Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU3696

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
09-11-2011
Datum publicatie
10-11-2011
Zaaknummer
724950 UC EXPL 10-19872
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gevolgen van dispensatie door bedrijfstakpensioenfonds in CAO voor verplichte deelneming aan het fonds door een aangesloten werkgever voor aanspraken van werknemer op pre-pensioen en overdracht daarvan aan ouderdomspensioen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-0949
PJ 2012/44

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

sector handel en kanton

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 724950 UC EXPL 10-19872 HS

vonnis d.d. 9 november 2011

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiser],

eisende partij

verweerder in reconventie,

gemachtigde: mr. J. Ipenburg,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Triple P Management B.V., h.o.d.n. Triple P Nederland B.V.,

gevestigd te Vianen,

verder ook te noemen Triple P,

gedaagde partij,

eisende partij in reconventie

gemachtigde: mr. A.J.D. Bekius.

Het verloop van de procedure

De kantonrechter verwijst naar het tussenvonnis van 2 maart 2011.

[eiser] heeft een conclusie van antwoord in reconventie genomen.

De comparitie is gehouden op 6 april 2011. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

Partijen hebben zich vervolgens bij akte en antwoordakte schriftelijk uitgelaten.

Hierna is uitspraak bepaald.

1. De vaststaande feiten

1.1. [eiser], geboren op [1944], is op 1 oktober 1962 in dienst getreden bij een van de rechtsvoorgangers van Triple P. De arbeidsvoorwaarden tussen [eiser] en Triple P liggen vast in de arbeidsovereenkomst van 12 januari 2000. De arbeidsovereenkomst is geëindigd op 1 september 2009 omdat [eiser] op 7 september 2009 de leeftijd van 65 jaar bereikte.

1.2. Op de arbeidsverhouding was destijds de CAO voor Informatie-, Communicatie en Kantoortechnologiebranche van toepassing, verder: CAO-ICK, omdat [eiser] lid was van het CNV en Triple P lid is van de werkgeversvereniging ICT. CNV en ICT zijn beide partij bij de ICK-CAO.

Tot 1 januari 2004 maakte van de ICK-CAO de Flexivut-CAO deel uit.

Op grond van de Flexivut-CAO bestond de mogelijkheid voor [eiser] om bij het bereiken van de leeftijd van 61 jaar, vervroegd met pensioen te gaan. Dienovereenkomstig was in de personeelsgids van Triple P vastgelegd dat iedere werknemer die minimaal tien jaar voorafgaand aan de uittredingsdatum premiebetalend deelnemer is geweest, op 61-jarige leeftijd vervroegd uit dienst kon treden.

1.3. Vanaf 1 januari 2004 is de Flexivut-CAO vervangen door de pensioenregeling van het Bedrijfstakpensioenfonds ICK, verder Bpf ICK.

In artikel 1 van die pensioenregeling is als reguliere pensioendatum gedefinieerd: de eerste dag van de maand waarin de (gewezen) deelnemer de 61-jarige leeftijd bereikt.

In artikel 24 van het pensioenreglement van het Bpf ICK is het tijdelijk overbruggingspensioen geregeld, ook wel aangeduid met (het) TOP of OBP.

Artikel 24 luidt:

“1. Het tijdelijk overbruggingspensioen gaat in op de pensioendatum en wordt uitgekeerd tot en met de laatste dag van de maand waarin de rechthebbende de 65-jarige leeftijd bereikt dan wel eerder overlijdt.

2. De grondslag voor het tijdelijk overbruggingspensioen is de laatst geldende franchise.

(...)”

In bijlage I (‘Richtlijnen flexibilisering’) van het pensioenreglement Bpf ICK is onder ‘Uitstellen van overbruggingspensioen (OBP)’ bepaald dat indien het direct ingaande tijdelijk overbruggingspensioen meer dan drie jaar wordt uitgesteld, dat dan wordt omgezet in een tot 65 jaar uitgesteld levenslang ouderdomspensioen.

