Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU1976

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
18-10-2011
Datum publicatie
26-10-2011
Zaaknummer
16/600501-11, 16/600175-08 (tul) en 16/504891-08 (tul) [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens poging tot zware mishandeling, mishandeling en bedreiging van personeel van een psychiatrisch ziekenhuis. Terbeschikkingstelling (TBS) met dwangverpleging opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 16/600501-11, 16/600175-08 (tul) en 16/504891-08 (tul) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 oktober 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren [1976] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd te PI Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Nieuwegein,

raadsman mr. G.Tj. de Jong, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 4 oktober 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting zijn ook de vorderingen tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermelde parketnummers.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: heeft geprobeerd om [slachtoffer] te doden door haar te slaan in het gezicht en te schoppen tegen het gezicht, de hals, de nek en haar lichaam dan wel heeft geprobeerd om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door haar te slaan in het gezicht en te schoppen tegen het gezicht, de hals, de nek en haar lichaam;

feit 2: [slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem met de vuist in het gezicht te slaan;

feit 3: medewerkers van psychiatrisch ziekenhuis De Hoeven heeft bedreigd met de dood dan wel heeft bedreigd met zwaar lichamelijk letsel door te zeggen “ik maak je dood” en “jullie dood of ik dood”.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag op [slachtoffer] (feit 1 primair), mishandeling van [slachtoffer 2] (feit 2) en aan bedreiging van medewerkers van de Van der Hoeven Stichting afdeling De Voorde (feit 3). De officier van justitie baseert zich daarbij op de aangifte namens [slachtoffer] van [aangever], de verklaring van [slachtoffer] (feit 1) en de verklaringen van diverse getuigen (feiten 1, 2 en 3).

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag. Verdachte had niet de bedoeling om [slachtoffer] van het leven te beroven, aldus de raadsman. Naar het oordeel van de raadsman kan tot een bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde worden gekomen.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman opgemerkt dat verdachte om zich heen heeft geslagen en dat het daarbij zeer wel mogelijk is dat hij iemand heeft geraakt. Hoewel verdachte ontkent, is de raadsman van oordeel dat de onder 2 ten laste gelegde mishandeling kan worden bewezen. Hij refereert zich ten aanzien van dit feit aan het oordeel van de rechtbank.

Over feit 3 heeft de raadsman opgemerkt dat verdachte de ten laste gelegde uitlatingen weliswaar heeft gedaan, maar dat deze zijn gedaan in een gemoedsopwelling. Ook ten aanzien van dit feit refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1:

Op 18 mei 2011 doet [aangever] als algemeen coördinator van afdeling De Voorde van de Van der Hoeven Stichting aangifte van incidenten die hebben plaatsgevonden op 17 mei 2011 en op 18 mei 2011. Het eerste voorval vond plaats op 17 mei 2011. Een patiënt, [verdachte] (verder: verdachte), heeft een medewerkster, [slachtoffer], die hem zijn medicijnen wilde uitreiken, aangevallen.

Benadeelde [slachtoffer] verklaart hierover dat zij een deur opende en opeens pijn voelde aan haar rechterkaak. Ze begreep niet wat het was. [slachtoffer] verklaart verder zich te kunnen herinneren dat ze op de grond lag en dat verdachte boven haar stond. [slachtoffer] zag dat verdachte haar schopte, terwijl zij op de grond lag. [slachtoffer] verklaart dat zij een stuk van het verhaal kwijt is. Een dag later had zij pijn over haar hele lijf. Ook voelde ze druk in haar hoofd, had zij een pijnlijke nek en schouderblad, was haar mond aan de binnenkant kapot en haar gezicht gezwollen.

Getuige [getuige 1] bevond zich in de gang waar ook verdachte en [slachtoffer] zich bevonden. [getuige 1] verklaart over dit moment dat verdachte zijn rechtervuist omhoog deed en uithaalde. Hij gaf met kracht een klap met zijn rechtervuist tegen het gezicht van [slachtoffer]. [slachtoffer] zag deze klap niet aankomen omdat zij met haar rug naar verdachte stond gekeerd. [slachtoffer] viel door de klap op de grond. Om haar hoofd te beschermen omklemde zij haar hoofd met beide handen.

Getuige [getuige 1] verklaart voorts dat zij zag dat verdachte een tweede klap met zijn vuist tegen het hoofd van [slachtoffer] gaf. Zij had het idee dat [slachtoffer] bewusteloos was geslagen omdat haar armen slap langs haar lichaam hingen. Hierna zag getuige dat verdachte ongeveer vier keer opzettelijk en met kracht met zijn rechtervoet schopte tegen het lichaam van [slachtoffer]. Verdachte is vervolgens over het lichaam van [slachtoffer] gestapt, waarna hij tot twee keer toe hard tegen de nek van [slachtoffer] schopte.

Verklaring verdachte

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij één klap heeft uitgedeeld aan [slachtoffer] omdat hij boos was op haar. Hij ontkent [slachtoffer] te hebben geschopt. Volgens verdachte was het niet zijn bedoeling om [slachtoffer] te doden.

