Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU3789

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-10-2011
Datum publicatie
09-11-2011
Zaaknummer
729613 UC EXPL 10-21876 H/4087
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vakantiedagenregeling; verplichting om bij CAO vakantiedagen op te nemen

Het geschil heeft, onder meer, betrekking op de vraag of bij CAO kan worden overeengekomen dat een werknemer in het kader van een bedrijfssluiting verplicht kan worden zijn totale vakantiedagentegoed op te nemen. In onderhavog vonnis is bepaald dat een dergelijke verplichting in strijd is met de bedoeling van de wetgever. De mogelijkheid om verplicht vakantiedagen op te nemen, voor zo ver het bedrijfsbelang dit vereist, ziet blijkens de parlementaire geschiedenis primair op een tijdelijke of seizoensgebonden sluiting van de onderneming. CAO-partijen kunnen in hun regeling niet verder gaan dan een verplichte opname van vakantiedagen voor een bepaalde, tijdelijke periode in verband met organisatorische redenen. Het sluiten van een onderneming valt hier nadrukkelijk niet onder.

Artikelen: 7:638 lid 2 BW en 7:645 BW

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Burgerlijk Wetboek Boek 7 634
Burgerlijk Wetboek Boek 7 635
Burgerlijk Wetboek Boek 7 636
Burgerlijk Wetboek Boek 7 637
Burgerlijk Wetboek Boek 7 638
Burgerlijk Wetboek Boek 7 639
Burgerlijk Wetboek Boek 7 640
Burgerlijk Wetboek Boek 7 641
Burgerlijk Wetboek Boek 7 642
Burgerlijk Wetboek Boek 7 643
Burgerlijk Wetboek Boek 7 645
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0918
Prg. 2012/9
JAR 2011/307
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

sector handel en kanton

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 729613 UC EXPL 10-21876 H/4087

vonnis d.d. 12 oktober 2011

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiser],

eisende partij,

gemachtigde: mr. P.P.M. Wijnands,

tegen:

de naamloze vennootschap

Cofely Nederland N.V.,

gevestigd te Bunnik,

verder ook te noemen Cofely,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. A.C. Siemons.

1. Het verloop van de procedure

De kantonrechter verwijst naar het tussenvonnis van 13 april 2011.

Partijen hebben voorafgaand aan de comparitie nog stukken in het geding gebracht.

De comparitie is gehouden op 27 mei 2011. Daarvan is verkort proces-verbaal opgemaakt. Ter zitting heeft [eiser] zijn vordering met betrekking tot het verstrekken van de netto-bruto-specificatie laten vallen.

Cofely heeft, zoals besproken tijdens de zitting en met instemming van [eiser], na de comparitie nog een aantal producties in het geding gebracht.

Hierna is uitspraak bepaald.

2. De vaststaande feiten

2.1. [eiser] is op 1 november 2007 in dienst getreden bij Cofely als Manager Scourcing, Logistiek/Magazijn en QHSE en verrichtte werkzaamheden bij een dochteronderneming van Cofely, te weten Cofely Services B.V., verder ook te noemen Cofely Services. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Metaal en Techniek van toepassing.

2.2. In het arbeidscontract waarin de arbeidsovereenkomst tussen partijen is vastgelegd, is in artikel 14.1 opgenomen dat de zogenoemde PMO-regeling van toepassing is. De uitkering op basis van deze regeling varieert van 0% - 35% van het vaste bruto jaarsalaris (inclusief vakantiegeld), gerelateerd aan de mate waarin bepaalde doelstellingen bereikt zijn.

2.3. Op 13 juli 2009 hebben partijen een Performance Management Overeenkomst getekend. In deze overeenkomst zijn voor 2009 de volgende doelstellingen opgenomen:

1. Stabiliteit en upgrading 2de lijn binnen operations support zodanig dat clusterdoelstelling wordt gerealiseerd.

2. Vermindering van SG&A tot onder de 7 mio. Conform toedeling 2010.

3. Inrichten bestelstroom voor in en overleg met de clusterorganisatie.

4. Realiseren inkoopbonus voor 2009 550 K.

5. HSEQ hoofdprocessen vastgelegd, aansluitend op IMPACT."

2.4. In de PMO-regeling gedateerd 1 september 2009 is bepaald dat in het geval de EBIT van de werkmaatschappij onder 50% van de target uitkomt, de formele PMO-regeling niet meer van toepassing is en alle PMO-uitkeringen voor de betreffende werkmaatschappij ter discretie van de directie van Cofely NV zijn. Deze bepaling geldt niet alleen voor het financieel gerelateerde deel, maar voor alle PMO-componenten.