1.4. Omdat de opbouw van het TOP voor oudere werknemers beperkt is, voorziet het Bpf ICK in overgangbepalingen. Die zijn opgenomen in bijlage II van het pensioenreglement van het Bpf ICK. De overgangsbepalingen voorzien in een ‘aanvullingsregeling’ (door partijen aangeduid met overgangsregeling, welke term ook in dit vonnis gebruikt zal worden) die voorziet in een aanvulling op het TOP tot 77% van de dan geldende franchise plus een toeslag. Voorts is in de overgangsregeling (zie artikel 3 lid 5 voor de leeftijdscategorie 55+ waar [eiser] onder valt) bepaald dat bij uitstel van de pensioendatum de aanvulling actuarieel wordt verhoogd “conform de rekenregels die zijn opgenomen in Bijlage I” .

1.5. Triple P heeft (op 29 april 2004) gebruik gemaakt van de mogelijkheid om dispensatie te vragen voor aansluiting bij het Bpf ICK.

1.6. [eiser] bereikte op 7 september 2005 de leeftijd van 61 jaar.

Kort daarna heeft hij Triple P in kort geding gedagvaard om per 1 september 2005 aan hem zijn Flexivut-uitkering te doen betalen. De kantonrechter heeft bij vonnis van 15 december 2005 de vordering afgewezen omdat (samengevat) de Flexivut-CAO vanaf 1 januari 2004 niet meer van kracht is en onduidelijk is op welk bedrag [eiser] op grond van welke regeling aanspraak kan maken waardoor onvoldoende aanknopingspunten aanwezig waren om daarover een voorlopig oordeel te geven.

1.7. Bij brief van 22 februari 2006 heeft Triple P [eiser] aangeboden om “wegens de moeilijke periode die u door de huidige impasse moet doormaken” een dag per week minder te werken met behoud van salaris ten aanzien waarvan Triple P zich het recht voorbehoud om de vrije dag te beschouwen als een soort voorschot dat mee genomen zal worden in de eindafrekening indien Triple P (in een kennelijk inmiddels door [eiser] jegens Triple P aanhangig gemaakte procedure) in het ongelijk gesteld wordt. [eiser] heeft door ondertekening van de brief dit aanbod aanvaard.

Tevens staat in die brief:

“Voor alle duidelijkheid het staat u ook nu nog vrij te kiezen voor de prepensioenregeling zoals die in de CAO beschreven wordt. Triple P was en blijft bereid die regeling – in het kader van de dispensatie – na te leven. Maar wij hebben van u begrepen dat u daar op dit moment niet voor kiest omdat de compensatie die daar tegenover staat voor u onvoldoende is” .

1.8. [eiser] heeft tegen het kortgedingvonnis van de kantonrechter hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. Bij arrest van 1 juni 2006 is de vordering van [eiser] afgewezen omdat (samengevat) niet in te zien is dat [eiser] na afloop van de looptijd van de Flexivut-CAO tegenover Triple P een aanspraak op een Flexivut-uitkering zou hebben, terwijl hij tijdens de looptijd van de Flexivut CAO die een aanspraak alleen op de Stichting Flexivut ICK had.

1.9. Het bestuur van het Bpf-ICK heeft op 16 maart 2007 positief op het dispensatieverzoek van Triple P beslist. Die beslissing is Triple P bij brief van 20 april 2007 van PVF Achmea (kennelijk belast met de uitvoering van het Bpf-ICK) meegedeeld. Daarin staat onder meer:

