Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU3200

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-10-2011
Datum publicatie
02-11-2011
Zaaknummer
16/512478-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte neemt beelden op van minderjarige die sexuele handeling uitvoerd voor de webcam. Met behulp van de beeld maakt verdachte zich schuldig aan grooming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/512478-10

Datum uitspraak: 25 oktober 2011

Vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken op tegenspraak gewezen in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1992] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

Raadsvrouwe: mr. S.M.J. van de Ven, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 11 oktober 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. zich schuldig heeft gemaakt aan het verspreiden, vervaardigen, invoeren, uitvoeren of in het bezit hebben van kinderpornografische afbeeldingen;

2. zich schuldig heeft gemaakt aan ‘grooming’, te weten het door middel van een geautomatiseerd netwerk of met gebruikmaking van een communicatiedienst een ontmoeting voorstellen aan iemand beneden de 16 jaar met het doel ontuchtige handelingen met die persoon te plegen en daartoe een concrete actie heeft ondernomen.

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in het vervaardigen, in bezit hebben en verspreiden van kinderporno. Zij acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de onder 2 ten laste gelegde ‘grooming’, nu verdachte -naar haar mening- geen handeling heeft ondernomen ter verwezenlijking van de door hem voorgestelde ontmoeting.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Namens verdachte is ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit aangevoerd dat hij schuldig dient te worden verklaard zonder oplegging van straf, omdat hij niet op de hoogte was van de exacte (jonge) leeftijd van [slachtoffer], hij niet als enige het initiatief heeft genomen tot seksueel getint gedrag en hij bovendien nooit de intentie heeft gehad tot het plegen van een strafbaar feit. Er zou sprake zijn geweest van onschuldig pubergedrag.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit is door de verdediging vrijspraak bepleit. Verdachte had -zou hij op de hoogte zijn geweest van de leeftijd van [slachtoffer]- nooit een ontmoeting aan haar voorgesteld.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Feiten blijkend uit de bewijsmiddelen

Ten aanzien van feit 1

[slachtoffer], geboren op [1996] , heeft verklaard dat zij op oudejaarsavond 2009 (31 december 2009) voor de webcam vrijwillig seksuele handelingen heeft verricht terwijl verdachte naar de beelden keek. Zij was er op dat moment niet van op de hoogte dat verdachte de beelden opnam met zijn mobiele telefoon. Op 4 januari 2010 heeft verdachte haar laten weten dat hij voornoemde handelingen had opgenomen en heeft hij de beelden op het internet geplaatst .

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de seksuele handelingen van [slachtoffer] zonder haar medeweten heeft opgenomen met zijn mobiele telefoon. Hoewel zij zich bij een van de eerste contacten had voorgesteld als een 16-jarig meisje, was verdachte op oudejaarsavond in ieder geval op de hoogte van haar jonge leeftijd. Verdachte heeft daaromtrent ter zitting verklaard dat hij wist dat het niet goed was, maar dat ze toch doorgingen .

Ten aanzien van feit 2

[slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte op 4 januari 2010 via MSN aan haar heeft bericht dat als zij op zondag geen seks met hem zou hebben, hij het filmpje op YouTube zou zetten . Uit de gespreksgeschiedenis van 4 januari 2011 blijkt dat verdachte en [slachtoffer] via internet, te weten via MSN, contact hadden. Verdachte meldt dat hij [slachtoffer] had gefilmd toen zij met de webcam bezig was en “dat ze het moesten gaan doen, anders zou het filmpje op internet komen”. Verdachte en [slachtoffer] chatten vervolgens over de dag (zaterdag of zondag) waarop verdachte wil afspreken om seks te hebben. Verdachte heeft ook aan [slachtoffer] gevraagd of zij begrepen had wat de bedoeling was, waarop zij antwoordde “ja, neuke”.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het zijn bedoeling was om [slachtoffer] in het echt te zien en seks met haar te hebben. Op dat moment wist verdachte dat [slachtoffer] nog geen 16 jaar oud was .

