Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU3555

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-11-2011
Datum publicatie
08-11-2011
Zaaknummer
16/600686-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling in verband met poging doodslag, te weten een klap met een hamer op het hoofd van het slachtoffer. Verdachte is licht verminderd toerekeningsvatbaar. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, waarvan 15 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600686-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 november 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1971] te [geboorteplaats] (Marokko)

wonende te [adres], [woonplaats]

Gedetineerd in P.I. Utrecht, locatie Wolvenplein te Utrecht.

raadsman mr. C.C. Polat, advocaat te Breukelen

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 24 oktober 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

op 10 juli 2011 te Zeist heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de ten laste gelegde poging tot doodslag, aangezien verdachte maar één keer met de hamer op het hoofd van [slachtoffer] heeft geslagen terwijl verdachte wel de mogelijkheid had om meerdere malen te slaan. Deze handelwijze van verdachte kan naar het oordeel van de verdediging niet op meer dan op zware mishandeling gericht zijn geweest.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de aangever slechts “een tikje op het hoofd” met de hamer heeft gegeven.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 11 juli 2011 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan ter zake van zware mishandeling. Daarbij heeft aangever verklaard dat hij op zondag 10 juli 2011 omstreeks 13:00 uur de deurbel van zijn woning aan [adres] te [woonplaats] twee keer hoorde overgaan. Aangever opende de voordeur en zag dat er iemand voor hem stond. Deze persoon zei helemaal niets en bewoog ook niet. Omdat aangever visueel gehandicapt is, kon hij de gelaatsuitdrukking van de persoon niet zien.

Ineens voelde aangever een harde klap op zijn hoofd. Aangever zag vanwege zijn handicap de slagbeweging niet aankomen. Aangever realiseerde zich op dat moment dat degene die hem op zijn hoofd sloeg, zijn onderbuurman [verdachte], zijnde verdachte, was.

Aangever is gaan gillen, van angst, om aandacht van derden op zich te vestigen en in de hoop dat verdachte dan weg zou lopen. Aangever zag vervolgens dat verdachte zich omdraaide en wegliep. Aangever merkte dat hij hevig bloedde, voelde een brandende pijn en was ook misselijk en duizelig.

Aangever is met een ambulance naar het UMC Utrecht gebracht en is gezien op de spoedeisende hulp van dat ziekenhuis. Daar werd een wond op het hoofd, half circulair, van 3 cm met wijkende wondranden vastgesteld. Deze wond is met 5 hechtingen gehecht.

Na een melding van de regionale meldkamer dat een man op [straat] op zijn hoofd was geslagen met een hamer, zag verbalisant [verbalisant] op De Voorheuvel te Zeist een manspersoon lopen die zijn aandacht trok omdat hij een op een hamer gelijkend voorwerp in zijn broekzak had zitten. De man is staande gehouden en de verbalisant hoorde de man tegen hem zeggen: ‘Ik heb iemand geslagen’. De man heeft op verzoek de hamer uit zijn broekzak gehaald en bij een boom op de grond neergelegd. Hierna is de man aangehouden. Bij zijn aanhouding hoorde verbalisant de man duidelijk zeggen: ‘Ik heb die man geslagen. De aangehouden man bleek te zijn genaamd [verdachte], zijnde verdachte.

Voornoemde hamer, een klauwhamer, is in beslag genomen.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij op 10 juli 2011 niet precies wist wat hij deed, dat hij wist dat aangever niet goed kon zien en dat hij aangever gewoon een tikje met de hamer op zijn hoofd heeft gegeven.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de inhoud van de verklaringen, de bloedplas op de grond en het geheel met bloed bevlekte t-shirt van aangever , de door verbalisant beschreven onvastheid van aangever , de foto van het hoofd van aangever, waarop de contouren van afdruk van de hamer duidelijk zichtbaar zijn en de hiervoor aangehaalde medische beschrijving van de verwonding kan worden vastgesteld dat verdachte niet “een tikje” maar een forse klap met de hamer heeft gegeven op het hoofd van de aangever.

Dergelijk slaan met de hamer door verdachte op het hoofd van aangever zou zeer wel de dood tot gevolg kunnen hebben gehad. Het hoofd, in het bijzonder de hersenen, is/zijn immers een zeer kwetsbaar deel van het lichaam. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat een schedel zwakkere en minder zwakke plekken heeft en dat de ene schedel sterker is dan de andere. Voorts weegt mee dat eigen aan een (klauw)hamer is, dat de zware kop door de slagbeweging als het ware een eigen momentum ontwikkelt, zodat geen sprake is van een uiterst gecontroleerde beweging, waarmee de verdachte de schade bewust zou hebben kunnen beperken tot een verwonding zonder beschadiging van de schedel.