“ Ondernemingspensioenregelingen, die 6 maanden voor de aanvraag van de CAO-verplichtstelling bestonden, worden gedispenseerd indien de regeling gelijkwaardig is, of binnen een redelijke termijn,(maar terugwerkend tot 1 januari 2004) gelijkwaardig gemaakt worden. Uw verzoek is onder voorwaarden ingewilligd op grond van een tijdige eigen pensioenregeling. Over de periode 1 januari 2004 tot 1 januari 2006 wordt aan Triple P vrijstelling van de verplichting tot deelneming in het fonds verleend voor haar werknemers onder de voorwaarde dat Triple P binnen drie maanden in officiële, door de werkgever ondertekende documenten de regeling vastlegt. Deze documenten zullen door een actuaris worden gecontroleerd. Daarbij is met name de toezegging inzake de uitkeringen bij vervroegde uitkering voor 65 jaar essentieel. Vrijstelling wordt alleen toegekend indien u formeel vastlegt hetgeen u in uw mail van 29 november 2006 aan PVF heeft gemeld, namelijk dat Triple P “de medewerkers die op 61 jaar met pensioen zouden willen gaan, over de periode 61 tot 65 jaar voor eigen rekening zal uitkeren wat deze medewerkers van het ICK zouden hebben ontvangen wanneer zij deelnemer in het ICK pensioenfonds geweest zouden zijn”.

1.10. Voorts bevat het dispensatiebesluit onder meer de voorwaarde dat

Triple P haar pensioenvoorziening zal onderbrengen bij een ander bedrijfstakpensioenfonds, een ondernemingspensioenfonds of een verzekeraar als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet.

1.11. [eiser] en diens raadsman raakten eerst tijdens de behandeling van een door [eiser] tegen het Bpf-ICK aanhangig gemaakt kort geding op de hoogte van het dispensatiebesluit.

1.12. Het bestuur van het Bpf ICK heeft 18 juli 2007 beslist dat “ de pensioenregeling van Triple P. Management NV gelijkwaardig is aan de BPF-regeling” en daarom ingestemd met het verlenen van vrijstelling aan Triple P over de periode 1 januari 2004 t/m 31 december 2005. Dit besluit is Triple P meegedeeld bij brief van 19 juli 2007. In die brief staat tevens:

“Wij wijzen u volledigheidshalve op bepaling 1.3 in cluster 13 van de ICK-CAO betreffende ‘Dispensatie’ waarin staat vermeld dat de werkgever, aan wie door het Bpf ICK dispensatie is verleend en die voorheen deelnam aan de Flexivut-regeling, aan haar deelnemers een overgangsregeling zal bieden die tenminste gelijkwaardig is aan de overgangsregeling als bedoeld in Bijlage II van het pensioenreglement van het Bpf ICK.”

1.13. 24 juli 2007 heeft een gesprek plaats gevonden tussen [eiser], diens raadsman en Triple P. Naar aanleiding daarvan heeft Triple P [eiser] bij brief van 31 augustus 2007 een voorstel gedaan. Uitgangspunt van dat voorstel was dat [eiser] bij aansluiting van Triple P bij het Bpf ICK vanaf 61-jarige leeftijd recht had op het TOP en de overgangsregeling (zie 1.3 en 1.4 van dit vonnis).

Op grond van het TOP en de overgangsregeling zou [eiser] vanaf 61 jaar recht hebben op een jaarlijkse uitkering van EUR 17.080,00, welk bedrag bij latere ingang van het pensioen zou worden verhoogd.

Omdat [eiser] inmiddels 63 jaar was, zou zijn aanspraak op de overgangsregeling van het Bpf-ICK per 1 oktober 2007 EUR 39.123,00 bedragen. Het voorstel van Triple P voorzag onder meer in betaling van dat bedrag, voortzetting van de pensioenopbouw tot 65 en handhaving van de eindloonregeling.

Dit voorstel is door [eiser] niet geaccepteerd.

1.14. Op 10 oktober 2007 heeft weer een gesprek plaats gevonden tussen [eiser] en Triple P. Op 12 oktober 2007 heeft [eiser] zich ziek gemeld. In de probleemanalyse WIA staat vermeld dat de arbeidsverhouding zeer verstoord is.

1.15. [eiser] heeft zich in 2008 en 2009 gewend tot Nationale Nederlanden, de verzekeraar waar Triple P haar pensioenvoorziening zou hebben ondergebracht, teneinde te bewerkstelligen dat aan hem een, zoals [eiser] dat noemt, prepensioen zou worden uitgekeerd.