4.3.2 Nadere bewijsoverweging

Ten aanzien van beide feiten

Het verweer van de raadsvrouw dat verdachte niet wist of redelijkerwijs kon vermoeden [slachtoffer] de leeftijd van 16 jaren nog niet had bereikt wordt verworpen. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij een maand voor het plaatsen van de beelden op internet wist dat [slachtoffer] geen 16 jaar, maar 13 jaar oud was. Ter terechtzitting heeft verdachte nogmaals bevestigd dat hij op de hoogte was van haar werkelijke leeftijd en dat hij wist dat het niet goed was de seksuele handeling te filmen en vervolgens op internet te plaatsen, maar dat zij desondanks doorgingen met het zenden van seksueel getinte berichten.

Ten aanzien van feit 2

Blijkens de Memorie van Toelichting is het voor strafbaarheid van “grooming” ex artikel 248e van het Wetboek van Strafrecht vereist dat de communicatiefase met een persoon van beneden de 16 jaar uitmondt in een voorstel voor een ontmoeting en het verrichten van een handeling gericht op het realiseren van die ontmoeting. Er dient aldus sprake te zijn van het treffen van concrete voorbereidingen op het verwezenlijken van de ontmoeting.

De rechtbank is -in tegenstelling tot hetgeen door de officier van justitie is gesteld- van oordeel dat aan dit vereiste is voldaan, nu verdachte een concrete datum voor het hebben van geslachtsgemeenschap heeft voorgesteld en voorts het verwezenlijken van deze afspraak heeft getracht af te dwingen door te dreigen een film waarop [slachtoffer] seksuele handelingen verricht op internet te zetten. Bovendien is hij nagegaan of het slachtoffer hem goed heeft begrepen. Deze concrete handeling staat overigens niet in de tenlastelegging.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij in de periode van 22 november 2009 tot en met 4 januari 2010 te [woonplaats] een gegevensdrager, bevattende afbeeldingen van seksuele gedragingen, te weten een meisje met ontbloot onderlichaam dat seksuele handelingen bij zichzelf pleegt, bestaande uit het met een voorwerp en het met vingers, maken van heen en weer gaande bewegingen in haar vagina, bij welke vorenbedoelde afbeeldingen telkens een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken, telkens heeft verspreid en vervaardigd en in bezit heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks (vrijdag) 4 januari 2010 te [woonplaats] door middel van een geautomatiseerd werk en/of met gebruikmaking van een communicatiedienst, te weten een internetverbinding, aan [slachtoffer] (geboren [1996]), waarvan hij wist dat deze de leeftijd van 16 jaren nog niet had bereikt, een ontmoeting heeft voorgesteld met het oogmerk ontuchtige handelingen met die [slachtoffer] te plegen, terwijl hij enige handelingen heeft ondernomen, gericht op het verwezenlijken van die ontmoeting, bestaande die handelingen hieruit dat hij, verdachte (via msn) aan die [slachtoffer] liet weten dat zij die zaterdag of zondag seks met hem moest hebben en dat zij ([slachtoffer]) het die zondag met hem moest doen, anders zou hij het filmpje (waarop die [slachtoffer] seksuele handelingen verricht) op YouTube zetten.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

1. een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt verspreiden, vervaardingen en in bezit hebben;

2. door middel van een geautomatiseerd netwerk of met gebruikmaking van een communicatiedienst een ontmoeting voorstellen aan iemand waarvan hij weet dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt met het oogmerk ontuchtige handelingen te plegen met die persoon, welk voorstel tot ontmoeting is gevolgd door enige handeling gericht op het verwezenlijken van die ontmoeting.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte op te leggen een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 60 uren, te vervangen door 30 dagen jeugddetentie, met een proeftijd van 2 jaren.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Namens de verdachte is bepleit dat verdachte voor onder 1 ten laste gelegde schuldig dient te worden verklaard zonder het opleggen van straf en dat verdachte van het onder 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