Door zo te handelen heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zou komen te overlijden en heeft hij die kans blijkens die wijze van handelen ook bewust aanvaard.

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 10 juli 2011 te Zeist, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een hamer op zijn hoofd heeft geslagen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

poging tot doodslag

5.2 De strafbaarheid van verdachte

De psychiater dr. H.E.M. van Beek, rapporteert op 10 oktober 2011, zakelijk weergegeven:

-dat verdachte een normale jeugd had;

-dat verdachte door langdurig en intensief hard- en softdrugsgebruik van zijn 23e tot zijn 34e jaar in die tijd een fors strafblad heeft gekregen;

- dat al een aantal jaren sprake is van depressieve klachten, die gelet op de duur (meer dan 2 jaar) en frequentie (de meeste dagen van de week) zijn aan te duiden als dysthyme stoornis;

- dat verdachte alleen in 2008 kort is behandeld met antidepressiva;

- dat verdachte sinds een klaplong in februari 2011 pijnklachten heeft waardoor hij geheel inbeslaggenomen wordt (al lijken die pijnklachten iets af te nemen in de loop van het onderzoek);

-dat de persoonlijkheid door de depressieve klachten en de pijnklachten niet goed te beoordelen is.

De psychiater concludeert dat de depressieve stemming de pijnklachten versterkte en dat verdachte door de depressieve en pijnklachten de geluidsoverlast van zijn buurman (de rechtbank begrijpt: de door de verdachte gestelde geluidsoverlast van zijn buurman) niet goed kon verdragen.

Verdachte beschikte, aldus Van Beek, door de dysthyme stoornis en de pijnklachten niet helemaal over een vrije wil en is daarom te beschouwen als licht verminderd toerekeningsvatbaar.

De overdosis medicijnen die hij enige uren voor het feit had genomen, heeft volgens deze deskundige nagenoeg geen invloed gehad op het tenlastegelegde.

De psycholoog dr. D.J. Burck rapporteert op 8 oktober 2011, zakelijk weergegeven:

Verdachte lijdt aan een depressie, die gelet op de aard en de duur kan worden gekwalificeerd als dysthyme stoornis (meer dan twee jaar depressieve symptomen), mogelijk ook als chronische depressie (meerdere periodes van ernstiger depressieve klachten). Verdachte is in een isolement geraakt, had slaapproblemen en een laag gevoel van eigenwaarde. Verdachte komt uit psychologisch onderzoek naar voren als zwakbegaafd, al komt dat niet overeen met het beweerde opleidingsniveau.

De pijnklachten benoemt Burck als somatoforme stoornis, dat wil zeggen dat het gaat om klachten die door een medische/neurologische oorzaak niet helemaal verklaard worden. De stoornis is ongedifferentieerd, dat wil zeggen nog in ontwikkeling.

Burck houdt een oordeel over de persoonlijkheidsproblematiek aan, omdat de hiervoor genoemde depressie en stoornis overheersen, maar beschrijft wel een narcistische dynamiek (vermijden van krenking, alleen eigen lijden zien, weinig rekening houden met de ander) en suggereert een achterliggend trauma.

Over het verband tussen het ten laste gelegde en de psyche van verdachte schrijft Burck:

Verdachte is een depressief en eenzaam mens, die zijn situatie steeds meer als uitzichtloos ervoer. De conflicten met de buurman droegen daaraan bij. Dit uitte zich in de vorm van klachten over lichamelijk lijden, die in toenemende mate als ondragelijk werden ervaren. De dysthyme stoornis en de somatoforme stoornis gingen elkaar versterken. Verdachte voelde zich gekrenkt doordat de buurman met zijn geluidsoverlast en zijn racistische uitlatingen (de rechtbank begrijpt: de door de verdachte gestelde geluidsoverlast van zijn buurman en zijn racistische uitlatingen) als het ware de problematiek van onderzochte overstemde. Hij heeft daar met een impulsieve daad een einde aan proberen te maken.

Het vermogen om handelingsalternatieven te zien werd beperkt door de invloed van de dysthyme stoornis en de ongedifferentieerde somatoforme stoornis, met de kwetsbare persoonlijkheidsstructuur en de cognitieve beperkingen.

Geadviseerd wordt verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen dat verdachte voor zijn handelen deels toerekeningsvatbaar is, over. Dat betekent dat verdachte strafbaar is.