1.16. Het Bpf ICK heeft Triple P bij brief van 2 mei 2008 meegedeeld dat de vrijstelling gecontinueerd wordt per 1 januari 2006. In die brief staat:

“ Op 3 april 2008 heeft het bestuur op basis van de bij het BPF bekende gegevens geconcludeerd dat de pensioenregeling voor de 55-plussers op basis van de door Triple P Management N.V. voorgelegde wijzigingen nu ook gelijkwaardig is aan die van het BPF ICK. Het bestuur heeft daarom ingestemd met het continueren van de vrijstelling vanuit de ICK CAO aan Triple P Management NV per januari 2006. Voor de verbetering van de pensioenregeling heeft onze actuaris zijn oordeel gebaseerd op een offerte van Nationale Nederlanden” .

en voorts:

“De overgangsregeling voor het tijdelijke overbruggingspensioen is meegewogen in de gelijkwaardigheidstoets. De vrijstelling van deelname aan de BPF-regeling ontslaat Triple P Management NV nog niet van de CAO-verplichting om de tijdelijke uitkering uit de overgangsregeling te verrichten”.

1.17. De arbeidsovereenkomst van [eiser] is met ingang van 1 september 2009 geëindigd wegens het door [eiser] bereiken van de leeftijd van 65 jaar.

1.18. Bij brief van 3 september 2008 heeft de raadsman van [eiser] Triple P gesommeerd om de benodigde handtekeningen te zetten en opdrachten te verstrekken aan Nationale Nederlanden zodat deze tot uitvoering van de “(pre-)pensioenregeling van Triple P kan overgaan”.

1.19. [eiser] heeft medio december 2009 EUR 1.201,65 van Nationale Nederlanden ontvangen, zijnde het “pre-pensioen” over de maanden september t/m november 2009. Voorts ontving [eiser] EUR 400,55, zijnde het “pre-pensioen” over de maand december 2009.

Bij brief van 9 december 2009 ontving [eiser] de mededeling van Nationale Nederlanden dat het pensioen dat “ is ontstaan uit uw uitgestelde tijdelijke overbruggingspensioen conform het BPF ICK” tot uitkering komt.

1.20. Bij brief van 8 april 2010 deelt Nationale Nederlanden aan [eiser] mede dat (de betaling van) “het pensioen” stopgezet zal worden omdat bij interne controle is gebleken dat zij inzake de TOP-regeling niet de pensioenuitvoerder is omdat zij van Triple P geen opdracht tot verzekering van de TOP-regeling heeft gekregen. Ter nadere toelichting heeft Nationale Nederlanden [eiser] bij brief van 4 mei 2010 geschreven dat zij had gemeend om op basis van een te verwachten finale overeenstemming met Triple P [eiser] alvast een voorlopige uikering te kunnen doen uithoofde van de TOP-regeling.

2. De vordering van [eiser]

2.1. [eiser] vordert Triple P bij bij voorraad uitvoerbaar vonnis te veroordelen om

1. EUR 95.532,00 bruto

(primair) af te dragen aan Nationale Nederlanden en/of enig andere (pensioen) verzekeraar, althans een bedrag in goede justitie te bepalen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 september 2009, althans vanaf heden tot betaling;

(subsidiair) te betalen aan [eiser] als vergoeding van de door hem geleden schade door tekortkoming en/of onrechtmatig handelen van Triple P, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 september 2009 tot betaling;

2. EUR 22.071,31, althans EUR 12.200,11 te betalen aan achterstallig loon bij ziekte over de periode november 2008 t/m augustus 2009 te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente;

3. EUR 4.898,49 te betalen ter vergoeding van opgebouwde doch niet genoten vakantiedagen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente en

4. EUR 2.975,00 te betalen ter vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten,

met veroordeling van Triple P in de proceskosten.

2.2. Triple P heeft in conventie gemotiveerd verweer gevoerd. De inhoud van dat verweer zal voor zover voor de beoordeling relevant, hierna aan de orde komen. Indien en voor zover Triple P in conventie gehouden is tot enige betaling aan [eiser] heeft zij (voorwaardelijk) in reconventie gevorderd [eiser] te veroordelen om aan haar EUR 41.466,30 en EUR 7.973,02, althans een in goede justitie te bepalen bedrag te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding en [eiser] te veroordelen in de proceskostenkosten in conventie en reconventie.

