Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU2013

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-08-2011
Datum publicatie
27-10-2011
Zaaknummer
16/710996-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging zware mishandeling (steken met mes). Beroep op noodweer deels toegewezen (OVAR) en deels afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/710996-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 augustus 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1985] te [geboorteplaats] (Irak),

wonende te [woonplaats], [adres],

raadsman mr. J.P.M. Delissen, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 11 augustus 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

geprobeerd heeft om een persoon zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen en de verklaringen van verdachte afgelegd bij de politie en ter terechtzitting.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen, nu de verdediging de verklaring van de aangever niet geloofwaardig acht en deze uitgesloten dient te worden van het bewijs.

Subsidiair stelt de verdediging dat het slaan met een badmintonracket door verdachte bewezen kan worden.

Het overige deel van het ten laste gelegde feit kan niet wettig en overtuigend bewezen worden. Voorts bestond bij verdachte niet het opzet om het slachtoffer te steken of te raken met het mes. Verdachte dient derhalve vrijgesproken te worden van het resterende deel van de tenlastelegging.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt ten aanzien van de bewezenverklaring van na te noemen feit als volgt.

[aangever 1] heeft verklaard dat er op 8 mei 2011 in de woning van verdachte een confrontatie heeft plaatsgevonden tussen verdachte en hemzelf. Al vechtend zijn zij op het balkon terecht gekomen, waar verdachte hem met een badmintonracket op zijn hoofd heeft geslagen. Op een gegeven moment is hij de woning ingelopen en de trap af naar beneden gelopen. Op het moment dat hij de voordeur wilde openen zag hij dat verdachte op korte afstand achter hem op de trap stond. Verdachte maakte met een mes meerdere stekende bewegingen naar hem en raakte hem daarbij in zijn linker bovenarm en beide handen.

Uit het sporenonderzoek volgt dat [aangever 1] twee verwondingen aan de achterzijde van zijn linker bovenarm heeft en verder een snee op zijn linker onderarm en sneden aan de zijkant van zijn linkerhand, de zijkant van zijn linkerpink en onder zijn rechterpink.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 8 mei 2011 in zijn woning een confrontatie heeft gehad met [aangever 1]. [aangever 1] heeft hem daarbij geslagen en gestompt, waarna hij naar het balkon is gegaan. [aangever 1] heeft hem daar weer aangevallen. Op het balkon heeft hij [aangever 1] met een badmintonracket geslagen. Hij is zijn woning binnengegaan en heeft een mes gepakt en is vervolgens achter [aangever 1] aangegaan, die op dat moment de woning wilde verlaten. Hij is met het mes in zijn hand de trap afgegaan naar [aangever 1].

Opzet

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte niet willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij [aangever 1] met het mes zou raken of steken, nu hij slechts afwerende bewegingen heeft gemaakt tegen de slaande bewegingen van het slachtoffer.

De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat verdachte door met een mes in zijn handen op [aangever 1] af te lopen en daarmee stekende bewegingen in de richting van het bovenlichaam van [aangever 1] te maken, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij daarmee die [aangever 1] zou kunnen raken en hij [aangever 1] daarbij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen toebrengen.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij met het mes alleen afwerende bewegingen heeft gemaakt, gelet op de aard van de verwondingen van [aangever 1], waaronder twee steekwonden aan de achterzijde van zijn linker bovenarm, niet aannemelijk.

Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk [aangever 1] met een badmintonracket op zijn hoofd heeft geslagen en die [aangever 1] met een mes in zijn (boven)arm en handen heeft gestoken.

Vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte, zoals ten laste is gelegd onder het eerste gedachtestreepje, [aangever 1] tegen zijn hoofd heeft gestompt en/of geslagen. De rechtbank acht eveneens niet wettig en overtuigend bewezen dat het badmintonracket tengevolge van het slaan, zoals ten laste is gelegd onder het tweede en derde gedachtestreepje, is gebroken en dat verdachte geprobeerd heeft [aangever 1] te steken met het overgebleven deel van het badmintonracket. De rechtbank overweegt dat zich hiertoe onvoldoende aanwijzingen in het dossier bevinden.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van dit deel van de tenlastelegging.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 8 mei 2011 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk

- met een badmintonracket tegen/op het hoofd van die [aangever 1] heeft geslagen en

- met een (dolk)mes die [aangever 1] in een (boven)arm en in de handen van die [aangever 1] heeft gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Noodweer

De raadsman heeft een beroep gedaan op noodweer, nu verdachte genoodzaakt was zich te verdedigen tegen de ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanval van [aangever 1].