2.5. Op 22 maart 2010 heeft de heer [directeur], algemeen directeur van Cofely Services, een brief aan [eiser] gestuurd, met de volgende, voor deze procedure relevante, passages: "Dit [=afspraken met bonus- en PMO-gerechtigden] is onder de voorwaarde van het behalen van het jaarplan door Cofely Services organisatie als geheel geweest. Zoals jullie weten heeft Cofely Services zowel omzet (-/- 11 % t.o.v. plan) als resultaat (zeer negatief na berekening) niet gehaald. (...)"

2.6. Cofely en Cofely Services zijn met FNV Bondgenoten, CNV Vakmensen en De Unie een sociaal plan voor de periode 15 juni 2010 tot en met 15 juni 2011 overeengekomen, verder ook te noemen het Sociaal Plan. Het Sociaal Plan is aangemeld als CAO. In artikel 4.4. sub C van het Sociaal Plan is bepaald:

"Indien de werknemer (...) de beëindigingsovereenkomst vervolgens niet voor 1 juli 2010 ondertekend retourneert, zal Cofely op 2 juli 2010 een ontbindingsverzoek indienen bij de bevoegde kantonrechter om de arbeidsovereenkomst te ontbinden met toepassing van onderhavig Sociaal Plan. Over de periode na 1 juli tot het einde van de arbeidsovereenkomst worden alle in die periode opgebouwde verlofrechten als zijnde opgenomen beschouwd. Tevens zal de periode van 1 juli tot het einde van de arbeidsovereenkomst ten laste komen van het verlofsaldo (vakantie-uren, ADV-uren, tijd voor tijd uren en senioren-uren)."

2.7. Op 18 juni 2010 maakt [eiser] bij Cofely bezwaar tegen de toepassing van het in het Sociaal Plan opgenomen afspiegelingsbeginsel.

2.8. Bij brief van 2 juli 2010 wendt de gemachtigde van [eiser] zich tot de heer [A] van CNV voor een toetsing van het door Cofely toegepaste en in het Sociaal Plan opgenomen afspiegelingsbeginsel.

2.9. Bij beschikking van 16 september 2010 van de kantonrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, locatie Alphen aan de Rijn is de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 oktober 2010 en onder toekenning van een vergoeding van € 108.087,00 bruto ontbonden.

2.10. In december 2010 is een getuigschrift verstrekt. Op dit getuigschrift staan vermeld de datum in- en uitdiensttreding, de functie en de aard van de werkzaamheden. Voorts is vermeld dat deze werkzaamheden naar tevredenheid zijn verricht en dat het dienstverband wegens bedrijfseconomische redenen beëindigd is.

3. Het geschil tussen partijen

3.1. [eiser] vordert na wijziging van eis, voor zo ver mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van Cofely tot: (i) betaling van een geldsom € 9.007,93 ter zake bonus over 2009 te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf 19 november 2010 tot de algehele voldoening; (ii) betaling van een bedrag van € 20.935,91 bruto ter zake uitbetaling van niet-genoten vakantiedagen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2010 tot aan de dag der algehele voldoening; (iii) betaling van de wettelijke verhoging over voornoemde bedragen; (iv) verstrekking van een getuigschrift ex artikel 7:656 lid 1 en 2 BW zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag; (v) betaling van de buitengerechtelijke incassokosten; en (vi) met veroordeling van Cofely in de proceskosten.

3.2. Op hetgeen [eiser] ter onderbouwing van zijn vordering en hetgeen Cofely als verweer heeft aangevoerd, wordt hierna nog teruggekomen.