3. De beoordeling van het geschil in conventie

3.1. De vordering van [eiser] strekt er toe om zijn pensioen in overeenstemming te brengen met het ouderdomspensioen dat hij na het bereiken van de 65 jarige leeftijd zou hebben gehad indien het TOP in overeenstemming met het in bijlage I (‘Richtlijnen flexibilisering’) van het pensioenreglement Bpf ICK bepaalde onder ‘Uitstellen van overbruggingspensioen(OBP)’ zou zijn omgezet in een tot 65 jaar uitgesteld levenslang ouderdomspensioen.

3.2. [eiser] heeft zijn vordering gebaseerd op een toezegging die Triple P tijdens de mondelinge behandeling van het kort geding op 10 maart 2009 heeft gedaan. Die toezegging hield volgens [eiser] in dat “de pot met geld” niet weg is, maar wordt toegevoegd aan het ouderdomspensioen. Voor de feitelijke onderbouwing van deze stelling heeft verhoeven gewezen op de pleitaantekeningen van mr. Bekius:

“ Overigens heeft het feit dat de heer [eiser] nog altijd niet vervroegd is uitgetreden (en het feit dat hij dat nu niet meer kan) niet tot gevolg dat hij daardoor schade lijdt. Uit het reglement en de als productie 13 en 14 overgelegde stukken blijkt dat de “pot met geld” van het tijdelijk overbruggingspensioen wordt toegevoegd aan het ouderdomspensioen.

Voorts baseert hij zijn vordering op de dispensatievoorwaarden van het Bpf ICK. Hij kwalificeert deze voorwaarden als een derdenbeding waarvan hij jegens Triple P nakoming vraagt. [eiser] acht een derdenbeding ten behoeve van hem besloten in de algemene gelijkwaardigheidseis die het (bestuur van het) Bpf-ICK als voorwaarde aan de pensioenregeling van Triple P stelt om voor dispensatie in aanmerking te komen.

3.3. Triple P heeft betwist dat de uitlatingen van haar raadsman als een zelfstandige toezegging zijn te beschouwen omdat die uitlating gebaseerd is op de onjuiste veronderstelling dat bijlage I en II van het Bpf ICK reglement van toepassing zijn op de rechtsverhouding met [eiser]. Triple P heeft aangevoerd dat [eiser] geen nakoming van de dispensatievoorwaarden kan vorderen omdat daarin geen derdenbeding besloten ligt ten behoeve van [eiser].

Triple P erkent dat zij “hooguit” gehouden is om [eiser] een gelijkwaardige uitkering te verstrekken die hij zou hebben ontvangen indien hij onder het pensioenreglement van het Bpf ICK zou vallen en op zijn 61-jarige leeftijd zou zijn gestopt. Zij stelt dat haar aanbod aan [eiser] aan die gelijkwaardigheidseis voldeed.

3.4. De uitlatingen van de raadsman van Triple P tijdens de mondelinge behandeling van het kort geding bij de kantonrechter te Utrecht zijn niet als een zelfstandige toezegging te beschouwen, in die zin dat [eiser] reeds op grond daarvan gerechtigd is tot waarde-overdracht van de het TOP en/of de overgangsregeling omdat de uitlatingen niet zijn gedaan in het kader van een geschil over deze waarde-overdracht maar over de vordering van [eiser] tegen Triple P om de Flexivut-uitkering te betalen.

3.5. Voor de beoordeling van het rechtskarakter en het rechtsgevolg van de dispensatievoorwaarden is cluster 13 van de ICK-CAO (met looptijd 1-1-2006 t/m 31-12-2007 voor wat betreft het dispensatiebesluit van 18 juli 2007 en de ICK-CAO met looptijd van 1-1-2008 t/m 31-12-2009 voor wat betreft het dispensatiebesluit van 3 april 2008) van belang.