De rechtbank is van oordeel dat er in de woning van verdachte een tweetal momenten is te onderscheiden waarop tussen de verdachte en [aangever 1] een confrontatie heeft plaatsgevonden, te weten: het (eerste) moment waarop er in de woning en op het balkon is gevochten en het (tweede) moment waarop verdachte het mes heeft gepakt, achter [aangever 1] is aangegaan en waarbij op de trap achter de voordeur is gevochten.

Het eerste moment.

De rechtbank overweegt dat de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] de verklaring van verdachte bevestigen, namelijk dat [aangever 1], fysiek groter en sterker dan verdachte, een duidelijk overwicht had op verdachte en dat verdachte op dat moment geen partij was voor [aangever 1]. [aangever 1] heeft daarbij op het balkon nog een kruk of stoel gebruikt. [aangever 1] heeft zelf verklaard dat hij vroeger in de ring heeft gestaan en een paar keer goed uitgehaald heeft naar verdachte. De rechtbank is van oordeel dat verdachte geen andere mogelijkheid had dan zich tegen de ogenblikkelijke aanval van [aangever 1] te verdedigen. Verdachte heeft door het slaan met een badmintonracket, gelet op het grote overwicht dat [aangever 1] had op verdachte, de grenzen van noodzakelijk verdediging niet overschreden.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat - ten aanzien van dit moment - het beroep van verdachte op noodweer slaagt. De rechtbank acht het bewezene niet strafbaar. Verdachte dient derhalve ten aanzien van dit deel van het bewezenverklaarde ontslagen te worden van alle rechtsvervolging.

Het tweede moment.

De rechtbank is van oordeel dat voor dit moment het beroep op noodweer niet kan slagen.

De rechtbank overweegt daartoe dat [aangever 1] op het moment dat verdachte het mes in zijn handen had, is weggelopen en vervolgens de trap is afgegaan en via de voordeur naar buiten wilde lopen. Verdachte is met het mes in zijn hand achter [aangever 1] aangegaan en heeft zelf de confrontatie gezocht. Van een noodweersituatie is dan ook geen sprake.

De rechtbank verwerpt, ten aanzien van dit moment, het beroep op noodweer.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Poging tot zware mishandeling.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

De raadsman heeft subsidiair een beroep gedaan op noodweerexces. De rechtbank verwerpt ook dit verweer, nu reeds is vastgesteld dat van een noodweersituatie geen sprake was.

Uit het omtrent verdachte opgemaakte psychologische rapport d.d. 27 juli 2011van klinisch psycholoog drs. R.B. Visser, volgt – zakelijk weergegeven – dat betrokkene lijdende is aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens en als verminderd toerekeningsvatbaar beschouwd kan worden.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een gevangenisstraf van 90 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan 78 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en daarbij de bijzondere voorwaarde van verplicht reclasseringscontact, ook als dat inhoudt dat verdachte een behandeling zal volgen bij Kade 17 en/of Titan.

- een werkstraf van 60 uur, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit om, indien de rechtbank tot een veroordeling komt, aan verdachte een straf op te leggen die de eis van de officier van justitie niet te boven gaat.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft geprobeerd [aangever 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem te steken met een mes. Dat het hierbij gebleven is bij enkele, relatief, kleine en/of lichte steek- en snijwonden is niet aan verdachte te danken. Verdachte heeft inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van die [aangever 1]. Het is algemeen bekend dat dergelijke feiten nog geruime tijd lichamelijke en psychische gevolgen voor het slachtoffer kunnen hebben. Voorts zorgen dergelijke feiten voor gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij.

De rechtbank houdt er ten voordele van verdachte rekening mee dat hij in zijn eigen woning door [aangever 1] is aangevallen, waarbij verdachte zelf ook aanzienlijk letsel heeft opgelopen.

