Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU3388

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
01-11-2011
Datum publicatie
04-11-2011
Zaaknummer
SBR 10-1455
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering bouwvergunning: realisatie dakterras.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 10/1455

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woerden,

verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [A], wonende te [woonplaats].

Inleiding

1.1 Bij besluit van 19 oktober 2009 heeft verweerder aan eiser een (lichte) bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een balkonhekwerk op het perceel [adres 1] te [woonplaats]. [A] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.2 Bij besluit van 18 maart 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder op het bezwaar van [A] beslist, dit bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 19 oktober 2009 herroepen en de bouwvergunning alsnog geweigerd.

1.3 Eiser heeft hiertegen op 29 april 2010 beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.4 Het beroep is behandeld ter zitting van 24 augustus 2011, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. L. de Boer, werkzaam bij Stichting Univé Rechtshulp. Namens verweerder zijn verschenen mr. J.L. van den Dool en mr. O. Netze, beiden werkzaam bij de gemeente Woerden. De derde-partij, [A], is -met voorafgaande kennisgeving- niet verschenen.

Overwegingen

2.1 Het -inmiddels gerealiseerde- bouwplan voorziet in het aanbrengen van een zwart thermisch verzinkt stalen hekwerk op een aanbouw aan de achterzijde van de woning op het perceel [adres1] te [woonplaats]. De aanvraag dateert van 10 september 2009.

2.2 Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten op het gebied van het bouwrecht gewijzigd. Op grond van artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo is in deze zaak echter nog het recht van toepassing zoals dat gold voor 1 oktober 2010, omdat de aanvraag voor 1 oktober 2010 is ingediend. Dat betekent dat deze zaak wordt beoordeeld op de voet van de relevante bepalingen uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Woningwet.

2.3 Ingevolge artikel 40 van de Woningwet is voor het realiseren van het bouwplan een bouwvergunning vereist. In artikel 44, eerste lid, van de Woningwet staan de gevallen genoemd waarin een bouwvergunning moet worden geweigerd. Dit is onder meer, voor zover hier relevant, het geval wanneer het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Doen zich geen van de in artikel 44 van de Woningwet genoemde weigeringsgronden voor, dan moet de bouwvergunning worden verleend.

2.4 Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bouwplan getoetst aan het ten tijde van dat besluit geldende bestemmingsplan “Kern Harmelen 2009”.

2.5 Uitgangspunt is dat bij het nemen van een beslissing op bezwaar het recht moet

worden toegepast zoals dat op dat moment geldt. Aan een ten tijde van de indiening bij de gemeente van een bouwaanvraag nog wèl, maar ten tijde van de beslissing daarop, dan wel ten tijde van de heroverweging in bezwaar daarvan, niet meer geldend bestemmingsplan mag, bij wijze van uitzondering op dat uitgangspunt, slechts worden getoetst indien ten tijde van de indiening van de bouwaanvraag het daarin vervatte bouwplan in overeenstemming was met het toen geldende bestemmingsplan en er op dat moment nog geen voorbereidingsbesluit van kracht was geworden voor een nieuw bestemmingsplan dan wel een nieuw bestemmingsplan ter inzage was gelegd, waarmee dat bouwplan in strijd was.

2.6 Gegeven het vorenstaande is de rechtbank met partijen van oordeel dat verweerder bij het bestreden besluit het bouwplan terecht heeft getoetst aan het ten tijde van dat besluit geldende bestemmingsplan “Kern Harmelen 2009”. Voor het maken van een uitzondering op voormeld uitgangspunt was hier immers geen plaats, omdat ten tijde van de indiening van de bouwaanvraag dit nieuwe bestemmingsplan ter inzage was gelegd.

2.8 Artikel 17.1.1, aanhef en onder i, van de planvoorschriften behorende bij het bestemmingsplan “Kern Harmelen 2009” bepaalt dat op ieder perceel met een bestaande woning aanbouwen, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mogen worden gebouwd, met dien verstande dat dakterrassen niet zijn toegestaan. Voor beantwoording van de vraag of het bouwplan past binnen voormeld planvoorschrift is derhalve bepalend of met het realiseren van het bouwplan sprake is van een dakterras. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 1.30, van de planvoorschriften behorende bij voornoemd bestemmingsplan wordt onder dakterras verstaan: een niet door wanden omsloten bouwlaag op de eerste of hogere verdieping van een hoofd-, bij- of aanbouw, welke geschikt is gemaakt voor verblijf.

2.9 Eiser heeft betoogd dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan “Kern Harmelen 2009”, omdat het bouwplan niet ziet op realisering van een dakterras. Het platte dak is volgens eiser niet ingericht als terras. Voorts heeft eiser gesteld dat het platte dak niet voldoet aan de constructieve vereisten voor het gebruik als dakterras. Er kan volgens hem niet met meerdere mensen langdurig op het dak worden verbleven. Eiser heeft gesteld dat het betreden van het dak enkel noodzakelijk is om onderhoud- en schoonmaakwerkzaamheden te kunnen verrichten, zodat een hekwerk ingevolge het Bouwbesluit verplicht is, maar ook noodzakelijk is om op een verantwoorde wijze genoemde werkzaamheden te verrichten.