Artikel 1.3 van cluster 13 luidt in beide CAO’s:

“1.3 Dispensatie

Het bestuur van het Bpf ICK kan aan werkgevers onder voorwaarden dispensatie verlenen van de verplichte deelname aan het Bpf. In het dispensatiebeleid van het Bpf ICK wordt het overgangsrecht voor het tijdelijk overbruggingspensioen meegewogen in de gelijkwaardigheidtoets. Indien het Bpf aan een werkgever dispensatie verleent die voorheen deelnam aan de Flexivut-regeling zal deze werkgever aan haar werknemers een overgangsregeling bieden die ten minste gelijkwaardig is aan de overgangsregeling als bedoeld in Bijlage II van het pensioenreglement van het Bpf ICK”.

In de toelichting bij cluster 13 staat in beide CAO’s:

“De pensioenregeling biedt deelnemers de mogelijkheid het pensioen eerder, maar niet eerder dan op de 55 jarige leeftijd, of later, maar niet later dan op de 65 jarige leeftijd, te laten ingaan. Alsdan vindt herrekening van het pensioen plaats op basis van actuariële grondslagen”.

In artikel 1.3 van cluster 13 CAO-ICK is duidelijk en ondubbelzinnig bepaald dat in geval van dispensatie de werkgever jegens haar werknemers verplicht is een aan de overgangsregeling van bijlage II (zie 1.4) gelijkwaardige regeling aan te bieden.

Deze CAO-verplichting maakt onderdeel uit van de arbeidsverhouding tussen Triple P en [eiser] (zie 1.2) en [eiser] is reeds op grond daarvan gerechtigd om daarvan nakoming te vorderen nadat Triple P dispensatie is verleend. De vraag of de dispensatievoorwaarden zoals die door het Bpf ICK in de dispensatiebesluiten van 18 juli 2007 en 3 april 2008 zijn gesteld, als een derdenbeding ten behoeve van [eiser] zijn te beschouwen, behoeft dus ter vaststelling van de grondslag voor het vorderingsrecht van [eiser] geen beantwoording meer.

3.6. De kern van het debat wordt bepaald door de vraag wat verstaan dient te worden onder een overgangsregeling “die ten minste gelijkwaardig is aan de overgangsregeling als bedoeld in Bijlage II van het pensioenreglement van het Bpf ICK”. [eiser] stelt dat die gelijkwaardigheid tevens de verplichting van Triple P omvat om de waarde van het TOP en de overgangsregeling om te zetten in een levenslang ouderdomspensioen na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. Aan deze door [eiser] voorgestane uitleg gaat de veronderstelling vooraf dat de verplichting tot waarde-overdracht niet alleen voor het TOP maar tevens voor de overgangsregeling geldt.

Triple P stelt dat die gelijkwaardigheid beperkt is tot de uitkering (TOP en de overgangsregeling) die Triple P aan [eiser] diende te doen, indien hij gebruik zou hebben gemaakt van de mogelijkheid om met 61 jaar vervroegd met pensioen te gaan.

3.7. Gelet op het debat van partijen is de kernvraag die beantwoord dient te worden of in bijlage II van het pensioenreglement ICK de verplichting tot waarde-overdracht is opgenomen bij uitstel van de pensioendatum tot het bereiken van de leeftijd van 65 jaar.

Als die verplichting daarvan deel uitmaakt, dan brengt de gelijkwaardigheidseis van artikel 1.3 van cluster 13 voornoemd met zich dat de pensioenvoorziening van Triple P tevens die verplichting dient te bevatten.

3.8. Voor uitleg van de bepalingen van de CAO geldt in beginsel dat de bewoordingen daarvan en eventueel van de daarbij behorende schriftelijke toelichting, gelezen in het licht van de gehele tekst van die overeenkomst, van doorslaggevende betekenis zijn. Daarbij komt het niet aan op de bedoelingen van de partijen bij de CAO, voor zover deze niet uit de CAO-bepalingen en de toelichting kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de CAO en de toelichting zijn gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de CAO gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden.

3.9. In artikel 3 lid 4 van bijlage II staat:

“Bij vervroeging/uitstel van de pensioendatum wordt de aanvulling actuarieel verlaagd/verhoogd conform de rekenregels die zijn opgenomen in bijlage I”.

