Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU3628

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
08-11-2011
Datum publicatie
08-11-2011
Zaaknummer
16/440768-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood. Het negeren van het rode verkeerslicht kwalificeert de rechtbank in dit geval als een zeer onvoorzichtige en onoplettende gedraging, op grond waarvan het ongeval aan de schuld van verdachte te wijten is. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 180 uur en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/440768-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 november 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1981] te [geboorteplaats]

wonende aan de [adres], [woonplaats]

raadsman mr. A.R. van Roo, advocaat te Nieuwegein

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 25 oktober 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: als bestuurster van een personenauto zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend handelen, ten gevolge waarvan

[slachtoffer] is overleden;

subsidiair: als bestuurster van een personenauto zich zodanig op de weg heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt en/of het verkeer werd gehinderd.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op basis van de verklaring van verdachte, de door getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] afgelegde verklaringen alsmede de verkeersongevallenanalyse wettig en overtuigend bewezen dat het verkeersongeval als gevolg waarvan [slachtoffer] is overleden, is veroorzaakt door zeer onvoorzichtig en onoplettend handelen van verdachte. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte haar aandacht schonk aan haar autoradio terwijl zij een kruispunt naderde en dat zij minimaal vijf seconden niet heeft opgelet in het verkeer, waardoor zij het voor haar bestemde verkeerslicht niet heeft gezien, door rood is gereden en in botsing is gekomen met [slachtoffer] die door groen fietste.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte op de plaats van het ongeval de cautie is medegedeeld, maar dat zij niet is gewezen op het consultatierecht. Ten aanzien van het verhoor van 22 november 2010 op het politiebureau heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte voorafgaand aan dit verhoor voor de keuze is gesteld om te wachten op een advocaat en langer te blijven of in te stemmen met telefonische bijstand van een piketadvocaat. Gelet op de gemoedstoestand van verdachte kon het maken van een keuze niet van haar worden gevergd. De beide verklaringen van verdachte dienen gelet op het voorgaande uitgesloten te worden van het bewijs, aldus de raadsman.

Ten aanzien van de getuigenverklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] heeft de raadsman aangevoerd dat er sprake is van een discrepantie; de getuigen zijn blijkens de mededeling aan het begin van de processen-verbaal telefonisch gehoord, terwijl onderaan deze processen-verbaal is vermeld dat de desbetreffende getuige de verklaring had doorgelezen en ondertekend. Deze discrepantie tast naar de mening van de raadsman de geloofwaardigheid van deze verklaringen aan en dienen daarom uitgesloten te worden van het bewijs.

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde komt dan bestaat de schuld uit onoplettendheid. Tenslotte heeft de advocaat gesteld, onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank, dat in het geval van zijn cliënt het opleggen van een straf geen redelijk doel zou dienen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Vaststaande feiten

Op 22 november 2010 omstreeks 15.51 uur heeft een ongeval plaats gevonden op de Schoudermantel te Bunnik tussen een personenauto en een fietser. Verdachte was de bestuurster van de personenauto. Tengevolge van deze aanrijding is [slachtoffer] op 23 november 2010 overleden.

Verklaring verdachte

De rechtbank ziet in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd over het horen van verdachte na telefonische consultatie van een advocaat geen aanleiding om een formeel gebrek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering aan te nemen en om de door verdachte afgelegde verklaringen daarom uit te sluiten van het bewijs.

Verdachte heeft verklaard dat zij vanuit de richting van Odijk over de Schoudermantel in de richting van Bunnik reed. Toen verdachte op de weg bij discotheek Brothers in Bunnik reed en de kruising naderde, hoorde zij een liedje op de radio dat zij niet zo mooi vond. Verdachte wilde een andere zender op de radio opzoeken en drukte op de voorgeprogrammeerde knoppen van de autoradio. Verdachte weet niet meer of zij zag dat zij de kruising naderde en of het verkeerslicht op groen of rood stond. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij bekend is met de verkeerssituatie ter plaatse en dat zij wist dat zich daar verkeerslichten bevonden.

Getuigenverklaringen

Door de raadsman is op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de door de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] afgelegde verklaringen als ongeloofwaardig dienen te worden beschouwd. De rechtbank overweegt daartoe dat de voormelde getuigen kort na het omgeval door verschillende verbalisanten zijn gehoord en dat de getuigenverklaringen van een handtekening van de desbetreffende getuige zijn voorzien. De rechtbank ziet dan ook geen enkele aanleiding om bedoelde getuigenverklaringen niet voor het bewijs te bezigen.

Door getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] is –zakelijk weergegeven– verklaard dat verdachte met onverminderde snelheid het voor haar bestemde verkeerslicht passeerde terwijl dit rood licht uitstraalde.

Direct na het ongeval heeft verdachte tegen de getuigen [getuige 3] en [getuige 5] gezegd dat zij tijdens het autorijden de zender van de autoradio aan het wijzigen was.

Verkeersongevallenanalyse

Door de politie is vastgesteld dat verdachte het voor haar bestemde verkeerslicht heeft gepasseerd terwijl dit rood licht uitstraalde. Dit verkeerslicht was ruim vijf seconden voordat verdachte deze passeerde rood geworden. Voorts is door de politie vastgesteld dat het voor de fietser bestemde verkeerslicht groen licht uitstraalde op het moment dat de fietser de kruising overstak. Dit verkeerslicht stond al ongeveer vijf seconden op groen.

Conclusie van de rechtbank

De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze zoals onder 4.4 is vermeld.