2.10 De rechtbank overweegt als volgt. Bij de toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan gaat het om het concreet beoogde gebruik van het bouwwerk. In dit verband vermeldt de aanvraag bij de vraag wat het gebruik van het bouwwerk na uitvoering van de werkzaamheden is, dat het bouwwerk bedoeld is als balkon. Hieruit kan worden afgeleid dat bedoeld is om op het dak van de aanbouw te verblijven. Vast staat dat een deur aanwezig is, die toegang tot het platte dak verstrekt. Voorts is van belang dat tegels op het dak liggen. Gelet op de aanwezige constructie, in onderling verband en samenhang bezien, en gelet op het beoogde gebruik van het bouwwerk als verblijf is de rechtbank met verweerder van oordeel dat het bouwplan ziet op het realiseren van een dakterras, wat voldoet aan de in de planvoorschriften opgenomen begripsbepaling van dakterras. Dat het platte dak niet bijvoorbeeld door de plaatsing van stoelen is ingericht als dakterras betekent niet dat het bouwwerk niet als verwezenlijking van een dakterras kan worden aangemerkt. Voorts kan de omstandigheid dat het platte dak niet voldoet aan de constructieve vereisten om met een grote groep mensen op het dak langdurig te verblijven, evenmin aan het oordeel dat het bouwplan ziet op het realiseren van een dakterras afdoen.

2.11 Gelet op het voorgaande is het bouwplan in strijd met artikel 17.1.1, aanhef en onder i, van de planvoorschriften behorende bij het bestemmingsplan “Kern Harmelen 2009”. De beroepsgrond van eiser slaagt dan ook niet.

2.7 De rechtbank merkt nog op dat, indien verweerder de beslissing op de aanvraag had aangehouden op de voet van artikel 50 van de Woningwet zoals dat gold ten tijde van de aanvraag, het nieuwe bestemmingsplan aan vergunningverlening in de weg zou hebben gestaan, zodat eiser, doordat de beslissing op de aanvraag niet is aangehouden, niet is benadeeld.

2.12 Eiser heeft zich verder beroepen op het overgangsrecht, zoals is neergelegd in het bestemmingsplan “Kern Harmelen 2009”. Eiser heeft betoogd dat het bouwwerk op grond van het overgangsrecht alsnog onder het bestemmingsplan valt, omdat het bouwwerk op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan reeds aanwezig was.

2.13 Het overgangsrecht is geregeld in artikel 22 van de planvoorschriften behorende bij het bestemmingsplan “Kern Harmelen 2009”. Ten aanzien van bouwwerken is -voor zover hier relevant - het volgende bepaald:

“22.1.1 Afwijkende bouw

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:

a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

b. (…).

(…)

22.1.3 Uitzondering

Het bepaalde in lid 22.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die

weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan,

maar zijn gebouwd in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder

begrepen de overgangsbepaling van dat plan.”

Ten aanzien van het gebruik is -voor zover hier relevant- het volgende bepaald:

“22.2 Overgangsrecht gebruik

a. Het gebruik van grond en bouwwerken, dat bestond op het tijdstip van

inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

b. (…)

c. (…)

d. (…).”

2.14 Aangezien eiser een beroep doet op het in het bestemmingsplan neergelegde overgangsrecht dient de rechtbank, naast de beoordeling of het bouwwerk zich verdraagt met het overgangsrecht met betrekking tot het gebruik, waarop eiser doelt, te beoordelen of het bouwwerk zich voorts verdraagt met het overgangsrecht met betrekking tot bouwvoorschriften. Gelet op het bepaalde in artikel 22.1.1. in samenhang met artikel 22.1.3 van de planvoorschriften is afwijkende bouw niet toegestaan op bouwwerken, die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, maar die zijn gebouwd in strijd met het daarvoor geldende plan.

2.15 Ingevolge het daarvoor ter plaatse geldende geldende bestemmingsplan “Harmelen 1986” rust op het betrokken perceel de bestemming “Woondoeleinden met bijbehorende erven, klasse A”. Ingevolge artikel 3, aanhef en sub g, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de kaart voor ‘woondoeleinden met bijbehorende erven, klasse A’ aangewezen gronden bestemd voor woningen met de daarbij behorende aanbouwen, met dien verstande dat de hoogte van een aanbouw binnen stroken A en B ten hoogste gelijk mag zijn aan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw, met een maximum van 3 meter.

