Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU1949

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
05-09-2011
Datum publicatie
26-10-2011
Zaaknummer
16/ 600587-11, 16/ 512339-09 (tul), 16/ 512628-09 (tul) en 16/ 512287-10 (tul) [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Woninginbraak. Vrijspraak van diefstal. Opleggen van bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummers: 16/ 600587-11, 16/ 512339-09 (tul), 16/ 512628-09 (tul) en 16/ 512287-10 (tul) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 5 september 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1993] te [geboorteplaats],

wonende te [adres], [woonplaats],

thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Wolvenplein,

raadsman mr. M.Th.M. Zumpolle, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 22 augustus 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting zijn ook de vorderingen tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermelde parketnummers.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

- feit 1: een woninginbraak heeft gepleegd;

- feit 2: een woninginbraak heeft gepleegd;

- feit 3: een armband en een mobiele telefoon heeft gestolen;

- feit 4: heeft geprobeerd in te breken in een bedrijf.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten 1, 2 en 4 heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangiften van [slachtoffer 2], [benadeelde 1] en [slachtoffer 4], de (deels) bekennende verklaringen van verdachte en de resultaten van de sporenonderzoeken aan en rond de woning (feit 1) en het bedrijf (feit 4).

Ten aanzien van feit 3 is de officier van justitie van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. De officier van justitie heeft om die reden gevorderd verdachte vrij te spreken van feit 3.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 4 is de verdediging van mening dat deze feiten tot een bewezenverklaring kunnen leiden.

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 3. De raadsman wijst daartoe op het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs nu het dossier alleen een aangifte bevat, terwijl dit feit door verdachte wordt ontkend.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1:

Op 13 juni 2011 doet [slachtoffer 2] aangifte van inbraak in haar woning aan de [adres] in Utrecht. De inbraak is gepleegd in de periode tussen 8 juni 2011 en 10 juni 2011. Aangeefster meldt braakschade aan het linkerbovenlichtje in het achterraamkozijn.

Uit de woning zijn, volgens de goederenbijlage bij de aangifte, de volgende goederen weggenomen: een Nintendo Wii spelcomputer met toebehoren en spellen, dvd’s, een laptop van het merk HP, oordopjes van een Ipod, een cadeaubon ter waarde van 25 euro van parfumerie Douglas, een cd-speler van het merk Pioneer, sieraden, een sieradendoos en twee zwarte portemonnees.

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij deze inbraak heeft gepleegd. Hij heeft verklaard de woning te zijn binnengegaan nadat hij een raam heeft opengebroken door een schep tussen het raam en het kozijn te zetten.

Ten aanzien van de weggenomen goederen heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij een Nintendo Wii spelcomputer met toebehoren en spellen, dvd’s en een laptop heeft meegenomen uit deze woning.

Verdachte ontkent de overige goederen die in de aangifte worden genoemd – oordopjes van een Ipod, een cadeaubon ter waarde van 25 euro van parfumerie Douglas, een cd-speler van het merk Pioneer, sieraden, een sieradendoos en twee zwarte portemonnees – te hebben weggenomen. De rechtbank ziet nochtans geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de aangifte van [slachtoffer 2] te twijfelen. Nu verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij de inbraak alleen heeft gepleegd en bovendien de betreffende goederen specifiek van aard zijn, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat deze goederen door een ander dan verdachte zijn weggenomen binnen het tijdsbestek vermeld in de aangifte dan wel de aangifte op dit punt onjuistheden zou bevatten. De rechtbank acht derhalve bewezen dat alle in de tenlastelegging genoemde goederen door verdachte zijn weggenomen.

Ten aanzien van feit 2:

De rechtbank acht deze inbraak wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de terechtzitting van 22 augustus 2011;

- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] d.d. 15 juni 2011.

Ten aanzien van feit 3:

Op 5 juni 2011 heeft R.G. Huiding aangifte gedaan van diefstal uit haar woning van een armband en een mobiele telefoon. Het feit zou in de periode tussen 2 mei 2011 en 13 mei 2011 zijn gepleegd. Verdachte heeft ontkend dat hij deze diefstal heeft gepleegd.

Het bewijs dat verdachte deze diefstal zou hebben gepleegd, kan niet uitsluitend op basis van deze aangifte worden aangenomen.

De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte deze diefstal heeft gepleegd. Zij zal hem dan ook van dit feit (3) vrijspreken.

