Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU3960

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
31-10-2011
Datum publicatie
10-11-2011
Zaaknummer
16-600589-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Winkeldiefstal met geweld en mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600589-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 31 oktober 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1975] te [geboorteplaats] (Kaapverdië)

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland

gedetineerd voor deze zaak te Nieuwegein, PI – Utrecht HvB locatie Nieuwegein raadsvrouw mr. S.M.J. van der Ven, advocaat te Amersfoort

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 17 oktober 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1:

Op 16 juni 2011 te Amersfoort een diefstal heeft gepleegd waarbij geweld is gebruikt en/of gedreigd is met geweld tegen [aangever 1] en/of [aangever 2];

Feit 2:

Op 16 juni 2011 te Amersfoort [aangever 2] heeft mishandeld.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk in haar vervolging en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte beide feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangiftes en de verklaring van een getuige.

4.2. Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft ontkend het ten laste gelegde feit te hebben gepleegd.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht beide feiten wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank heeft zich bij zijn oordeel gebaseerd op de navolgende feiten en omstandigheden die uit wettelijke bewijsmiddelen blijken.

Aangever [aangever 2] bevond zich op 16 juni 2011 rond 20.00 uur in de winkel van [bedrijf 1] te Amersfoort en hoorde dat een caissière aan een man vroeg of zij in de tas van de man mocht kijken. De man voldeed niet aan het verzoek en liep de winkel uit. Aangever liep achter de man aan, de winkel uit. Terwijl aangever tegen de man zei dat, als hij niets gedaan had, hij toch in zijn tas kon laten kijken, liep de man in de richting van aangever en gaf aangever met gebalde vuist een slag tegen zijn lippen/mondhoek. Aangever voelde direct pijn. Vervolgens liep aangever weer in de richting van de winkel, waarbij de man achter hem aan liep en op een bedreigende manier tegen hem riep: “Ik weet jou te vinden”. Aangever bleef in de deuropening van de winkel staan en zag dat het winkelpersoneel met de man sprak, waarbij de man agressief en dreigend overkwam. De man liep met het winkelpersoneel mee de winkel in en terwijl hij aangever passeerde, gaf hij hem opnieuw een vuistslag in zijn gezicht. De man raakte hierbij aangevers oog, waardoor hij direct hevige pijnscheuten voelde. Daarna duwde de man het winkelpersoneel aan de kant en verliet de winkel. Aangever zag nog dat de man ook een vrouwelijke medewerkster van de winkel sloeg. De man heeft als signalement:

Donkere man, kort zwart haar, lengte ongeveer 1.90 meter of langer. De man had een rugzak met een camouflageprint bij zich.

Aangever [aangever 2] heeft zich onder doktersbehandeling laten stellen en uit de medische gegevens blijkt dat hij een zwelling had rond zijn oog, wenkbrauw en bovenste ooglid. Ook zijn bovenlip was licht gezwollen.

Aangeefster [aangever 1] was op 16 juni 2011 omstreeks 20.00 uur werkzaam bij de winkel [bedrijf 1] te Amersfoort. Zij hoorde dat een man met een tas van [bedrijf 1] langs de kassa was gelopen en niet wilde meewerken aan een tascontrole. Ze zag de man op het terrein van de winkel lopen. Zij liep in de richting van het karrenhok en zag daar een tas van [bedrijf 1] staan. In die tas zaten allerlei levensmiddelen, welke afkomstig waren uit de winkel, met een totaalwaarde van € 45,37. Ze liep met de tas terug naar de ingang en zag dat de man ook naar de ingang van de winkel liep. Ze zag dat de man een klant opzettelijk en met kracht in zijn gezicht sloeg. Aangeefster zei tegen de man dat hij mee moest lopen, waarna de man zich omdraaide en haar, opzettelijk en met kracht, met de vlakke hand in haar gezicht sloeg. Ze voelde direct pijn aan haar wang. De man zag er als volgt uit: negroïde persoon, opgeschoren donker haar met krulletjes, crèmekleurige jas. Hij had een rugzak met camouflagemotief bij zich.

