Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU4058

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-10-2011
Datum publicatie
11-11-2011
Zaaknummer
16/440914-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit een hennepkwekerij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/440914-11

vonnis van de rechtbank d.d. 21 oktober 2011

in de ontnemingszaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats], op [1978]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsvrouw mr. C.H. Dijkstra, advocaat te Amersfoort.

1 De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

- de vordering, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;

- het strafdossier onder parketnummer 16/440914-11 waaruit blijkt dat verdachte op

21 oktober 2011 door de rechtbank is veroordeeld ter zake van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en ter zake van diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, tot de in die uitspraak vermelde straf;

- het proces-verbaal van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

- de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting;

- de overige stukken.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is de officier van justitie gehoord. Tevens is de verdachte gehoord, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. C.H. Dijkstra, advocaat te Amersfoort.

2 De beoordeling

2.1 De vordering van de officier van justitie

De vordering van de officier van justitie strekt tot het aan de veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van € 99.058,86. Daarbij is de officier van justitie uitgegaan van drie oogsten.

2.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair aangevoerd dat de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden afgewezen, omdat op basis van de inhoud van het dossier niet gezegd kan worden dat sprake is geweest van drie voltooide oogsten en veroordeelde dus geen voordeel heeft genoten van de hennepkwekerij.

Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de officier van justitie bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is uitgegaan van onjuiste posten. Deze posten zullen bij het oordeel van de rechtbank nader worden besproken.

Meer subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de vordering van de officier van justitie moet worden afgewezen wegens gebrek aan draagkracht bij de veroordeelde.

2.3 Het oordeel van de rechtbank

Dat veroordeelde het bewezenverklaarde heeft begaan blijkt uit de bewijsmiddelen, zoals vermeld in het vonnis in de hoofdzaak van 21 oktober 2011. De rechtbank ontleent aan de inhoud van de in de strafzaak genoemde bewijsmiddelen het oordeel dat de veroordeelde door middel van het begaan van bovengenoemde feiten een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft gehad.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de door de officier van justitie gehanteerde berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel op zeven punten onjuist is:

1- de raadsvrouw stelt dat de officier van justitie ten onrechte uitgaat van drie eerdere oogsten. Gelet op de verklaring van veroordeelde dat hij alle spullen voor de kwekerij tweedehands op Marktplaats heeft gekocht is onvoldoende onderbouwd weergegeven waarom er sprake zou zijn geweest van drie voltooide oogsten;

2- de raadsvrouw stelt dat de officier van justitie ten onrechte uitgaat van 419 hennepplanten. Veroordeelde verklaart dat hij 400 hennepplanten had staan. Daarom moet van 400 hennepplanten in de berekening worden uitgegaan;

3- de raadsvrouw stelt dat de officier van justitie ten onrechte uitgaat van een opbrengst van 28,2 gram per plant, omdat er te weinig bekend is om van een dergelijke hoge opbrengst uit te kunnen gaan, zoals het niet bekend zijn van het aantal planten per m2. De raadsvrouw stelt onder overlegging van een rapport inzake de standaardberekening van wederrechtelijk verkregen voordeel van de heer [X] en een uitspraak van de Hoge Raad van 3 februari 2009 dat hooguit van een opbrengst van 21,9 gram per plant mag worden uitgegaan;

4- de raadsvrouw stelt dat de officier van justitie ten onrechte uitgaat van een verkoopprijs van € 3,00 per gram hennep. Zowel uit het rapport van BOOM als uit jurisprudentie van de rechtbank Utrecht blijkt dat een bedrag van € 2,37 per gram gehanteerd dient te worden;

5- de raadsvrouw stelt dat de officier van justitie ten onrechte slechts een gedeelte van de totale afschrijvingskosten in mindering brengt. Nu alle apparatuur uit de kwekerij in beslag is genomen moet het gehele aanschafbedrag worden afgeschreven, aldus de raadsvrouw;

6- de raadsvrouw stelt dat de officier van justitie de huurkosten ten onrechte buiten de berekening heeft gehouden, nu veroordeelde ten tijde van de inval door de politie niet in de woning woonde en veroordeelde uit de woning is vertrokken op het moment dat hij de hennepkwekerij startte;

7- de raadsvrouw stelt ten slotte dat de energiekosten ten onrechte niet zijn meegenomen in de berekening door de officier van justitie, omdat de niet betaalde rekening door veroordeelde direct te maken heeft met het ontbreken van draagkracht.

De rechtbank zal ingaan op de door de verdediging naar voren gebrachte punten en daarbij aangeven welke uitgangspunten bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel naar haar oordeel dienen te worden gehanteerd.

1- rapporteur Van Verseveld is blijkens de door hem opgemaakte rapportage ten aanzien van de diefstal van elektriciteit ervan uitgegaan dat verdachte drie keer eerder heeft geoogst. Van Verseveld komt tot die conclusie op basis van de dikke stoflaag op de kappen van de assimilatielampen, de mate van vervuiling van het witte filtermateriaal, de droge afvalbladeren en de droge resten van hennepplanten op de vloer welke niet afkomstig waren van de aangetroffen planten, de dikke kalkaanslag op de vloer en de dikke kalkaanslag op de zijkant van het watervat.