De verdachte heeft zonder haar medeweten de dertienjarige [slachtoffer] gefilmd op het moment dat zij voor de webcam seksuele handelingen verrichte. Verdachte heeft vervolgens deze film (bevatte zeer intieme kinderpornografische afbeeldingen) op YouTube geplaatst. Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan ‘grooming’ door voornoemde [slachtoffer] te bewegen tot een afspraak om ontuchtige handelingen met haar te plegen. Verdachte heeft daarbij gedreigd de door hem gemaakte film op internet te plaatsen. Door dusdanig te handelen heeft verdachte misbruik gemaakt van het in hem gestelde vertrouwen. Wat er ook zij van het wederzijds (vrijwillig) verzenden van seksueel getinte berichten en afbeeldingen, bovengenoemde handelingen van verdachte hebben een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer, hetgeen naar de ervaring leert, voor haar ernstige psychische gevolgen kan hebben.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met het gegeven dat verdachte blijkens een uittreksel van de justitiële documentatie d.d. 2 september 2011 niet eerder strafbare feiten heeft gepleegd. Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 26 mei 2011 en een rapportage opgesteld door de William Schrikker Groep d.d. 10 oktober 2011. In laatst genoemde rapportage wordt geadviseerd om verdachte te laten deelnemen aan een sociale vaardigheidstraining bij de Rutgers Nisso Groep, gericht op seksualiteit. De rechtbank conformeert zich aan dit advies.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde voorwaardelijke werkstraf van 60 uur voldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte. De rechtbank zal als bijzondere voorwaarde opnemen dat verdachte dient deel te nemen aan voornoemde training, waarbij verdachte wordt begeleid door de William Schrikker Groep. De proeftijd zal daarbij worden bepaald op één jaar.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 1.222,08 voor beide feiten. De officier van justitie acht de vordering in haar geheel toewijsbaar. De advocaat van verdachte is van mening dat de vordering dient te worden afgewezen, nu de vordering onvoldoende is onderbouwd en het causale verband tussen de schade en de delicten ontbreekt.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is voorts voldoende aannemelijk gemaakt. Met betrekking tot de vordering van de immateriële schade acht de rechtbank toewijzing van een bedrag van € 1.000,-- alleszins redelijk. Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen. Verder zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77h,77x, 77y, 77z, 77aa, 240b en 248e van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE BESLISSING

De rechtbank beslist als volgt:

Bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor vermeld, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde strafbaar is en dat dit de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert;

- verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte voorts tot een TAAKSTRAF, bestaande deze straf uit:

een werkstraf voor de duur van 60 uren, te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 30 dagen indien de veroordeelde deze straf niet naar behoren verricht;

- beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht bij de uitvoering van de werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis;

- bepaalt dat deze werkstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders mocht worden gelast;

- stelt daarbij een proeftijd vast van één jaar;

- bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- de veroordeelde na te melden bijzondere voorwaarden niet naleeft:

- dat de veroordeelde in het kader van de maatregel Hulp en Steun zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de door of namens William Schrikker Groep te geven aanwijzingen, zolang die instelling dat nodig acht, met opdracht aan voornoemde instelling de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

- dat de veroordeelde deelneemt aan een sociale vaardigheidstraining bij de Rutgers Nisso Groep, gericht op seksualiteit;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van

€ 1.022,08 waarvan € 22,08 ter zake van materiële schade en € 1.000,00 ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 4 januari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

Veroordeling in kosten

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], € 1022,08 te betalen, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 20 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering voor wat betreft het overige gedeelte van de vordering en dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

Voorlopige hechtenis

- heft het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter en mrs P. Wagenmakers en P.W.G. de Beer, bijgestaan door mr. K. Verspaget-Kruyt als griffier en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 oktober 2011.