Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU1974

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
05-10-2011
Datum publicatie
26-10-2011
Zaaknummer
16/ 600609-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Oplichting en valsheid in geschrift door een vluchteling uit de voormalige Sovjet-Unie. Gebruik maken van een valse identiteit om Nederland binnen te komen en het aanvragen van een paspoort op basis van die valse identiteit. Openbaar ministerie niet-ontvankelijk voor een deel van de tenlastegelegde periode wegens verjaring. Verwerping van het beroep op ontbreken van het voor oplichting vereiste oogmerk. Verwerping van het beroep op overmacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/ 600609-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 5 oktober 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1955] te [geboorteplaats],

wonende te [adres], [woonplaats],

raadsvrouw mr. J.M. Niemer, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 21 september 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: een nationaliteitsverklaring heeft vervalst met het doel om die verklaring als echt te gebruiken, dan wel dat hij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Immigratie- en Naturalisatiedienst heeft bewogen tot de afgifte van verblijfsvergunningen voor bepaalde en opbepaalde tijd, huisvesting en een uitkering door zich voor te doen als [valse naam].

Feit 2: een aanvraag voor een paspoort heeft vervalst met het doel om die verklaring als echt te gebruiken dan wel dat hij een of meer medewerkers van de afdeling Reisdocumenten en

Rijbewijzen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

heeft bewogen tot de afgifte van een Nederlands paspoort door zich voor te doen als [valse naam].

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

3.1 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de maximale gevangenisstraf die is gesteld op het delict oplichting met ingang van 1 februari 2006 is verhoogd van drie jaren gevangenisstraf naar vier jaren gevangenisstraf. Tot 1 februari 2006 was daardoor sprake van een verjaringstermijn van zes jaren voor het delict oplichting. Na de wetswijziging van 1 februari 2006 is de verjaringstermijn voor het delict oplichting gewijzigd in twaalf jaren als gevolg van de verhoging van het strafmaximum. Naar het oordeel van de officier van justitie is zij daarom niet-ontvankelijk in de vervolging van de onder 1 ten laste gelegde oplichting voor de ten laste gelegde periode tot juli 2005.

De verdediging heeft hierop niet gereageerd.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Op 1 februari 2006 is de Wet Herijking Strafmaxima in werking getreden. De maximaal op te leggen gevangenisstraf voor het delict oplichting, strafbaar gesteld in artikel 326 Wetboek van Strafrecht, is op 1 februari 2006 verhoogd van drie jaren naar vier jaren.

Op grond van artikel 70 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht vervalt door verjaring het recht op strafvervolging in zes jaren voor de misdrijven waarop geldboete, hechtenis of gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld. Voor het delict oplichting gold derhalve tot 1 februari 2006 ingevolge artikel 70 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht een verjaringstermijn van zes jaren. Na de wetswijziging van 1 februari 2006 geldt voor het delict oplichting ingevolge artikel 70 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht een verjaringstermijn van twaalf jaren. De verjaring kan worden gestuit door een daad van vervolging.

In deze zaak is de betekening van de dagvaarding aan verdachte de eerste formele daad van vervolging uitgaande van het openbaar ministerie geweest. De betekening heeft op 19 juli 2011 plaatsgevonden. Dat houdt in dat vanaf die datum de verjaring van het recht tot strafvervolging van het ten laste gelegde feit is gestuit, namelijk toen aan verdachte een dagvaarding is betekend. Het recht op strafvervolging is verjaard voor wat betreft de periode die, teruggerekend vanaf het moment van stuiting, is gelegen méér dan zes jaar terug; derhalve de periode vóór 19 juli 2005.

De rechtbank zal daarom het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van het ten laste gelegde feit onder 1 voor wat betreft de periode van 28 juli 1999 tot en met 18 juli 2005. De rechtbank acht, gelet op het bovenstaande, de officier van justitie voor het overige deel van de ten laste gelegde periode ontvankelijk, te weten van 19 juli 2005 tot en met 9 april 2009.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten 1 en 2 primair heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de bekennende verklaringen van verdachte, de ondertekende nationaliteitsverklaring en de ondertekende aanvraag voor een paspoort.

Ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde oplichting heeft de officier van justitie verzocht om verdachte vrij te spreken van dat deel van de tenlastelegging dat ziet op de afgifte van huisvesting en een uitkering.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op de omstandigheden die verdachte ertoe hebben gebracht de ten laste gelegde feiten te plegen, het ontbreken van het oogmerk om zichzelf te bevoordelen en het bestaan van een overmachtsituatie. De verdediging heeft algehele vrijspraak bepleit.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Ten aanzien van feit 1; valsheid in geschrift

Op 4 augustus 1999 heeft verdachte in Rijsbergen, bij gelegenheid van zijn eerste verhoor door de Immigratie- en Naturalisatiedienst, een nationaliteitsverklaring ondertekend. In deze verklaring zijn de personalia opgenomen zoals die door verdachte bij binnenkomst in Nederland zijn opgegeven, te weten dat hij [valse naam] is, geboren op [1950] te [geboorteplaats], Azerbajdzjan, Sovjet-Unie.

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij deze nationaliteitsverklaring heeft ondertekend terwijl hij wist dat hij van een valse identiteit gebruik had gemaakt. De verdediging heeft geen verweer gevoerd ter zake van dit feit.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank de onder 1 ten laste gelegde valsheid in geschrift wettig en overtuigend bewezen.

4.3.2 Ten aanzien van feit 1; oplichting

Verdachte is op 27 juli 1999 aangekomen in Nederland. Verdachte heeft zich bij binnenkomst in Nederland tegenover medewerkers van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, voorgedaan als [valse naam], geboren op [1950] te [geboorteplaats], Azerbajdzjan.

Tijdens zijn eerste verhoor, op 4 augustus 1999 in Rijsbergen, heeft verdachte, ter ondersteuning van zijn identiteit en nationaliteit, een geboorteakte overgelegd. Deze geboorte¬akte is op echtheid onderzocht. Dat onderzoek heeft geleid tot de vaststelling dat hoogstwaarschijnlijk sprake is van een authentiek document.

Verdachte is na 4 augustus 1999 nog verschillende keren gehoord door medewerkers van de Immigratie- en Naturalisatiedienst. Hij heeft zich bij al die gelegenheden voorgedaan als [valse naam]. Bij beschikking van 12 oktober 2005 heeft verdachte op basis van zijn valse identiteit een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd ontvangen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich gedurende jaren, vanaf zijn binnenkomst in Nederland tot 9 april 2009, in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als [valse naam]. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij dit heeft gedaan om aan de maffia in zijn thuisland te kunnen ontkomen en om toegang en verblijf in Nederland voor zichzelf en de twee kinderen die met hem waren meegereisd, te bewerkstellingen.

Oogmerk

Namens verdachte heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het voor oplichting vereiste oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen ontbreekt. De raadsvrouw stelt dat het de bedoeling van verdachte was om zijn vervolgers uit zijn thuisland op een dwaalspoor te brengen. Om die reden moet verdachte, aldus de raadsvrouw, worden vrijgesproken van de onder 1 ten laste gelegde oplichting.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Om tot een bewezenverklaring van oplichting te kunnen komen moet verdachte hebben gehandeld met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling.

Verdachte heeft zich, direct vanaf zijn binnenkomst in Nederland in juli 1999 voorgedaan als [valse naam]. Naar het oordeel van de rechtbank deed verdachte dit met geen ander doel dan om te bewerkstelligen dat hij in Nederland kon en mocht verblijven. Verdachte zocht immers een veilig heenkomen voor zichzelf en voor zijn familieleden.

Door te handelen zoals verdachte heeft gedaan, het opgeven van een valse identiteit en het bevestigen van die valse identiteit door middel van het overleggen van een authentieke geboorteakte, moest verdachte beseffen dat hij verblijf in Nederland zou verkrijgen en dat hij daardoor zou worden bevoordeeld. Het verkrijgen van verblijf in Nederland was, zoals verdachte ter terechtzitting meermalen heeft verklaard, het doel dat verdachte wenste te bereiken.

De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte heeft gehandeld met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling. Dat verdachte heeft verklaard dat aan de handelwijze een ander motief ten grondslag lag, te weten het in veiligheid brengen van zichzelf en zijn familie, doet aan dat oogmerk niet af. De rechtbank verwerpt derhalve het verweer.

Afgifte van huisvesting en uitkering

Ten aanzien van de in feit 1 ten laste gelegde afgifte van huisvesting en uitkering overweegt de rechtbank dat zij niet wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte deze heeft verkregen door middel van oplichting. Het dossier bevat daartoe onvoldoende aan¬knopingspunten. De rechtbank zal verdachte daarom alleen veroordelen voor de onder 1 ten laste gelegde afgifte van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd op 12 oktober 2005.