4. De beoordeling

Bonus 2009

4.1. [eiser] heeft ter onderbouwing van het onderdeel van de vordering dat betrekking heeft op de bonus over 2009 aangevoerd dat hij, ondanks de omstandigheid dat Cofely Nederland verliesgevend was, toch aanspraak heeft op een bonus gelijk aan één maandsalaris inclusief vakantiebijslag. Verkort weergegeven voert [eiser] aan dat hij over 2009 zeer goed gefunctioneerd heeft en alle voor hem geldende doelstellingen heeft gerealiseerd. Voorts voert [eiser] aan dat andere functionarissen in een vergelijkbare positie wel een bonus over 2009 hebben ontvangen. Ten slotte, zo stelt [eiser], lag de brief waarmee de bonus zou worden toegekend reeds voor uitreiking gereed. Cofely heeft echter hiervan afgezien toen zij besloten heeft tot een reorganisatie over te gaan en het dienstverband met [eiser] te beëindigen. [eiser] acht voorgaande werkwijze in strijd met goed werkgeverschap.

4.2. Cofely stelt hier tegenover dat niet aan de voorwaarde voor de toekenning van een bonus is voldaan nu in de toepasselijke PMO-regeling is bepaald dat bij een EBIT van minder dan 50% van de jaardoelstelling de PMO-regeling niet van toepassing is en de toekenning van bonussen naar discretie van de directie is. Voorts wordt betwist dat functionarissen in een vergelijkbare positie als [eiser] een bonus hebben ontvangen. Slechts aan mevrouw [B] is, wegens bijzondere persoonlijke verdiensten, een bonus uitgekeerd. Ook wordt door Cofely betwist dat de bonusbrief voor uitreiking gereed lag.

4.3. Tussen partijen staat vast dat Cofely Services in 2009 een verlies heeft geleden en dat dientengevolge, zoals bepaald is in de PMO-regeling, de formele PMO-regeling niet van toepassing is en de uitkering van de bonussen naar discretie van de directie van Cofely geschiedt. De stelling van [eiser] ter zitting dat in de boekhouding een bedrag van

€ 800.000,00 is "zoekgeraakt" en dat in het geval dit bedrag wel bij het resultaat betrokken zou zijn Cofely Services over 2009 een positief resultaat zou hebben geboekt, laat de kantonrechter ter zijde nu [eiser] deze stelling op geen enkele wijze onderbouwd heeft.

4.4. De kantonrechter overweegt dat voor de beoordeling van onderhavig geschil niet van belang is of [eiser] zijn persoonlijke doelstellingen uit de performance management overeenkomst heeft bereikt. Immers, in de PMO-regeling is expliciet bepaald dat bij een EBIT van minder dan 50% van de jaardoelstelling de PMO-regeling niet van toepassing is en de toekenning van bonussen naar discretie van de directie geschiedt. Dit houdt in dat Cofely bij haar beslissing over de toekenning van bonussen niet gebonden is aan eerder gemaakte afspraken en prestatie-indicatoren. Voorts is niet relevant of de bonusbrief al dan niet voor verzending gereed lag, nu eventuele aanspraken op een bonus - althans het opgewekte vertrouwen daartoe - pas ontstaan nadat een werkgever hiervoor een expliciete mededeling heeft gedaan. Nu [eiser] geen bonusbrief ontvangen heeft en ook niet gebleken is dat Cofely aan [eiser] een expliciete mededeling gedaan heeft over de toekenning van een bonus, wordt de stelling van [eiser] hierover terzijde gelaten.

4.5. Voor de vraag of Cofely bij de uitoefening van haar discretionaire bevoegdheid in strijd gehandeld heeft met de op haar rustende verplichtingen van goed werkgeverschap, overweegt de kantonrechter het volgende. Van een goed werkgever mag worden verwacht dat zij bij de gebruikmaking van haar discretionaire bevoegdheid tot het toekennen van bonussen het gelijkheidsbeginsel in acht neemt. [eiser] dient te stellen en zo nodig te bewijzen dat Cofely in strijd met deze verplichting heeft gehandeld. Uit de stelling dat twee werknemers in een vergelijkbare functie (mevrouw [B] en de heer [directeur]) wel een bonus hebben ontvangen, kan, wat hier verder ook van zij, zonder bijkomende feiten en omstandigheden niet volgen dat Cofely het gelijkheidsbeginsel geschonden heeft. Voorts heeft [eiser] onvoldoende onderbouwing gegeven aan zijn stelling in welke mate de functie en de prestaties van hemzelf en die van mevrouw [B] en de heer [directeur] vergelijkbaar zijn.