Getuige [getuige] was op 16 juni 2011 werkzaam achter de servicebalie in de winkel van [bedrijf 1] te Amersfoort. Ze zag en hoorde dat een caissière een mannelijke klant aansprak die een [bedrijf 1] tas bij zich had waarin voorwerpen zaten, maar de kassa passeerde zonder goederen te betalen. Ze zag dat de man naar de uitgang liep. Getuige liep naar de man toe vroeg hem meerdere malen om te blijven staan en haar de mogelijkheid te geven in zijn tas te kijken. De man weigerde dit echter en liep de winkel uit. Buiten werd de man aangesproken door een collega, samen met een klant. Getuige zag even later dat die klant zonder aanleiding een vuistslag in het gezicht kreeg van de man. De man had een getinte huidskleur, een gezet postuur en droeg een groene legertas op zijn rug.

Hoofdagenten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] kregen op 16 juni 2011 rond 20.00 uur de melding te gaan naar de winkel van [bedrijf 1] aan de [adres] te Amersfoort. Daar zou een persoon zijn mishandeld en door een getinte man met opgeschoren haar en een gezet postuur. Hij droeg een beige jas en had een rugzak bij zich met een camouflageprint. De man was weggelopen in de richting van de [adres]. De verbalisanten zijn de omgeving van de winkel gaan zoeken en zagen in een eetcafé aan de [adres] een man zitten die aan het opgegeven signalement voldeed. De [adres] bevindt zich in de onmiddellijke omgeving van de winkel van [bedrijf 1]. De verbalisanten zagen dat de man een beige jas droeg, een gezet postuur en opgeschoren haar had. De man had ook een rugzak met camouflageprint bij zich. Verbalisanten hebben de man aangehouden. De man is overgebracht naar het politiebureau, waar bleek dat de man is genaamd:

Naam: [verdachte]

Voornaam: [verdachte]

Geboren: [1975] te [geboorteplaats].

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 16 juni 2011 te Amersfoort, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid levensmiddelen (totaalwaarde 45,37 euro), toebehorende aan [bedrijf 1], welke diefstal werd gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [aangever 1] en/of [aangever 2], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, -die [aangever 1] in haar gezicht heeft geslagen en -die [aangever 2] tegen zijn lip/mondhoek heeft geslagen en tegen die [aangever 2] heeft gezegd dat hij, verdachte, hem weet te vinden;

2.

op 16 juni 2011 te Amersfoort, opzettelijk mishandelend [aangever 2] tegen zijn oog, heeft geslagen, waardoor voornoemde [aangever 2] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1:

diefstal gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad de vlucht mogelijk te maken;

Feit 2:

Mishandeling

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is bezocht door drs. J. Heerschop, psycholoog, met de bedoeling omtrent hem een psychologische rapportage op te maken. Blijkens de door drs. Heerschop opgemaakte rapportage heeft verdachte echter geweigerd mee te werken aan het onderzoek. Verdachte gaf aan dat hij niets met de hele zaak te maken wilde hebben en onterecht vast te zitten. Hij had niets te vertellen en wist nergens van. De deskundige heeft dan ook geen onderbouwd standpunt in kunnen nemen over de psychische gesteldheid van verdachte en de invloed hiervan op de bewezen verklaarde feiten. Op basis van haar observaties van verdachte is ze van mening dat geen sprake is van een psychotische stoornis. Wel lijkt verdachte op een laag intelligentieniveau te functioneren. Door de weigering van verdachte mee te werken aan het testpsychologisch onderzoek, is het precieze niveau van de intelligentie niet vast te stellen.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte strafbaar is, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dat inhoudt meewerken aan een behandeling.

6.2. Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is verzocht een onvoorwaardelijk gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest en tevens voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft in een supermarkt een tas volgeladen met boodschappen en is vervolgens langs de kassa gelopen zonder te betalen. Toen hij hierop werd aangesproken door het winkelpersoneel, weigerde hij in de tas te laten kijken en liep hij de winkel uit. Een aanwezige klant liep hem achterna en probeerde hem te overreden alsnog mee te werken. Verdachte gaf hierop die klant een vuistslag in het gezicht. Daarna sloeg hij ook een winkelmedewerkster in haar gezicht en gaf hij die klant, tijdens het passeren, geheel onverwachts nogmaals een vuistslag; deze keer tegen zijn oog.