4.3.3 Ten aanzien van feit 2

Op 25 april 2005 heeft verdachte te Utrecht een aanvraagformulier voor een paspoort ondertekend waarop staat vermeld de naam [valse naam], geboren op [1950] te [geboorteplaats], Sovjetunie. Het gaat om het C1 Modelformulier Vaststelling aanspraak op een reis¬document ingevolge artikel 14 of 15 van de Paspoortwet. De werkelijke identiteit van verdachte is [verdachte], geboren op [1955] te [geboorteplaats], Armenië (Sovjetunie).

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij dit aanvraagformulier heeft ondertekend terwijl hij wist dat hierop een onjuiste identiteit stond vermeld.

Ontbreken valsheid

Namens verdachte is aangevoerd dat hij, om een reisdocument te verkrijgen, niet opnieuw het delict valsheid in geschrift hoefde te plegen. De raadsvrouw stelt dat verdachte inmiddels in het bezit was van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Die was hem weliswaar verstrekt op basis van valse personalia, maar nu hij eenmaal over een geldig verblijfsdocument kon beschikken, was van valsheid in geschrift door het Modelformulier te ondertekenen geen sprake, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Verdachte heeft op 25 april 2005 opnieuw een handtekening gezet onder een formulier waarop onjuiste en daarmee valse personalia stonden vermeld. Door zijn handtekening te zetten heeft verdachte zich wederom valselijk voor een ander, te weten [valse naam], uitgegeven. Op basis van die ondertekende verklaring heeft verdachte een Nederlands paspoort verkregen.

Voorts overweegt de rechtbank dat verdachte het door de raadsvrouw bedoelde verblijfsdocument, te weten een vergunning voor asiel, eerder op onrechtmatige wijze had verkregen, namelijk door het plegen van valsheid in geschrift en oplichting, zoals tenlastegelegd onder 1. Naar het oordeel van de rechtbank kan het verkrijgen van een verblijfsdocument op basis van een valse identiteit in een later stadium nooit leiden tot het verkrijgen van een geldig document op basis van dezelfde valse identiteit.

Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder feit 2 primair is ten laste gelegd.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 4 augustus 1999 te Rijsbergen, een nationaliteitsverklaring, zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte valselijk op dat formulier doen vermelden dat hij [valse naam] heet, geboren op [1950] te [geboorteplaats] (Azerbajdzjan, Sovjetunie), en dat hij de Azerbajdzjaanse nationaliteit bezit, en heeft hij dit formulier vervolgens ondertekend, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken

en

op 12 oktober 2005 in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid, een

of meerdere medewerkers van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, heeft bewogen tot de afgifte van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd hebbende verdachte zich met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid voorgedaan als [valse naam] geboren op [1950] te [geboorteplaats], waardoor een of meerdere medewerkers van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

2.

Primair

hij op 25 april 2005 te Utrecht, een C1 Modelformulier Vaststelling aanspraak op een reisdocument ingevolge artikel 14 of 15 van de Paspoortwet - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte valselijk op dat formulier doen vermelden dat hij [valse naam] heet, geboren op [1950] te [geboorteplaats], zulks terwijl hij feitelijk [verdachte] geboren op [1955] te [geboorteplaats] in Sovjetunie is, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Overmacht

Namens verdachte heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte ten tijde van het plegen van de oplichting zoals tenlastegelegd onder 1 en de valsheid in geschrift zoals tenlaste¬gelegd onder 2 verkeerde in een overmachtsituatie. De raadsvrouw stelt daartoe – ten aanzien van feit 1 – dat verdachte heeft gekozen voor de morele plicht om zijn gezin en zichzelf te beschermen tegen vervolging in zijn thuisland. Verdachte en zijn kinderen waren al meermalen mishandeld in Armenië. Verdachte verkeerde in de veronderstelling dat Nederland mogelijk niet veilig genoeg was om zijn ware identiteit bekend te maken. Aldus kwam verdachte in een situatie van overmacht te verkeren zodat hij van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte een reisdocument nodig had omdat zowel zijn vrouw als één van zijn zoons in Armenië in het ziekenhuis lag. Ook hier zou verdachte in een overmachtsituatie verkeren, hetgeen vrijspraak van feit 2 tot gevolg zou moeten hebben.