4.6. Het onderdeel van de vordering dat betrekking heeft op de bonusuitkering wordt dan ook afgewezen.

Uitbetalen vakantiedagen

4.7. [eiser] stelt zich op het standpunt dat hij per einde dienstverband beschikte

over een tegoed van 251 niet-genoten vakantie- en verlofuren. Deze uren vertegenwoordigen een waarde van € 20.953,91 bruto. [eiser] betwist dat de bepaling in het Sociaal Plan met betrekking tot het opnemen van vakantie-uren kan worden beschouwd als een rechtsgeldige afwijking van artikel 7:638 BW en 7:641 BW. De regeling kan, zo stelt [eiser], niet worden beschouwd als een vakantieregeling maar heeft het karakter van een kostenbesparing. Ook is de ondernemingsraad van Cofely niet om advies gevraagd. Nu van voornoemde wetsartikelen niet ten nadele van de werknemer kan worden afgeweken, is het Sociaal Plan nietig. De omstandigheid dat het Sociaal Plan de status heeft van een CAO maakt dit niet anders, nu het verbod om niet ten nadele van een werknemer af te wijken ook geldt voor de CAO-partijen.

4.8. Cofely bestrijdt dat het Sociaal Plan nietig is en stelt dat artikel 7:638 lid 2 BW het voor een werkgever mogelijk maakt bij CAO te voorzien in de vakantiedagen. Deze bepaling, zo blijkt uit de parlementaire geschiedenis, moet niet restrictief worden uitgelegd. De regeling met betrekking tot het opnemen van vakantiedagen is in overeenstemming met artikel 7:638 lid 2 BW. Het betreft geen regeling in de zin van de WOR. Van een strijd met artikel 7:641 BW is evenmin sprake, nu, primair, op de datum van het einde van het dienstverband alle vakantiedagen opgenomen waren. Subsidiair stelt Cofely zich op het standpunt dat in het geval [eiser] nog wel aanspraak heeft op vakantiedagen, er sprake is van een package deal waarin alle gevolgen van de beëindiging zijn vastgelegd. Bij de beoordeling of er sprake is van nietigheid dient in zo'n geval de gehele overeenkomst te worden bezien. Ten slotte stelt Cofely zich op het standpunt dat, uitgaande van de regeling in de CAO, de vakantie-uren vergoed worden tegen een percentage van 0,607 % van het bruto maandloon. Dit betekent, aldus Cofely, dat [eiser] hooguit aanspraak kan maken op een vergoeding van € 13.722,17 bruto.

4.9. De kantonrechter gaat voorbij aan de stelling van [eiser], die hij overigens voor het eerst ter zitting heeft ingenomen, dat het Sociaal Plan, dat is aangemeld als CAO, hem niet bindt, nu het Sociaal Plan niet algemeen verbindend verklaard is en [eiser] geen lid is van één van de bij het Sociaal Plan betrokken werknemersorganisaties. Hiertoe overweegt de kantonrechter dat, voor zover de toepasselijkheid van het Sociaal Plan niet al volgt uit artikel 2 van de arbeidsovereenkomst, [eiser] de toepassing van het Sociaal Plan feitelijk heeft aanvaard. Deze feitelijk aanvaarding volgt uit de volgende feiten en omstandigheid tezamen en in onderlinge samenhang bezien: (i) het beroep dat [eiser] in correspondentie met Cofely heeft gedaan op het in het Sociaal Plan opgenomen afspiegelingsbeginsel (2.7); (ii) het indienen van het bezwaarschrift bij [A] van CNV (2.8); en (iii) het beroep op het Sociaal Plan in het verweerschrift dat [eiser] in het kader van de ontbindingsprocedure heeft opgesteld. De kantonrechter overweegt dat onder deze omstandigheden [eiser] zich in de onderhavige bodemprocedure er niet op kan beroepen dat het Sociaal Plan hem niet bindt en behoefte de stelling dat de OR om advies gevraagd had moeten worden geen nadere bespreking. Dit betekent dat het Sociaal Plan dan ook op [eiser] van toepassing is.