Uit deze tekst blijkt dat uitstel van pensioen leidt tot verhoging van de aanvulling, maar niet dat uitstel tot het bereiken van de leeftijd tot 65 jaar leidt tot omzetting in een levenslang ouderdomspensioen.

Een dergelijke omzetting is wel uitdrukkelijk bepaald in bijlage I (zie blz 24 van het pensioenreglement ICK):

“Wanneer het direct ingaande tijdelijk overbruggingspensioen meer dan drie jaar wordt uitgesteld, dan wordt het omgezet in een, tot 65 jaar uitgesteld, levenslang ouderdomspensioen”.

Omdat een soortgelijke uitdrukkelijke bepaling in bijlage II ontbreekt, is het de vraag of de enkele daarin opgenomen verwijzing naar de ‘rekenregels’ van bijlage I, tevens voornoemde omzettingsbepaling omvat.

3.10. Voor het antwoord op die vraag is van belang wat in artikel 7A van het pensioenreglement ICK over ‘uitstel pensioendatum’ is bepaald:

“1. De deelnemer heeft op de reguliere pensioendatum de keuze tussen ingang van het ouderdomspensioen op de reguliere pensioendatum en ingang van het ouderdomspensioen op een latere datum.

2. Uitstel van de pensioendatum is uitsluitend mogelijk:

a. (..)

b. tot uiterlijk het bereiken van de 65-jarige leeftijd.

(..)

3. Het ouderdomspensioen wordt actuarieel verhoogd ten opzichte van het ouderdomspensioen op de reguliere pensioendatum, op basis van door het fonds vastgestelde rekenregels. Gedurende de uitstelperiode vindt geen verdere pensioenopbouw plaats tenzij hier tussen werkgever en werknemer aanvullende afspraken over zijn gemaakt. Op deze afspraken zijn de rekenregels van het fonds van toepassing. (..) De rekenregels zijn opgenomen in Bijlage I bij dit reglement.

In artikel 7A van het pensioenreglement is duidelijk bepaald dat uitstel van de reguliere pensioendatum tot maximaal 65 jaar leidt tot een actuariële verhoging van het ouderdomspensioen. Dat de actuariële verhoging beperkt is tot het TOP blijkt uit artikel 7A niet. Omdat voor de actuariële verhoging verwezen wordt naar de rekenregels van bijlage I, en daarin bij uitstel van de pensioendatum tot 65 jaar de omzetting is geregeld in levenslang ouderdomspensioen, brengt de uitleg van de verwijzing naar de rekenregels in bijlage II van het reglement mee dat de omzetting in levenslang ouderdomspensioen betrekking heeft op het TOP en de overgangsregeling. Dit rechtsgevolg sluit aan bij de inhoud van het pensioenreglement omdat bij uitstel tot 65 jaar geen verdere pensioenopbouw plaats vindt.

3.11. Bijlage II van het pensioenreglement ICK bevat derhalve de verplichting tot waarde-overdracht van het TOP en de overgangsregeling bij uitstel van de pensioendatum tot het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. De gelijkwaardigheidseis van artikel 1.3 van cluster 13 van CAO ICK betekent dat de pensioenvoorziening van Triple P tevens die verplichting dient te bevatten.

Omdat de regeling die Triple P aan [eiser] heeft aangeboden niet voorziet in de waarde-overdracht van het TOP en de aanvullingsregeling, heeft [eiser] daar in beginsel aanspraak op.

3.12. Wat betreft de omvang van de aanspraak heeft Triple P gesteld dat [eiser] door het uitstel van de pensioendatum tot 65 jaar en de toepassing van de eigen pensioenregeling in een (bij antwoord gestelde) gelijkwaardige en zelfs een (bij dupliek gestelde) voordeliger positie is komen te verkeren dan het geval zou zijn geweest bij toepassing van het Bpf ICK en de daarvan deel uitmakende waarde-overdracht van het TOP en de overgangsregeling.