Ten aanzien van feit 4:

De rechtbank acht deze poging tot inbraak in een bedrijf wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd tijdens de terechtzitting van 22 augustus 2011;

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 4] d.d. 3 juni 2011.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 8 juni 2011 t/m 11 juni 2011 te Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning gelegen aan de [adres] aldaar heeft

weggenomen een Nintendo Wii spelcomputer met toebehoren en spellen en

een aantal DVD's en een laptop en oordopjes behorende bij een

ipod en een cadeaubon van Douglas t.w.v. 25 euro en een CD speler

en een aantal sieraden en een sieradendoos en twee

portemonnees, toebehorende aan [slachtoffer 2], waarbij

verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak op een bovenlicht van die woning en inklimming;

2.

op of omstreeks 15 juni 2011 te Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning gelegen aan [adres] aldaar heeft weggenomen drie laptops en een computerspel Nintendo DSi, toebehorende aan [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 1], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van inklimming;

4.

hij op 03 juni 2011 te Maarsbergen, gemeente Utrechtse Heuvelrug, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een bedrijf/kantoor gelegen aan de [adres] weg te nemen goederen/geld, toebehorende aan [slachtoffer 1] en zich daarbij de toegang

tot voornoemd bedrijf/kantoor te verschaffen en die weg te nemen

goederen/geld onder zijn bereik te brengen door middel van braak en inklimming, als volgt heeft gehandeld: hebbende hij, verdachte, met dat doel en voornemen een raam opengebroken en een schuifraam verwijderd, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming.

Feit 2: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming.

Feit 4: poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen van Centrum Maliebaan, zoals geformuleerd in het rapport van 18 augustus 2011 van J. Mertens, te weten: een meldingsgebod, deelname aan een cognitieve vaardigheidstraining (CoVa), deelname aan een leefstijltraining en een behandelverplichting bij De Waag of een soortgelijke instelling.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Namens verdachte is aangevoerd dat hij op het moment van plegen van de bewezenverklaarde feiten net meerderjarig was. Hij handelde daarom nog niet zoals van een volwassene mag worden verwacht. Het aanstaande vaderschap van verdachte zal hierin, aldus de raadsman, een positieve verandering brengen. Verdachte is voornemens om zijn verantwoordelijkheid te nemen. Bij deze nieuwe houding past geen delictgedrag; de kans op recidive is daarom minder groot dan in het rapport van 18 augustus 2011 van Centrum Maliebaan wordt omschreven.

Ten slotte heeft de raadsman verzocht om een groter deel van de gevorderde gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen dan door de officier is geëist. Een eerdere invrijheidsstelling biedt verdachte de mogelijkheid om voorbereidingen te treffen voor de geboorte van zijn kind.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft twee woninginbraken en een poging tot inbraak in een bedrijf gepleegd. Met name aan het plegen van woninginbraken tilt de rechtbank zwaar. Woninginbraken veroorzaken niet alleen de nodige materiële schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy van de bewoners. Het is voor hen vaak bijzonder onaangenaam om te leven met de wetenschap dat een vreemde in hun woning is geweest en hun persoonlijke bezittingen heeft doorzocht.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder in aanmerking dat verdachte een 11-jarige jongen, die thuis kwam uit school, aan diens arm naar binnen heeft getrokken en zijn mobiele telefoon heeft afgepakt, waarna verdachte is doorgegaan met zijn bezigheden. Verdachte is, door op deze wijze te handelen, totaal voorbijgegaan aan de inwerking van een dergelijke ervaring op een kind. Dat de jongen thans nog steeds gesprekken heeft bij Slachtofferhulp onderstreept het oordeel van de rechtbank dat een dergelijke gebeurtenis als zeer schokkend wordt ervaren.

Verdachte is, ondanks zijn jeugdige leeftijd, reeds vele malen eerder veroordeeld voor het plegen van delicten, waaronder diverse vermogensdelicten. Verdachte moet dan ook worden gezien als een veelpleger van vermogensdelicten. Ten tijde van het plegen van de onderhavige inbraken liep verdachte in drie proeftijden van eerdere veroordelingen. Eerdere hulpverleningstrajecten hebben niet het beoogde effect gehad.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte al vele kansen gehad om zijn gedrag en handelwijze aan te passen. De onderhavige delicten rechtvaardigen het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur. Daar staan de jonge leeftijd van verdachte – hij is net meerderjarig – en zijn proceshouding, waarin hij openheid van zaken heeft gegeven, tegenover. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij inziet dat er verandering dient plaats te vinden. Hij beseft dat de geboorte van zijn kind grote verantwoordelijkheid met zich brengt en is voornemens om een baan te zoeken.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan, te weten 5 maanden, voorwaardelijk op te leggen. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Bovendien zal verdachte dan vermoedelijk vóór de geboorte van zijn kind in vrijheid zijn gesteld. Ook maakt deze voorwaardelijke straf een verplichte begeleiding door Centrum Maliebaan, zoals voorgesteld in het rapport d.d. 18 augustus 2011 van Reclassering Nederland, mogelijk. Gezien de lange hulpverleningsgeschiedenis van verdachte en de aanwezige problematiek acht de rechtbank het noodzakelijk dat verdachte begeleid wordt door de reclassering van Centrum Maliebaan en tevens de in het reclasseringsrapport voorgestelde trainingen en een behandeling bij De Waag gaat volgen.