Het negeren van het rode verkeerslicht kwalificeert de rechtbank in dit geval als een zeer onvoorzichtige en onoplettende gedraging, op grond waarvan het ongeval aan de schuld van verdachte te wijten is. Daarvoor is het volgende redengevend.

Uit het verkeersongevallenanalyserapport is gebleken dat de verkeerslichten ruim vijf seconden rood licht uitstraalden toen verdachte deze passeerde en er waren geen belemmeringen die het zicht van verdachte op deze lichten konden verstoren.

Verdachte was, naar eigen zeggen, goed bekend met de verkeerssituatie ter plaatse. Uit haar verklaring volgt ook dat zij wist dat zij de kruising met de bewuste verkeerslichten naderde toen zij een ander liedje op de radio wilde opzoeken. Kennelijk heeft verdachte meerdere seconden niet haar volledige aandacht op de weg gehad terwijl zij wel met behoorlijke snelheid, in ieder geval 50 km/uur, reed en niet ver van de kruising met de verkeerslichten verwijderd was, nu deze lichten al vijf seconden op rood stonden toen zij deze passeerde terwijl het zicht daarop goed moet zijn geweest.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 22 november 2010 te Bunnik als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van

een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Schoudermantel, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend,

haar aandacht te schenken aan de autoradio en daardoor het voor haar bestemde verkeerslicht te passeren terwijl dit rood licht uitstraalde en vervolgens in botsing te komen met een fietser terwijl deze fietser de kruising op was gereden op het moment dat het voor haar bestemde verkeerslicht groen licht uitstraalde tengevolge waarvan die fietser, genaamd [slachtoffer], de volgende dag is overleden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 180 uur subsidiair 90 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs van verdachte reeds ingevorderd en ingehouden is geweest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat het opleggen van een straf geen enkel redelijk doel dient.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte is met haar auto door rood licht gereden, terwijl zij niet had opgemerkt dat de verkeerslichten voor haar rood licht uitstraalden omdat zijzelf bezig was met het wijzigen van de zender van de autoradio. Vervolgens is zij in botsing gekomen met de toen 22-jarige [slachtoffer], een fietser die overstak toen het voor haar geldende verkeerslicht op groen stond, tengevolge waarvan die [slachtoffer] een dag later is overleden.

Het leed dat door het ongeval bij de nabestaanden van [slachtoffer] is veroorzaakt, is groot en onherstelbaar. Ter terechtzitting heeft de vader van [slachtoffer] door middel van het voorlezen van de schriftelijke slachtofferverklaring verwoord hoeveel pijn en verdriet de familie ondervindt sinds het overlijden van [slachtoffer]. De rechtbank is zich er van bewust dat de strafrechtelijke reactie en het leed dat de familie door het ongeval is toegebracht twee onvergelijkbare grootheden zijn. De strafrechtelijke sanctie zal dan ook per definitie nooit tegemoet kunnen komen aan welke wens tot genoegdoening ook. Anders gezegd, geen enkele straf zal het leed van de nabestaanden verzachten of kunnen verzachten.

Het standpunt van de verdediging dat een straf in dit geval geen redelijk doel zal dienen, deelt de rechtbank uitdrukkelijk niet, nu verdachte naar het oordeel van de rechtbank schuld heeft aan het ongeval. Dit was niet het geval in de door de raadsman aangehaalde casus.

De rechtbank is ervan overtuigd dat ook verdachte zeer geraakt is door deze ingrijpende gebeurtenis. Zij zal levenslang gebukt gaan onder het feit dat zij een aanrijding heeft veroorzaakt die een jonge vrouw het leven heeft gekost. Verdachte heeft in haar ogen naar beste kunnen getracht haar oprechte medeleven met de familie te betuigen door het schrijven van een brief. Uit de reactie van de nabestaanden is dit door hen kennelijk niet als zodanig opgevat. Sinds het ongeval staat verdachte onder psychologische behandeling. Zij heeft haar werk nog niet volledig kunnen hervatten.

De rechtbank houdt er verder rekening mee dat verdachte nooit eerder met politie of justitie in aanraking is gekomen.

Alles afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf recht doet aan de ernst van het feit en de persoon van de verdachte.

7 De benadeelde partij

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] en [benadeelde 2] toe te wijzen en daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering. Aangezien de verzekeraar heeft aangegeven dat zij bij een bewezenverklaring het gevorderde bedrag onverwijld zal uitkeren aan de benadeelde partij kan het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel achterwege blijven, aldus de raadsman.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [benadeelde 1] en [benadeelde 2] vordert een schadevergoeding van € 8.801,49 ter zake van materiële schade.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Nu het gevorderde voldoende aannemelijk is gemaakt met nader onderbouwende stukken zal de vordering worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen. De rechtbank overweegt daartoe dat het enkele feit dat de verzekeraar kennelijk bereid is om de gevorderde schade aan de benadeelde partij uit te keren, maar daartoe tot op heden nog niet is overgegaan, niet maakt dat oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de vervangende hechtenis achterwege dient te blijven.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het hierboven onder 5.1 genoemde strafbare feit oplevert;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 180 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen;

- veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de rijontzegging niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van verdachte reeds ingevorderd en ingehouden is geweest in mindering wordt gebracht op het onvoorwaardelijke deel van de rijontzegging;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] en [benadeelde 2] van € 8.801,49 ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de nabestaanden van [slachtoffer], € 8.801,49 te betalen, bij niet-betaling te vervangen door 79 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Oostendorp, voorzitter, mr. E.A. Messer en mr. E.A.A. van Kalveen rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. van der Landen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 8 november 2011.

De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.