Winkeldiefstallen brengen het winkelbedrijf schade toe, maar ook de consument op wie de kosten uiteindelijk worden afgewenteld. Geweld tegen medewerkers of klanten van de winkel, die tegen dergelijke feiten optreden en daders trachten aan te houden, maken het feit veel ernstiger.

Verdachte heeft op geen enkel moment blijk gegeven spijt te hebben van de diefstal en het door hem gebruikte geweld.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte houdt de rechtbank rekening met het strafblad van verdachte van 5 september 2011, waaruit blijkt dat hij meerdere malen is veroordeeld voor winkeldiefstal met geweld. Hij heeft hierbij (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd gekregen en ook deels voorwaardelijke gevangenisstraffen. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf is een aantal malen als bijzondere voorwaarde toegevoegd dat verdachte zich diende te houden aan de aanwijzingen van een hulpverleningsinstantie. Deze voorwaardelijke opgelegde straffen zijn echter allemaal ten uitvoer gelegd omdat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegde.

In het reclasseringsrapport van 5 augustus 2011, opgemaakt door B. Westra, wordt ten aanzien van deze reclasseringsbegeleiding opgemerkt dat het nooit tot een serieus traject is gekomen, omdat verdachte steeds wisselende verblijfplaatsen had of omdat verdachte weigerde om de overeenkomst van het toezicht te tekenen. Om meer grip te krijgen op de persoon van verdachte en een basis te creëren voor een hulpverleningstraject wordt geadviseerd een NIFP-rapportage omtrent verdachte te laten opmaken. De reclassering schat het recidiverisico hoog in en acht toezicht en directe interventies/behandelingen niet geïndiceerd.

Zoals hiervoor onder 5.2 is opgemerkt heeft verdachte evenwel niet willen meewerken aan de totstandkoming van een psychologisch rapport.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding opnieuw, zoals door de officier van justitie gevorderd, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Verdachte heeft op geen enkele wijze laten blijken ditmaal wel open te staan voor reclasseringsbegeleiding en heeft op de terechtzitting verklaard in het geheel geen problemen te ervaren en ook geen hulpverlening nodig te hebben. Deze houding laat aan de rechtbank geen andere mogelijkheid dan verdachte een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstaf van na te melden duur op te leggen. Dat deze onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer zal zijn dan door de officier van justitie is gevorderd, is gelegen in de houding van verdachte, het strafblad van verdachte en het feit dat alle eerder opgelegde voorwaardelijke straffen nadien zijn ten uitvoer gelegd.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever 2] vordert een schadevergoeding van € 1.282,80 voor beide feiten.

De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat deze vordering dient te worden toegewezen.

Van de zijde van de verdediging is betoogd dat de kosten voor de boottocht van 17 juni 2011 niet kunnen worden toegewezen. Deze schade, € 978,80 totaal, is volgens de verdediging niet rechtstreeks veroorzaakt door het gepleegde strafbare feit.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade een rechtstreeks gevolg is van deze bewezen verklaarde feiten en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Benadeelde heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij door het letsel zijn werk als schipper op de dag na de bewezen verklaarde feiten niet kon verrichten en een vervanger diende in te huren. Deze boottocht was lang van tevoren gepland en de gasten waren uitgenodigd. Om die reden kon de tocht niet meer geannuleerd/verzet worden.

Ook de immateriële schade is een rechtstreeks gevolg van de bewezen verklaarde feiten en ook daarvoor is verdachte aansprakelijk.

Het gevorderde is in zijn geheel voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 57, 300 en 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: diefstal gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met

het oogmerk om bij betrapping op heterdaad de vlucht mogelijk te maken;

Feit 2: mishandeling

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 2] van € 1.282,80. waarvan € 1.002,80 ter zake van materiële schade en € 280,- ter zake van immateriële schade, en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 16 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 2], € 1.282,80 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 22 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Maanen, voorzitter, mr. R.P. den Otter en mr. C.S.K. Fung Fen Chung, rechters, in tegenwoordigheid van D.G.W. van de Haar-Kleijer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 31 oktober 2011.