Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU2100

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
29-08-2011
Datum publicatie
27-10-2011
Zaaknummer
16-444934-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Werkstraf van 180 uren en een gevangenisstraf van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar ter zake verduistering en oplichitng, meermalen gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/444934-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 augustus 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1975] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

Raadsman mr. P. Reitsma, advocaat te Nijkerk.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 15 augustus 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1:

in de periode van 1 april 2006 tot en met 1 november 2008 te Bunnik in dienstbetrekking 670.000,00 euro heeft verduisterd van [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2]

en/of

deze ondernemingen voor dat bedrag heeft opgelicht

Feit 2:

in de periode van 1 maart 2005 tot en met 1 november 2008 te Bunnik als penningmeester in totaal 2000,00 euro heeft verduisterd van [naam] te Nijkerk.

3. De voorvragen

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

De officier van justitie heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij niet-ontvankelijk is voor zover onder 2 een periode tot 1 augustus 2005 ten laste is gelegd. De rechtbank volgt de officier van justitie daarin niet. Verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, wordt in artikel 322 van het Wetboek van Strafrecht bedreigd met een gevangenisstraf van 4 jaren. Voor de misdrijven waarop gevangenisstraf van meer dan drie jaren is gesteld, vervalt het recht tot strafvordering in twaalf jaren, zoals is bepaald in artikel 70, eerste lid, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt dat verdachte niet ontkent wat hem in de kern wordt verweten, echter merkt de raadsman met betrekking tot de genoemde bedragen in de tenlastelegging het volgende op.

Ten aanzien van feit 1 wordt verdachte verweten dat hij een geldbedrag heeft vervreemd van in totaal 670.000,00 euro. Dit bedrag is volgens de raadsman te hoog, daar ook allerlei kosten en rentes aan het bedrag zijn gekoppeld. De raadsman stelt dat dit bedrag derhalve niet bewezen kan worden verklaard en dat overblijft dat verdachte zich enig geldbedrag wederrechtelijk heeft toegeëigend.

Ten aanzien van feit 2 merkt de raadsman op dat het genoemde bedrag van 2000,00 euro toebehorende aan [naam] (de [naam]), voor zover dat bedrag correct is, slechts kan zijn ontstaan als gevolg van een aantal niet voldane bijdragen van bewoners aan de [naam], maar dat verdachte zich dit bedrag niet heeft toegeëigend.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Aangezien verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft bekend en de raadsman - een ondergeschikt onderdeel van de tenlastelegging daargelaten - niet een vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen op grond van na te noemen bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 15 augustus 2011 ;

- een proces-verbaal van aangifte door [aangever 1] met een daarbij behorende bijlage ;

- een proces-verbaal van bevindingen door [aangever 2] ;

- een proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 29 oktober 2008 ;

- een proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 31 maart 2009 .

De rechtbank oordeelt dat, gelet op de feitelijke gang van zaken terzake de gelden die vanuit [bedrijf 2] door verdachte rechtstreeks naar zijn privérekening zijn overgeboekt, sprake is van verduistering in dienstbetrekking. Verdachte kon over het geld van [bedrijf 2] beschikken en had het geld anders dan door misdrijf onder zich.

De rechtbank is van oordeel dat dit voor de gelden van [bedrijf 1] anders ligt. Verdachte kon niet zonder meer over dit geld beschikken. Door de ingediende valse facturen en de leugens die verdachte over de achtergrond van deze facturen tegen een collega heeft verteld, is [bedrijf 1] bewogen tot de afgifte van het geld. De rechtbank beoordeelt deze gedragingen dan ook als, kort gezegd, oplichting.

Feit 2

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen. De rechtbank is van oordeel dat de geldbedragen die door de oplichting van [bedrijf 1] op de rekening van [naam] zijn terechtgekomen en vervolgens door verdachte zijn opgenomen, niet aan deze vereniging toebehoorden. Bovendien had verdachte deze bedragen niet anders dan door misdrijf onder zich. De rechtbank kan niet vaststellen of verdachte in deze periode zich ook bedragen heeft toegeëigend die niet afkomstig waren van [bedrijf 1]. Om deze redenen acht de rechtbank dit feit niet wettig en overtuigend bewezen en zij zal verdachte hiervan vrijspreken.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 april 2006 tot en met 1 november 2008 te Bunnik opzettelijk meer geldbedragen (in totaal 157.054,33 euro) die geheel toebehoorden aan het bedrijf [bedrijf 2] en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als financieel manager onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend

en

hij in de periode van 1 april 2006 tot en met 1 november 2008 te Bunnik telkens met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen telkens door een listige kunstgreep en door een samenweefsel van verdichtsels, het bedrijf [bedrijf 1] heeft bewogen tot afgifte van meer geldbedragen (in totaal 513.458,05 euro), hebbende verdachte telkens met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – opzettelijk valselijk en listiglijk valse facturen opgesteld onder vermelding van een rekeningnummer op naam van [naam] te Nijkerk, waardoor het bedrijf [bedrijf 1] telkens werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd

en

oplichting, meermalen gepleegd.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen 180 uur werkstraf, subsidiair 90 dagen hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar.

De officier van justitie deelt mede dat zij bij het bepalen van de strafeis rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft zijn leven weer goed op orde. Tevens houdt de officier van justitie er rekening mee dat het feiten van jaren geleden betreft en wijst er daarbij op dat de redelijke termijn overschreden is. De officier van justitie deelt mede dat zij bij het formuleren van de strafeis rekening houdt met het feit dat de zaak niet binnen twee jaar na de aanvang van de vervolging aan de rechtbank is voorgelegd. De officier van justitie wijst op de preventieve werking van een sanctie en is van mening dat deze werking ook hier een rol dient te spelen. Zij benadrukt dat deze feiten niet worden getolereerd, hetgeen mede in het door haar gevorderde voorwaardelijke strafdeel tot uitdrukking komt.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt, gezien de persoonlijke omstandigheden van verdachte, tot het opleggen van een werkstraf, al dan niet met een voorwaardelijke gevangenisstraf.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van enkele jaren schuldig gemaakt aan verduistering en oplichting met betrekking tot grote hoeveelheden geld. Door facturen te vervalsen heeft verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat hij vanuit zijn functie heeft verworven. Verdachte heeft met zijn handelen zijn voormalige werkgever en anderen

ernstig benadeeld, maar hij heeft bovendien het vertrouwen dat men in het zakenleven in elkaar moet hebben ernstig geschaad. Slechts door de alertheid van de voormalige werkgever van verdachte zijn de praktijken van verdachte aan het licht gekomen. Pas toen is aan de jarenlange oplichterspraktijken van verdachte een einde gekomen en konden verder leed en schade worden voorkomen. Verdachte pleegde de feiten steeds om zichzelf te verrijken en om indruk te maken op anderen, onder wie zijn naasten of geliefden.

De rechtbank stelt voorop dat dergelijke feiten in het algemeen leiden tot het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

In het voordeel van verdachte kan in het bijzonder worden opgemerkt dat hij ter terechtzitting een schuldbewuste houding heeft aangenomen, onder meer door zijn spijt meermaals te betuigen. Tevens is ter terechtzitting gebleken dat verdachte de schade volledig heeft geregeld met zijn voormalige werkgever en dat de schade binnen afzienbare tijd volledig zal zijn afbetaald. Verdachte heeft tijdens de terechtzitting blijk gegeven van inzicht in het kwalijke van zijn handelen. Met de deskundige A. Broersma van de reclassering in het reclasseringsadvies van 31 maart 2011 acht de rechtbank de kans op herhaling klein. De rechtbank heeft verder acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte d.d. 5 juli 2011, waaruit blijkt dat verdachte nooit eerder is veroordeeld voor een misdrijf.

Onder deze omstandigheden zal de rechtbank geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen maar zal zij verdachte veroordelen tot een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank zal – evenals de officier van justitie – rekening houden met het feit dat er in deze zaak sprake is van de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat daarbij uit van de datum van het eerste verhoor van verdachte bij de politie als aanvangsdatum van de redelijke termijn, te weten 31 maart 2009. Tot aan de datum van het eindvonnis is dan een termijn van twee jaar en vijf maanden verstreken. De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn met vijf maanden is overschreden. Deze overschrijding is in strijd met het bepaalde in artikel 6 van het EVRM. Om die reden zal de rechtbank het onvoorwaardelijke gedeelte van de straf verminderen met 5%.

De rechtbank acht alles afwegende een werkstraf van 190 uren passend en geboden. Na aftrek van 5%, afgerond 10 uren, in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, resteert een werkstraf voor de duur van 180 uren.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 321, 322, 326 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd

en

oplichting, meermalen gepleegd.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 180 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mr. A. van Maanen en mr. C.S.K. Fung Fen Chung, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. van den Brink, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 29 augustus 2011.