[eiser] heeft gesteld dat hij pensioenschade lijdt omdat Triple P de waarde van het TOP en de overgangsregeling in strijd met haar verplichting niet aan het ouderdomspensioen toevoegt.

De kern van dit deel van het debat betreft de vraag of bij de vaststelling van de aanspraak van [eiser] geabstraheerd dient te worden van het feit dat Triple P gedurende de leeftijdperiode van [eiser] van 61-65 jaar de pensioenopbouw heeft voortgezet.

3.13. De in bijlage II van het pensioenreglement opgenomen waarde-overdracht van het TOP en de aanvullingsregeling, kan niet los gezien worden van wat in het pensioenreglement is bepaald over de reguliere pensioendatum en de gevolgen van het uitstellen daarvan tot 65 jaar.

Omdat het pensioenreglement uitgaat van een reguliere pensioendatum van 61 en in artikel 7A lid 3 is bepaald dat bij uitstel geen verdere pensioenopbouw plaats vindt, is het recht op waarde-overdracht begrijpelijk. Immers zonder waarde-overdacht zou bij uitstel van de pensioendatum het gemis van 4 jaar opbouw van ouderdomspensioen niet gecompenseerd worden. Tevens is duidelijk dat aan bijlage II van het pensioenreglement het in artikel 7A lid 3 van het pensioenreglement bepaalde uitgangspunt ten grondslag ligt dat over de periode van 61 tot 65 jaar geen verder pensioenopbouw plaats vindt.

Dat Triple P het pensioen van [eiser] tot 65 jaar heeft voortgezet staat als onbetwist vast.

3.14. [eiser] heeft niet onderbouwd waarom de gelijkwaardigheidseis mee brengt dat hij, ook bij voortzetting van zijn pensioenopbouw tot 65 jaar, recht heeft op waarde- overdracht terwijl de regeling waaraan de gelijkwaardigheid getoetst dient te worden er juist van uitgaat dat gedurende de periode waarop de waarde overdracht betrekking heeft, geen voortzetting van de pensioenopbouw plaatsvindt. Dit betekent dat de aanspraak van [eiser] op de waarde-overdracht niet los gezien kan worden van de voortgezette pensioenopbouw.

In dit kader heeft Triple P bij antwoordakte gesteld en onderbouwd dat zij door de voortgezette opbouw van het pensioen over de leeftijdsperiode van 61 tot 65 jaar van [eiser] totaal EUR 78.131,52 aan premie heeft betaald en dat dat een hoger bedrag is dan de bedragen die zij over die periode aan [eiser] zou hebben betaald indien hij gebruik gemaakt zou hebben van het TOP en de overgangsregeling.

3.15. Deze vergelijking van Triple P is echter niet juist. Voor de vergelijking zijn relevant de levenslange aanspraak op ouderdomspensioen die [eiser] nu heeft, en de aanspraak die hij gehad zou hebben indien de pensioenopbouw bij het bereiken van de 61ste leeftijd van [eiser] zou zijn gestopt en het TOP en de overgangsregeling overeenkomstig de rekenregels van Bijlage I van het pensioenreglement zouden zijn omgezet in een levenslang ouderdomspensioen vanaf 65 jaar.

3.16. Omdat partijen over deze vergelijking geen informatie hebben gegeven , kan thans nog niet worden bepaald of [eiser] pensioenschade lijdt.

De kantonrechter zal de zaak naar de rol verwijzen voor akte aan de zijde van [eiser] om zich, met in achtneming van het in 3.15 gestelde, uit te laten over zijn pensioenschade. Daarna zal de zaak verwezen worden naar de rol voor antwoordakte aan de zijde van Triple P.

3.17. De verdere beoordeling van de zaak in conventie en reconventie zal worden aangehouden.

4. De beslissing in conventie en reconventie

De kantonrechter:

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 7 december 2011 te 9.30 uur, waar [eiser] zich schriftelijk dient uit te laten omtrent hetgeen in 3.15 is overwogen;

Triple P zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om daarop schriftelijk te reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.M. Steenberghe, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 9 november 2011.