2.16 Naar het oordeel van de rechtbank moet het aanbrengen van een hekwerk, waarmee, zoals hiervoor reeds is overwogen, een dakterras wordt gerealiseerd, worden aangemerkt als een verandering van de aanbouw. Vaststaat dat de hoogte van de aanbouw inclusief hekwerk 4 meter bedraagt. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het bouwplan niet voldoet aan de in artikel 3 van het daarvoor geldende bestemmingsplan opgenomen hoogtebepalingen voor aanbouwen. Wat er zij van hetgeen eiser omtrent het overgangsrecht van het gebruik van het bouwwerk naar voren heeft gebracht, gaat het beroep op het overgangsrecht reeds niet op, omdat het bouwwerk wat betreft bouwvoorschriften in strijd is met het daarvoor geldende bestemmingsplan. De beroepsgrond van eiser slaagt niet.

2.17 Het voorgaande betekent dat de bouwvergunning in beginsel moet worden geweigerd, behoudens indien verweerder bereid is deze strijdigheid op te heffen door een ontheffing te verlenen.

2.18 Omdat het bouwplan in strijd is met het vigerende bestemmingsplan heeft verweerder de aanvraag om een bouwvergunning terecht mede opgevat als een verzoek om ontheffing te verlenen van het bestemmingsplan. Het al dan niet verlenen van een ontheffing, in dit geval op de voet van artikel 3.23 van de Wro, is een aan verweerder toekomende discretionaire bevoegdheid, die door de rechtbank navenant terughoudend wordt getoetst.

2.19 Eiser heeft aangevoerd dat verweerder niet danwel onvoldoende heeft gemotiveerd waarom verweerder geen medewerking wenst te verlenen aan een ontheffingsprocedure. Evenmin blijkt volgens eiser dat verweerder bij het nemen van het besluit de betrokken belangen heeft afgewogen. Eiser heeft hiertoe gesteld dat het verlenen van ontheffing enkel wordt geweigerd vanwege een mogelijke aantasting van de privacy van de buren. Aan het belang van de buren bij behoud van privacy kan volgens eiser echter tegemoet worden gekomen door de plaatsing van een privacyscherm. Het gevolg van het bestreden besluit is dat eiser het reeds geplaatste hekwerk dient te verwijderen, zodat de (financiële) consequenties van het bestreden besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen, aldus eiser.

2.20 De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder heeft aan het besluit om geen ontheffing te verlenen ten grondslag gelegd dat het ten tijde van dat besluit geldende bestemmingsplan “Kern Harmelen 2009” dakterrassen niet toestaat. Voorts heeft verweerder het creëren van een dakterras uit een oogpunt van uitzicht, privacy en precedentwerking niet wenselijk geacht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid groot gewicht mogen toekennen aan het algemene belang vast te houden aan het in het recente bestemmingsplan neergelegde nieuwste inzicht en heeft verweerder, mede gelet op de grootte van het dakterras en de situering van het bouwplan ten opzichte van de woningen van omwonenden, in eisers belang tot het verlenen van ontheffing geen aanleiding hoeven te zien om daarvan af te wijken. Hoewel de rechtbank zich ervan bewust is dat eiser negatieve (financiële) gevolgen van het bestreden besluit zal ondervinden, dienen deze gevolgen voor rekening en risico van eiser te blijven, nu eiser ervoor heeft gekozen het hekwerk reeds te plaatsen alvorens een bouwvergunning aan te vragen. Gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen ontheffing te verlenen van het bestemmingsplan. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van een motiveringsgebrek. Het betoog slaagt niet.

2.21 Eiser heeft voorts met een beroep op het gelijkheidsbeginsel betoogd dat hem niettemin een ontheffing had moeten worden verleend, daarbij verwijzend naar vijf van de twaalf woningen van de evenzijde van de [straat], waarbij een balkon of verdieping op de uitbouw is gecreëerd. Dit betoog slaagt niet, omdat geen sprake is van gelijke gevallen. De door eiser genoemde woningen, behalve de woning aan de [adres 2], betreffen kleine balkons van slechts 1 meter diep, en niet, zoals in dit geval, een dakterras. Het door eiser aangehaalde adres aan de [adres 2] betreft weliswaar een dakterras, maar de vergunning hiervoor is in 1986 verleend, vooruitlopend op het bestemmingsplan “Harmelen 1986”, waarin een ontheffing voor een tweede laag zat.

2.22 Omdat de geconstateerde strijd met het bestemmingsplan niet door het verlenen van

ontheffing is opgeheven, heeft verweerder - gezien het limitatieve en imperatieve stelsel van artikel 44 van de Woningwet - terecht de door eiser gevraagde bouwvergunning geweigerd.

Dit leidt tot de conclusie dat de door eiser aangevoerde beroepsgronden niet kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

2.23 Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, als rechter, en in het openbaar uitgesproken op

1 november 2011.

De griffier: De rechter:

(De griffier is verhinderd deze

uitspraak mede te ondertekenen.)

G. Klapwijk mr. J.M. Willems

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.