4.10. De vraag die vervolgens beantwoord dient te worden is of bij CAO kan worden overeengekomen dat een werknemer gedwongen mag worden om de periode dat hij in afwachting van de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst vrijgesteld is van werkzaamheden vakantiedagen op te nemen. In dezen is van belang dat in artikel 7:645 bepaald is dat van de wetsartikelen 7:634 tot en met 7:643 BW niet ten nadele van de werknemer mag worden afgeweken. Deze verplichting geldt ook voor de CAO-partijen. Voorts, zo overweegt de kantonrechter, is een verplichte opname van vakantiedagen in strijd met het door de wetgever gehanteerde uitgangspunt dat de werkgever de vakantie vast stelt overeenkomstig de wensen van de werknemer. Hierin past niet een recht voor de werkgever om eenzijdig een vakantie op te leggen, ook niet aan het einde van de arbeidsovereenkomst (Kamerstukken II 1997-1998, 26079, nr. 3, p. 4, 6-7 (MvT); Kamerstukken I 1999-2000, 26079, nr. 176, p. 11 (MvA)). In artikel 7:638 lid 2 BW is bepaald dat bij CAO een nadere regeling met betrekking tot het opnemen van vakantiedagen getroffen kan worden. Deze bevoegdheid van de CAO-partijen gaat echter niet zo ver dat een (vakantiedagen)regeling kan worden opgesteld die in strijd is met de doelstelling en de uitgangspunten van de (wettelijke) vakantieregeling.

4.11. De kantonrechter is van oordeel dat een verplichting tot het opnemen van het totale vakantiedagentegoed in verband met een bedrijfssluiting in strijd is met de bedoeling van de wetgever. De mogelijkheid om verplicht vakantiedagen op te nemen, voor zo ver het bedrijfsbelang dit vereist, ziet blijkens de parlementaire geschiedenis primair op een tijdelijke of seizoensgebonden sluiting van de onderneming (Kamerstukken I 1999-2000, 26 079, nr. 176, p. 11). CAO-partijen kunnen in hun regeling niet verder gaan dan een verplichte opname van vakantiedagen voor een bepaalde, tijdelijke periode in verband met organisatorische redenen. Het sluiten van een onderneming valt hier nadrukkelijk niet onder. In dit verband verwijst de kantonrechter ook naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad waarin is uitgemaakt dat een vrijstelling van werkzaamheden wegens bedrijfseconomische omstandigheden voor rekening en risico van de werkgever dient te komen. Daarnaast is in artikel 7:641 lid 1 BW uitgemaakt dat een werknemer die bij het einde van zijn dienstverband nog aanspraak heeft op vakantie zonder voorbehoud of uitzondering, en onafhankelijk van de wijze waarop het dienstverband beëindigd is, recht heeft op een vergoeding voor opgebouwde en niet-genoten vakantiedagen. Het samenstel van voornoemde bepalingen, die voor zover hier van belang blijkens artikel 7:645 BW van dwingend recht zijn, brengt mee dat [eiser] niet gedwongen kan worden, ook niet bij CAO, om vanaf 1 juli 2010 het restant aan vakantiedagen op te nemen.

4.12. De kantonrechter concludeert dan ook dat artikel 4.4. sub C van het Sociaal Plan in strijd is met dwingend recht en derhalve vernietigbaar is. Onweersproken is dat [eiser] bij brief van 19 oktober 2010 zich beroepen heeft op de nietigheid van het Sociaal Plan. Hieruit volgt dat Cofely geen beroep kan doen op de betreffende bepaling en [eiser] niet had kunnen verplichten zijn totale vakantiedagentegoed in aanloop naar de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst op te nemen.