Bewijsoverwegingen

Naar het oordeel van de rechtbank was het opzet van verdachte er niet op gericht om [slachtoffer] van het leven te beroven. Verdachte droeg geen schoenen, maar lederen muiltjes met een zachte zool. Voorts is de rechtbank van oordeel dat naar algemene ervaringsregels de kans op het overlijden van [slachtoffer] tengevolge van voormelde gedragingen van verdachte niet aanmerkelijk is te achten, zodat verdachte ook geen voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] heeft gehad. De rechtbank acht het onder 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte derhalve van dit feit vrijspreken.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde (poging tot zware mishandeling) overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte heeft [slachtoffer] tweemaal met de vuist in het gezicht geslagen en heeft daarna, terwijl zij op de grond lag, diverse malen tegen het lichaam van [slachtoffer] geschopt, waarbij hij haar ook in de nek en tegen het hoofd heeft geraakt. De rechtbank is van oordeel dat de kans dat [slachtoffer] door deze gedragingen – het slaan met de vuist in het gezicht en het schoppen tegen de nek en het hoofd – zwaar lichamelijk letsel zou oplopen naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Deze gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer op een bepaald gevolg gericht te zijn geweest, in dit geval het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel, dat het behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1 subsidiair ten laste is gelegd.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3:

De hierboven genoemde aangifte van [aangever] heeft voorts betrekking op een tweetal incidenten dat heeft plaatsgevonden op 18 mei 2011.

Naar aanleiding van het voorval van 17 mei 2011 (feit 1) verbleef verdachte in een separeercel. Op 18 mei 2011 was [slachtoffer 2] ingedeeld om verdachte te verzorgen in zijn separeercel. Samen met enkele collega’s bevond [slachtoffer 2] zich bij verdachte in de separeercel. [slachtoffer 2] verklaart dat verdachte plotseling opsprong en op hem af stormde. [slachtoffer 2] zag en voelde dat hij door verdachte met diens rechtervuist op zijn linkerwang werd geslagen. [slachtoffer 2] voelde behoorlijke pijn en had daarvan na drie dagen nog steeds last. Na deze klap keek verdachte [slachtoffer 2] recht in de ogen aan en zei: “Ik ga je kapot maken, ik ga je dood maken”.

Getuige [getuige 2] was op dat moment met [slachtoffer 2] bij verdachte in de separeercel. Zij hoorde verdachte zeggen: “Jullie dood of ik dood”.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij boos was geworden omdat [slachtoffer 2] hem vastpakte. Hij verzette zich en heeft hierbij meerdere klappen uitgedeeld. Verdachte erkent dat hij heeft geroepen: “Ik maak je dood als jullie aan mij komen”.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Ten aanzien van de in feit 3 ten laste gelegde bedreiging van [aangever 2] overweegt de rechtbank dat zij niet wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte [aangever 2] heeft bedreigd. Uit het dossier blijkt niet dat [aangever 2] kennis heeft genomen van de uitlatingen van verdachte.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

Subsidiair

op 17 mei 2011 te Amersfoort ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet

met zijn vuist met kracht in het gezicht van die [slachtoffer] heeft geslagen,

waardoor deze [slachtoffer] ten val is gekomen en bewusteloos is geraakt en vervolgens meermalen met kracht tegen het gezicht en de nek en het lichaam heeft geschopt, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

op 18 mei 2011 te Amersfoort opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2] met zijn vuist met kracht tegen de linkerwang heeft geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer 2] pijn heeft ondervonden;

3.

op 18 mei 2011 te Amersfoort [slachtoffer 2] en [getuige 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde personen dreigend de woorden toegevoegd :"ik maak je dood" en "jullie dood of ik dood".

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1 subsidiair: poging tot zware mishandeling.

Feit 2: mishandeling.

Feit 3: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is onderzocht door drs. A.D. Wallace, GZ-psycholoog en drs. H.A. Gerritsen, forensisch psychiater.

Psycholoog Wallace concludeert in zijn rapport van 23 augustus 2011 dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis in de zin van een chronische psychose in het kader van een schizofrene stoornis, paranoïde type en in de zin van misbruik van cocaïne en cannabis. Voorts is sprake van zwakbegaafdheid en een ernstige antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken.

Psychiater Gerritsen concludeert in zijn rapport van 14 september 2011 dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis in de zin van verslavingsproblematiek (misbruik van alcohol, cocaïne en cannabis) en recidiverende psychoses in het kader van vermoedelijk schizofrenie en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een antisociale persoonlijkheidsstoornis (met op de voorgrond een lacunair geweten en een zeer slechte controle over agressieve impulsen) met narcistische trekken (sterke krenkbaarheid, gebrekkige empathie) en een zeer zwakke persoonlijkheidsstructuur.