De rechtbank begrijpt het verweer aldus dat de raadsvrouw een beroep heeft gedaan op overmacht, in de zin van noodtoestand. Een geslaagd beroep op overmacht leidt tot ontslag van alle rechtsvervolging. De noodtoestand zou hieruit bestaan dat verdachte verkeerde in een conflict tussen het maatschappelijk belang bij naleving van de immigratiewet en de strafwet en het persoonlijke belang van de bescherming van zijn familie en zichzelf.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat niet aannemelijk is gemaakt dat verdachte, die zich naar eigen zeggen gesteld zag voor de noodzaak om te kiezen uit onderling strijdige belangen, het naar objectieve maatstaven gemeten zwaarstwegende belang heeft laten prevaleren. De specifieke noodzaak om van een valse identiteit gebruik te maken is niet gebleken. De door verdachte gestelde gecompliceerde situatie waarin hij zich bevond is evenmin aannemelijk gemaakt. Gelet op het voorgaande had verdachte een andere keuze kunnen en moeten maken. Het belang dat verdachte naar eigen zeggen met het plegen van het strafbare feit beoogde te redden weegt voorts niet op tegen het publieke belang, het belang om van overheidswege te kunnen vertrouwen op door immigranten overgelegde persoonsdocumenten en door hen verstrekte informatie, dat door overtreding van de wet wordt aangetast. Het beroep op overmacht slaagt derhalve niet.

Er zijn geen andere feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: valsheid in geschrift en oplichting.

Feit 2 primair: valsheid in geschrift.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte een bestaan in de Nederlandse maatschappij heeft opgebouwd. Hij heeft de taal geleerd, heeft een vast contract bij een vervoersbedrijf en hij heeft een woning. Daarnaast is aangevoerd dat verdachte door de omstandigheden in zijn thuisland gedwongen was om een valse identiteit aan te nemen. Hij moest ervoor zorgen dat hij en zijn gezin niet langer getraceerd konden worden. Ten slotte is aangevoerd dat verdachte zelf bij de autoriteiten heeft gemeld dat hij gebruik maakt van een valse identiteit, dat hij geen strafblad heeft en dat hij zijn verblijfsstatus tengevolge van zijn handelen inmiddels is kwijtgeraakt. Mogelijk wordt hij uitgezet. Verdachte is daarom al voldoende gestraft voor zijn handelen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting en valsheid in geschrift. De rechtbank neemt de verdachte kwalijk dat hij gedurende jaren en bij herhaling gebruik heeft gemaakt van een valse identiteit. Op basis van die valse identiteit heeft verdachte een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en een Nederlandse paspoort weten te verkrijgen. Dergelijke delicten tasten het vertrouwen dat de Nederlandse overheid moet kunnen stellen in vluchtelingen en hun vluchtverhalen aan en rechtvaardigt daarom in beginsel het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank echter mee dat verdachte zichzelf heeft gemeld. Verdachte heeft daarna ruimhartig openheid van zaken heeft gegeven, waarbij hij zichzelf niet heeft gespaard. De rechtbank heeft daarbij de indruk dat er bij verdachte sprake is van oprecht berouw. Verdachte vreesde daarnaast dat de bekendmaking van zijn werkelijke identiteit enorme gevolgen voor de veiligheid van hemzelf en zijn familie zou hebben. Desondanks heeft hij zich gemeld met als gevolg dat de verblijfsstatus van verdachte thans allerminst zeker is.

Inmiddels is sprake van feiten die geruime tijd geleden zijn gepleegd. Verdachte is in Nederland niet eerder met politie en justitie in aanraking gekomen en is volledig geïntegreerd in de Nederlandse samenleving.

De eis van de officier van justitie is in het licht van hetgeen voor soortgelijke feiten wordt opgelegd alleszins te begrijpen. Het zijn slechts de bijzondere, in de persoon van verdachte gelegen omstandigheden, die de rechtbank heeft doen besluiten hiervan in substantiële zin ten gunste van verdachte af te wijken. In het bijzonder heeft de rechtbank betekenis toegekend aan de gevolgen die de bekendmaking van zijn ware identiteit voor verdachte hebben gehad, te weten het intrekken met terugwerkende kracht van zijn verblijfsvergunningen voor bepaalde en onbepaalde tijd. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, passend is.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 225 en 326 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte voor de periode van 28 juli 1999 tot en met 18 juli 2005;

- verklaart de officier van justitie voor het overige ontvankelijk;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: valsheid in geschrift en oplichting;

feit 2: valsheid in geschrift.

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 maand, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.S.B. Kool, voorzitter, mr. N.E.M. Kranenbroek en mr. C.S.K. Fung Fen Chung, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Verborg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 5 oktober 2011.