Met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- het uittreksel uit het justitieel documentatieregister van verdachte, waaruit blijkt dat verdacht voor een soortgelijk feit op 25 juni 2010 door de politierechter is veroordeeld tot een deels voorwaardelijke werkstraf. Verdachte loopt hiervan nog in een proeftijd, hetgeen verdachte er kennelijk niet van weerhouden heeft wederom een soortgelijk feit te plegen.

- het door het Leger des Heils, afdeling Jeugdzorg en reclassering omtrent verdachte opgemaakte reclasseringsadvies d.d. 25 juli 2011, opgemaakt door L. van den Heuvel, reclasseringswerker, waaruit – zakelijk weergegeven – volgt dat het in het leven van verdachte ontbreekt aan stabiliteit en dat er veel praktische problemen zijn die hij zelf niet kan regelen. Verdachte neemt deel aan hulpverleningstrajecten bij Titan, Altrecht en de reclassering. Verdachte laat hierbij voldoende motivatie zien, is afsprakentrouw en stelt zich open en begeleidbaar op. Hij legt echter in onvoldoende mate verantwoordelijkheid voor problemen bij zichzelf. Indien verdachte geen hulp krijgt op zowel psychisch als praktisch gebied wordt de kans op herhaling ingeschat als hoog gemiddeld.

Geadviseerd wordt om aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daarbij verplicht reclasseringscontact, waarbij verdachte zich dient te houden aan een meldingsgebod, een behandelverplichting en andere te stellen voorwaarden.

- het hierboven reeds genoemde omtrent verdachte opgemaakte psychologisch rapport d.d. 27 juli 2011, waaruit – zakelijk weergegeven – volgt dat betrokkene lijdende is aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, in de zin van een posttraumatische stress- stoornis en mogelijk ADHD. Vanuit de persoonlijkheidsstoornis is er sprake van verhoogde narcistische krenkbaarheid, verlaagde frustratietolerantie en wantrouwen. Deze kenmerken speelden een rol ten tijde van het delict. Daarnaast spelen wellicht de PTSS klachten en/of de agressie regulatieproblematiek mee. Het risico op gewelddadig gedrag moet worden beschouwd als matig verhoogd. Verdachte is te beschouwen als verminderd toerekeningsvatbaar.

Geadviseerd wordt om verdachte in het kader van een bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht op te leggen, waarbij het bestaande contact met Kade 17 en Titan passend lijkt.

De rechtbank neemt voornoemde conclusies van de psycholoog en het Leger des Heils over en maakt deze tot de hare.

Verdachte heeft ter zitting verklaard bereid te zijn om zijn behandeling en/of contacten bij Kade 17 en Titan voort te zetten en zich te houden aan de aanwijzingen van de reclassering.

Bij de bepaling van de strafmaat heeft de rechtbank gelet op de straffen die doorgaans worden opgelegd in soortgelijke zaken.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van het feit en de persoon van de verdachte. Met het voorwaardelijke deel van de straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en voorts maakt deze een verplichte begeleiding door de Reclassering mogelijk.

7. Het beslag

7.1. De onttrekking aan het verkeer

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen sierdolk te onttrekken aan het verkeer.

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het in beslag genomen voorwerp, te weten een sierdolk, is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Gebleken is dat het feit is begaan met behulp van het voorwerp.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36b, 36c, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

poging tot zware mishandeling;

- verklaart verdachte met betrekking tot de onder het eerste gedachtestreepje bewezen verklaarde handeling niet strafbaar en ontslaat verdachte ten aanzien van dat onderdeel van de bewezenverklaring van alle rechtsvervolging;

- verklaart verdachte met betrekking tot het resterende gedeelte van de bewezenverklaring strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot

- een gevangenisstraf van 90 dagen, waarvan 78 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens het Leger des Heils, ook als dat inhoudt:

- een meldingsgebod;

- dat verdachte zal deelnemen aan een behandeling bij Kade 17 en/of Titan of een soortgelijke instelling;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- een werkstraf van 60 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 dagen;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomen voorwerp, te weten: een sierdolk;

Voorlopige hechtenis

Heft het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het tijdstip waarop dit vonnis onherroepelijk wordt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Krol, voorzitter, mr. J. Ebbens en mr. E.A. Messer, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 25 augustus 2011.