Beide deskundigen concluderen dat deze aandoeningen ten tijde van de ten laste gelegde feiten ook aanwezig waren en de keuzes van verdachte hebben beïnvloed en adviseren de rechtbank om verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank maakt de conclusies van voornoemde deskundigen tot de hare en zal verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar beschouwen.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden;

- een terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met dwangverpleging.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte reeds gedurende lange tijd onder behandeling is. De laatste tijd ging het redelijk met verdachte. Het gedrag van verdachte is te sturen. Gelet op zijn verleden is er sprake van enige verbetering. De kliniek heeft enkel aangifte gedaan om een signaal af te geven. Op dit moment is er nog geen reden om een TBS met dwangverpleging op te leggen. Voor een TBS met voorwaarden is, gezien de vooruitgang die verdachte heeft gemaakt in het recente verleden, wel ruimte. Verdachte is bereid om zijn medewerking te verlenen aan een TBS met voorwaarden.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft medewerkers van het psychiatrisch ziekenhuis, waar hij op dat moment verbleef, bedreigd en mishandeld. In één geval is sprake van ernstige mishandeling. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij mensen die voor zijn verpleging en verzorging verantwoordelijk zijn, heeft aangevallen en bedreigd.

Het verleden van verdachte wordt gekenmerkt door een lange geschiedenis van hulpverleningstrajecten. Sinds 1988 zijn interventies en opnamen met enige regelmaat voorgekomen. Verdachte gebruikt al gedurende enkele jaren medicijnen.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de inhoud van het verdachte betreffende strafblad van 26 augustus 2011, waaruit blijkt dat verdachte vaker voor geweldsdelicten is veroordeeld.

In hun hiervoor genoemde rapporten beschrijven drs. A.D. Wallace en drs. H.A. Gerritsen dat, gelet op de complexe problematiek van verdachte, de enige manier om het recidivegevaar substantieel te kunnen verminderen een behandeling en verblijf in een zeer sterk gestructureerde, voorspelbare, overzichtelijke en beveiligde setting betekent. Geadviseerd wordt om aan verdachte een TBS met dwangverpleging op te leggen. Een TBS met voorwaarden wordt niet als haalbaar beschouwd vanwege de geringe en wisselende motivatie van de zijde van verdachte in combinatie met zijn onvoorspelbaarheid.

In het rapport van 21 september 2011 sluit de rapporteur van Reclassering Nederland zich aan bij de conclusies van drs. A.D. Wallace en drs. H.A. Gerritsen.

Gelet op de inhoud van de rapporten, de ernst van de feiten en het strafblad van verdachte is de rechtbank van oordeel dat een terbeschikkingstelling noodzakelijk is.

Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat voldaan wordt aan de eisen die de wet daaraan stelt, te weten:

- bij verdachte bestond ten tijde van het plegen van de feiten een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens;

- op het gepleegde misdrijf is een gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld (feit 1 subsidiair);

- het gepleegde misdrijf is omschreven in artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (feit 3);

- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist die maatregel.

De rechtbank acht, gelet op de ernst van de problematiek en het gevaar dat verdachte voor anderen oplevert, dwangverpleging noodzakelijk.

De rechtbank overweegt voorts dat de maatregel van terbeschikkingstelling zal worden opgelegd terzake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Voor een tbs met voorwaarden ziet de rechtbank geen ruimte, omdat

- een eerdere behandeling verdachte er niet van heeft kunnen weerhouden opnieuw geweld en bedreigingen tegen personen te plegen en

- blijkens het rapport van psycholoog drs. A.D. Wallace en psychiater drs. H.A. Gerritsen met tbs met voorwaarden onvoldoende de veiligheid van de maatschappij kan worden gegarandeerd.

Daarnaast acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden noodzakelijk. Bij de bepaling van de duur van die straf heeft de rechtbank - naast de hiervoor geschetste problematiek - met name acht geslagen op de aard en de ernst van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde feit.

De rechtbank legt een lagere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op dan door de officier van justitie is geëist, nu zij in één geval (feit 1) tot een andere bewezenverklaring komt.

7 De vordering tot tenuitvoerlegging

Parketnummer 16/600175-08

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf van 2 maanden gevangenisstraf die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer te Utrecht van 22 mei 2008 en waarvan de proeftijd bij vonnis van de politierechter van

18 september 2009 met een jaar is verlengd, ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

Parketnummer 16/504891-08

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf van 181 dagen gevangenisstraf die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter te Utrecht van 18 september 2009 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14g, 37a, 37b, 45, 57, 285, 300, 302 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair ten laste gelegde feit, te weten poging tot doodslag;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

-verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 subsidiair: poging tot zware mishandeling;

feit 2: mishandeling;

feit 3: bedreiging, meermalen gepleegd.

- verklaart verdachte strafbaar;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Maatregel

- gelast de terbeschikkingstelling van verdachte, met bevel tot verpleging van overheidswege;

- gelast deze maatregel uitsluitend ten aanzien van de bewezen verklaarde feiten onder 1 subsidiair (poging tot zware mishandeling) en 3 (bedreiging, meermalen gepleegd);

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 22 mei 2008 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/600175-08 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden;

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 18 september 2009 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/504891-08 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 181 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Bruins, voorzitter, mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn en mr. T. Reichardt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Verborg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 18 oktober 2011.

Mr. T. Reichardt is buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.