Er is namelijk (ook overigens) niet gebleken van een omstandigheid die de strafbaarheid geheel uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden:

-verplicht reclasseringstoezicht;

-behandeling (ambulant/klinisch) in een door het IFZ te bepalen inrichting, voor zolang als die inrichting of de reclassering dat nodig vindt.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat in strafmatigende zin rekening dient te worden gehouden met de omstandigheden waaronder verdachte het feit gepleegd heeft. Hij werd gepest en getreiterd door de buren en in het bijzonder door de aangever. Vanwege de stress en pijnen heeft verdachte veel medicijnen geslikt waardoor hij niet meer helder kon denken.

Omdat naar de mening van de verdediging de poging tot doodslag niet kan worden bewezen, heeft de verdediging aansluiting gezocht bij de LOVS-afspraken ten aanzien van het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Daarbij heeft de verdediging betoogd dat, gelet op het letsel bij [slachtoffer], sprake is van middelzwaar lichamelijk letsel.

De verdediging heeft verzocht verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 7 maanden, met aftrek van de dagen die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 3,5 maanden voorwaardelijk, met als bijzondere voorwaarden: reclasseringstoezicht en ambulante hulp.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

De verdachte heeft zijn bovenbuurman met een klauwhamer bovenop het hoofd geslagen.

Omdat het hoofd en (in het bijzonder) de hersenen een zeer kwetsbaar lichaamsdeel vormt/vormen is dat door de rechtbank gekwalificeerd als poging tot doodslag.

Een dergelijk feit heeft voor een slachtoffer grote gevolgen: behalve het letsel en de pijn ook de angst dat zoiets opnieuw zou kunnen gebeuren. Bij dit kwetsbare slachtoffer speelt dat, rekening houdende met zijn slechte gezichtsvermogen, sterker dan bij andere slachtoffers.

Een dergelijk feit roept ook breder, in de maatschappij, gevoelens van onveiligheid op.

Voor dit delict zijn geen uitgangspunten geformuleerd door het overleg van strafsectorvoorzitters (LOVS).

De rechtbank heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en op de mate waarin het bewezen verklaarde feit leed teweeg heeft gebracht bij het slachtoffer.

Het slachtoffer was visueel ernstig gehandicapt en dus extra weerloos tegen een plotselinge uithaal door verdachte. Verdachte was hiervan op de hoogte. Het slachtoffer heeft verklaard dat de klap voor hem letterlijk uit het niets kwam. Maar de rechtbank is van oordeel dat de klap voor hem ook figuurlijk gezien “uit het niets” kwam, omdat de rechtbank het beeld dat de verdachte van het slachtoffer heeft geschetst, te weten van een geluidsoverlastveroorzakende racist, op geen enkele wijze bevestigd ziet in de stukken.

Integendeel, uit de stukken blijkt dat het slachtoffer, verdachtes bovenbuurman, juist een zorgmelding en een verzoek om hulp voor verdachte heeft gedaan, omdat hij de verdachte geregeld hoort kreunen en weet dat verdachte pijn ervaart.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat dit zorgzame beeld van de buurman bevestigd wordt door

- het gegeven dat het slachtoffer geen vordering instelt tot vergoeding van immateriële schade, hoewel die wel in de slachtofferverklaring wordt beschreven

- de slachtofferverklaring, waarin het slachtoffer geen woede uit richting verdachte, maar slechts woede richting de instanties, die op zijn verzoek om hulp voor verdachte niet adequaat gereageerd hebben.

De stelling van de verdediging dat verdachte werd gepest en getreiterd door zijn buren en in het bijzonder door het slachtoffer wordt derhalve verworpen. Daarvan is geenszins gebleken. De redeloosheid van de aanval werkt daarentegen strafverzwarend. De rechtbank weegt ook mee dat verdachte eerder is veroordeeld voor feiten met een geweldselement.

Er zijn ook factoren die in het voordeel van de verdachte worden meegenomen:

De verdachte heeft zich, na de ene slag met de hamer, verwijderd, volgens eigen zeggen om naar het politiebureau te gaan.

Nadat de verdachte de verslaving achter zich gelaten heeft, heeft hij ook geen strafbare feiten meer gepleegd.

In het bijzonder weegt hier het volgende mee. De beide deskundigen achten de verdachte licht respectievelijk enigszins verminderd toerekeningsvatbaar.

Het beeld dat de rechtbank van de verdachte heeft gekregen op de zitting correspondeert met het beeld dat de deskundige Burck schetst: zwakbegaafd, met een grote lijdensdruk, met de neiging zichzelf als slachtoffer te zien en zonder medeleven te voelen met het werkelijke slachtoffer, en vooral ook zonder wezenlijk ziekte-inzicht. Dit is ook een beeld dat uit het rapport van het Leger des Heils, afdeling reclassering van 20 oktober 2011 naar voren komt.