Deze door Van Verseveld genoemde omstandigheden duiden er naar het oordeel van de rechtbank op dat verdachte in ieder geval één keer heeft geoogst. De rechtbank leidt dit voornamelijk af uit de op de vloer aangetroffen droge afvalbladeren en droge resten van hennepplanten. Deze resten kunnen niet afkomstig zijn geweest van de aangetroffen hennepplanten. Verdachte ontkent dat hij eerder heeft geoogst en hij gaf als verklaring voor de aangetroffen droge afvalbladeren en resten van hennepplanten dat hij het zeil dat op de vloer lag tweedehands had aangeschaft en dat de afvalbladeren en resten al op het zeil hebben gelegen toen hij het zeil kocht. Verdachte heeft deze verklaring echter niet aannemelijk gemaakt en hij heeft de rechtbank ook geen aanknopingspunten gegeven voor nader onderzoek op dit punt. Van Verseveld heeft niet expliciet aangegeven waarom hij tot de conclusie is gekomen dat verdachte drie keer eerder zou hebben geoogst. De conclusie van Van Verseveld is op dit punt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De rechtbank kan daarom niet met voldoende mate van aannemelijkheid vaststellen dat sprake is geweest van meer dan één voltooide oogst en zij zal bij de berekening dus één oogst als uitgangspunt nemen;

2- in het proces-verbaal van bevindingen van 19 augustus 2010 wordt door de verbalisant gerelateerd dat er in totaal 419 hennepplanten zijn geteld. De rechtbank ziet niet in waarom bij een eerdere oogst veroordeelde minder hennepplanten zou hebben neergezet. Het gaat immers om het maken van zoveel mogelijk winst. De rechtbank stelt daarom vast dat er eerder in totaal in ieder geval 419 hennepplanten zijn geoogst en neemt dit aantal als uitgangspunt;

3- de rechtbank overweegt dat de door de raadsvrouw overgelegde rapportage en uitspraak van de Hoge Raad ten aanzien van de opbrengst per gram hennep inmiddels zijn verouderd. De rechtbank ziet in hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd geen aanleiding om van de inhoud van de per 1 november 2010 geactualiseerde standaardberekening hennepkwekerijen, behorende bij het rapport “Standaardberekening wederrechtelijk verkregen voordeel bij hennepkwekerijen”, op 14 april 2005 opgesteld door BOOM, af te wijken. De rechtbank stelt de opbrengst dan ook vast op 28,2 gram per plant;

4- de rechtbank stelt, bij gebrek aan een verklaring van verdachte, de gemiddelde verkoopprijs per gram hennep vast op € 3,28 conform de per 1 november 2010 geactualiseerde standaardberekening hennepkwekerijen, behorende bij het rapport “Standaardberekening wederrechtelijk verkregen voordeel bij hennepkwekerijen, opgesteld op 14 april 2005 door BOOM. De rechtbank ziet geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken;

5- de rechtbank overweegt dat, gelet op de verklaring van veroordeelde dat hij € 3.000,00 voor de apparatuur heeft betaald en gelet op het feit dat sprake is geweest van 419 hennepplanten, er geen aanleiding is om af te wijken van het berekende bedrag voor de afschrijving van € 144,23 volgens de standaardnormen. De rechtbank zal dit bedrag dan ook als uitgangspunt meenemen in de berekening. De omstandigheid dat de apparatuur in beslag is genomen maakt dit niet anders, nu het daarmee gemoeide vermogensverlies niet is aan te merken als kosten gemaakt ten behoeve van de hennepoogst, maar een gevolg is van de ontdekking van de hennepplantage.

6- de rechtbank overweegt dat uit de verklaring van veroordeelde volgt dat de woning waarin de hennepkwekerij werd aangetroffen ook als woning te gebruiken was en ook als zodanig in gebruik was gedurende de periode dat de hennepkwekerij in de woning aanwezig was. De rechtbank is daarom van oordeel dat de huurkosten terecht door de officier van justitie buiten beschouwing zijn gelaten. De rechtbank zal de huurkosten dan ook niet in de berekening meenemen;

7- de rechtbank stelt vast dat niet gebleken is dat veroordeelde het schadebedrag aan Eneco Energie heeft betaald. De kosten van het stroomverbruik ten behoeve van de hennepkwekerij zijn daarom terecht niet in mindering gebracht.

Voor het overige neemt de rechtbank de uitgangspunten bij de berekening uit het proces-verbaal over en maakt deze tot de hare. Deze uitgangspunten acht de rechtbank voldoende onderbouwd en deze zijn door de verdediging niet betwist.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot de volgende uitgangspunten en berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten aanzien van één oogst:

Uitgangspunten ten aanzien van de opbrengst:

Aantal planten: 419

Opbrengst per plant: 28,2 gram

Verkoopprijs per gram: € 3,28

Totaal bruto wederrechtelijk verkregen voordeel:

419 x 28,2 gram x 3,28 = € 38.755,83

Uitgangspunten ten aanzien van de kosten:

Afschrijving: € 144,23

Inkoopprijs stekje: € 3,00 (x 419 planten) = € 1.257,00

Bodem, water en voeding: € 2,45 (x 419 planten) = € 1.026,55

Totale kosten:

€ 144,23 + € 1.257,00 + € 1.026,55 = € 2.427,78

Op grond van het bovenstaande stelt de rechtbank het netto wederrechtelijk verkregen voordeel vast op een bedrag van:

Bruto opbrengst: € 38.755,83

Kosten: € 2.427,78 -

______________________________

Netto: € 36.328,05

Het verweer van de veroordeelde dat gelet op zijn financiële draagkracht het bedrag op nihil dient te worden gesteld wordt verworpen. Niet aannemelijk is geworden dat de veroordeelde naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet in staat zal zijn aan zijn betalingsverplichting te voldoen.

3 De beslissing.

De rechtbank stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 36.328,05.

Zij legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 36.328,05, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Zij wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.M. Crouwel, voorzitter, mr. A. Kuijer en

mr. M.A.A.T. Engbers, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. K.F. van Dam en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 21 oktober 2011.