4.13. Ook het subsidiaire verweer van Cofely treft geen doel. De kantonrechter overweegt dat de inhoud van het Sociaal Plan, anders dan Cofely meent, niet kan worden beschouwd als een zogenaamde package deal tussen partijen. Hierbij laat de kantonrechter meewegen dat, anders dan in het arrest dat door Cofely is aangehaald (HR 14 januari 2000, JAR 2000/44), tussen [eiser] en Cofely niet rechtstreeks onderhandeld is over de inhoud van de voorwaarden. Voorts laat de kantonrechter meewegen dat het Sociaal Plan voorziet in een beëindiging van de arbeidsovereenkomst onder toekenning van een neutrale ontbindingsvergoeding. Een dergelijke ontbindingsvergoeding is, behoudens bijzondere gevallen, niet ongebruikelijk bij een beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische redenen. Uit de stellingen van Cofely blijkt echter niet dat bij het bepalen van de beëindigingsvergoeding rekening gehouden is met een (financiële) compensatie voor de verplichte opname van vakantiedagen, zodat niet gesproken kan worden van een package deal.

4.14. Tussen partijen is een geschil ontstaan over de hoogte van de financiële compensatie van het vakantiedagentegoed. De kantonrechter overweegt dat de uitkering in geld minstens gelijk moet zijn aan het bedrag van het laatst verdiende loon over een tijdvak gelijk aan de vakantie. Eén uur vakantie is dus één uur loon waard. De stelling van [eiser] dat zijn bruto-uurloon € 83,41 bedraagt is gemotiveerd weersproken door Cofely. De kantonrechter overweegt dat, uitgaande van een 8-urige werkdag en 22 te werken dagen per maand, bij het door [eiser] gestelde uurloon van € 83,41 het bruto maandloon (8 x 22 x € 83,41 =)

€ 14.680,16 bedraagt. Nu dit bedrag het op de loonstrook vermelde bruto maandloon

(€ 8.340,68) ruimschoots overstijgt, had het op de weg van [eiser] gelegen een nadere onderbouwing te geven aan zijn stelling met betrekking tot de hoogte van zijn uurloon. Nu [eiser] dit heeft nagelaten, zal de kantonrechter uitgaan van het door Cofely berekende uurloon van € 54,67. Hieruit volgt dat [eiser] aanspraak heeft op een vergoeding van (251 vakantiedagen x € 54,67 =) € 13.722,17.

Wettelijke verhoging en wettelijke rente

4.15. De gevorderde wettelijke verhoging (artikel 7:625 BW) wordt (bij wege van matiging) gesteld op een percentage van 20% van bovengenoemd bedrag, nu dit percentage de kantonrechter op grond van de omstandigheden van het geval billijk voorkomt. De wettelijke verhoging wordt toegekend over de periode van verschuldigdheid van het loon tot de datum van het wijzen van dit vonnis.

4.16. De gevorderde wettelijke rente is als zodanig niet weersproken en derhalve toewijsbaar.

Getuigschrift

4.17. Het na dagvaarding door Cofely verstrekte getuigschrift (zie 2.10) voldoet aan de eisen van artikel 7:656 lid 1 en 2 BW. Voor zo ver [eiser], zoals hij ter zitting heeft aangevoerd, wenst dat het getuigschrift ook de door [eiser] verrichte inspanningen en door hem bereikte resultaten vermeldt, dan overweegt de kantonrechter voor een dergelijke vordering een rechtsgrond ontbreekt. Dit onderdeel van de vordering wordt dan ook afgewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.18. [eiser] heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten dient te worden gesteld en onderbouwd op grond waarvan deze verschuldigd zijn en voorts dat genoemde kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. Daarbij hanteert de kantonrechter conform het rapport Voorwerk II het uitgangspunt dat het moet gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

4.19. [eiser] heeft ter onderbouwing van de gestelde buitengerechtelijke incassokosten een aantal declaraties van zijn gemachtigde in het geding gebracht en een opsomming gegeven van een aantal werkzaamheden dat in het kader van een incassozaak moet worden verricht. Daarmee is niet althans onvoldoende gesteld en onderbouwd dat daadwerkelijk verdergaande buitengerechtelijke incassokosten zijn gemaakt voor verrichtingen als hiervoor omschreven. De kosten waarvan [eiser] vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten, reden waarom de kantonrechter dit onderdeel van de vordering zal afwijzen.

Proceskosten

4.20. Nu partijen over en weer in het ongelijk gesteld zijn worden de proceskosten gecompenseerd.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Cofely om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen € 13.722,17 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2010 tot de voldoening en te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 20 procent voor het niet-tijdig voldoen van de loonbetaling;

compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Hartendorp, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2011.