige feiten zijn dan de bij dit vonnis bewezen verklaarde feiten. De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging daarom afwijzen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 310 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Parketnummer 16/600752-11 feit 1 primair, feit 2 primair en parketnummer 16/600634-11 primair:

Telkens: Diefstal;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 63 dagen, waarvan 16 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Vordering tenuitvoerlegging

- wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Crouwel, voorzitter, mr. M.C. Oostendorp en

mr. A. Kuijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.F. van Dam, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 28 oktober 2011.

Mr. Oostendorp is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.