Van belang is nog dat de beide NIFP-deskundigen lijken uit te gaan van de door de verdachte beweerde overlast van zijn buurman. De rechtbank schat die overlast anders in, zoals hiervoor overwogen, al acht zij aannemelijk dat de verdachte dit, door de geschetste depressieve – en pijnklachten, anders ervaren heeft. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat de medicijnen die hij enige uren voor het feit had genomen, volgens de psychiater geen invloed hebben gehad op het tenlastegelegde.

Het vorenstaande, alsmede het ontbreken van ziekte-inzicht, maken dat de rechtbank de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar acht, zelfs in wat sterkere mate dan de NIFP-deskundigen adviseren.

Alles overziende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur passend en geboden is. De rechtbank zal een deel daarvan voorwaardelijk opleggen. Dat de rechtbank daarmee tot een lagere strafoplegging komt dan door de officier van justitie gevorderd, berust mede op het inzicht van de rechtbank dat ook de maatschappij gebaat is bij behandeling van de verdachte om herhaling te voorkomen.

Die behandeling zal na afloop van de detentie, naar het zich nu laat aanzien, tenminste gedeeltelijk in een gesloten kader moeten plaatsvinden.

De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel eveneens als bijzondere voorwaarde verbinden dat de verdachte zich gedurende de proeftijd niet mag begeven in [straat] te Zeist en niet binnen een straal van 500 meter rond die straat. Deze voorwaarde strekt ertoe de buurman, die door het gebeuren erg veel angst heeft geleden en lijdt, te beschermen tegen herhaling, én hem enigszins te bevrijden van de door de verdachte veroorzaakte angst.

De deskundige Van Beek adviseert een ambulante behandeling met reclasseringtoezicht.

De deskundige Burck geeft in haar advies aan dat een dergelijke behandeling alleen kan slagen als tenminste sprake is van een stabiele huisvestingssituatie en ziet klinische behandeling als alternatief.

De reclassering heeft in haar rapport aangegeven dat de woningbouwvereniging verdachte niet in zijn woning wil laten terugkeren en alleen een nieuwe woning wil aanbieden bij een intensief ambulant behandelingstraject. Altrecht acht echter de adviezen van de NIFP rapporteurs daartoe ontoereikend en voorziet een klinische opname alleen al voor de diagnostiek. Binnen deze opname kan dan, aldus Altrecht, na verloop van tijd een ambulant traject worden ingezet.

De rechtbank is, zoals hiervoor aangegeven, van oordeel dat de detentie gevolgd dient te worden door een klinische opname, reeds omdat de door de deskundige Burck aangegeven voorwaarde voor ambulante behandeling niet direct vervuld kan worden.

De rechtbank merkt daarbij op dat zij ervan uitgaat dat het instellen op de juiste medicatie, diagnostiek wat betreft de persoonlijkheid en indicatiestelling reeds tijdens de detentie in gang gezet worden.

Uiteraard is het ook wenselijk dat de verdachte na afloop van de detentie, gedurende en vooral ook na de klinische opname begeleiding en hulp krijgt van de reclassering, mede ter verkrijging van een andere woning. Ook daartoe zullen bijzondere voorwaarden worden opgenomen.

7 Het beslag

7.1 De onttrekking aan het verkeer

Het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat het feit is begaan met behulp van het voorwerp.

7.2 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het andere hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp aan verdachte, aangezien dat voorwerp niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag is genomen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36b, 36c, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

poging tot doodslag

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 15 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat de verdachte zich gedurende de proeftijd niet zal ophouden in de straat: [straat] te Zeist en ook niet binnen een straal van 500 meter rondom genoemde straat;

- dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die verdachte zullen worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland (of andere instelling), zolang deze instelling dat wenselijk acht;

- de verplichting dat verdachte zal verblijven in en zal meewerken aan een klinische behandeling in een voor verdachte meest geschikte behandelsetting in een inrichting te bepalen door het NIFP/IFZ, dat hiertoe een inrichting zal aanwijzen waar feitelijke invulling aan een dergelijke intramurale behandeling zal kunnen worden gegeven, met inachtneming van de mate van zorg en beveiliging die voor veroordeelde noodzakelijk is. De behandeling van verdachte zal 24 maanden (de duur van de proeftijd) duren, of zoveel korter als de leiding van de te bepalen inrichting in overleg met de reclassering noodzakelijk acht;

- draagt deze (reclasserings)instelling op om aan veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomen voorwerp te weten: een hamer (421192);

- gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten: een blauwe jeansbroek (421200).

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Grapperhaus, voorzitter, mr. M.J. Veldhuijzen en

mr. N. van der Velden, rechters, in tegenwoordigheid van A. Heijboer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 7 november 2011.

Mrs. M.J. Veldhuijzen en N. van der Velden zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.