7 De benadeelde partijen

7.1 Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de officier van justitie gevorderd om de vordering van [benadeelde 1] gedeeltelijk toe te wijzen tot een bedrag van € 503,99 ter zake van materiële schade en tot een bedrag van € 150,00 ter zake van immateriële schade.

De vordering van [benadeelde 2] kan, naar het oordeel van de officier van justitie, geheel worden toegewezen tot een bedrag van € 250,00 ter zake van immateriële schade.

De vordering van [benadeelde 3] kan gedeeltelijk worden toegewezen tot een bedrag van € 150,00 ter zake van immateriële schade.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1], [benadeelde 2] en [benadeelde 3], kunnen worden toegewezen, zoals door de officier van justitie gevorderd.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [benadeelde 1] vordert een schadevergoeding van € 1.503,99 voor feit 2.

De vordering strekt tot vergoeding van een bedrag van € 1.253,99 wegens materiële schade en een bedrag van € 250,00 wegens immateriële schade.

De benadeelde partij heeft de vordering ter terechtzitting toegelicht. Een bedrag van

€ 750,00 is reeds vergoed door de verzekeraar van de benadeelde partij.

De rechtbank is daarom van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 503,99 ter zake van materiële schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en de rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Ten aanzien van de immateriële schade is de rechtbank eveneens van oordeel dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit. Ter terechtzitting heeft de benadeelde partij toegelicht welke emotionele gevolgen de inbraak heeft gehad. Er is sprake van gevoelens van onveiligheid in het eigen huis. Ook is er sprake van angst voor een herhaling. De benadeelde partij heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank voldoende aangetoond dat de geleden immateriële schade in zodanig verband staat met het bewezen verklaarde feit dat deze schade aan verzoeker als gevolg daarvan kan worden toegerekend.

Zij acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde bedrag aan immateriële schade is voldoende aannemelijk gemaakt zodat dat deel van de vordering integraal zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

De benadeelde partij [benadeelde 2] vordert een schadevergoeding van € 250,00 voor feit 2.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering integraal zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

De benadeelde partij [benadeelde 3] vordert een schadevergoeding van € 250,00 voor feit 2.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Ter terechtzitting is de vordering van de benadeelde partij toegelicht door haar moeder, benadeelde partij [benadeelde 1], Er is sprake van gevoelens van onveiligheid in het eigen huis. [benadeelde 3] durft niet meer in haar eigen kamer te slapen, omdat verdachte door haar slaapkamerraam naar binnen is gekomen. Ook is er sprake van angst voor een herhaling. De benadeelde partij heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank voldoende aangetoond dat de geleden immateriële schade in zodanig verband staat met het bewezen verklaarde feit dat deze schade aan verzoeker als gevolg daarvan kan worden toegerekend.

Zij acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering integraal zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

8 De vorderingen tot tenuitvoerlegging

Parketnummer 16/ 512339-09

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf van 2 weken jeugddetentie die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank te Utrecht van 28 september 2009 ten uitvoer zal worden gelegd. De officier van justitie heeft gevorderd dat deze straf zal worden omgezet in een werkstraf van 28 uren.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

De rechtbank:

- bepaalt dat deze ten uitvoer te leggen gevangenisstraf zal worden vervangen door een werkstraf van 28 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 14 dagen.

Parketnummer 16/ 512628-09

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf van 4 weken jeugddetentie die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank te Utrecht van 6 januari 2010 ten uitvoer zal worden gelegd. De officier van justitie heeft gevorderd dat deze straf zal worden omgezet in een werkstraf van 56 uren.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

De rechtbank:

- bepaalt dat deze ten uitvoer te leggen gevangenisstraf zal worden vervangen door een werkstraf van 56 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 28 dagen.

Parketnummer 16/ 512287-10

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf van 83 dagen jeugddetentie die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank te Utrecht van 30 december 2010 ten uitvoer zal worden gelegd. De officier van justitie heeft gevorderd dat deze straf zal worden omgezet in een werkstraf van 166 uren.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

De rechtbank:

- bepaalt dat deze ten uitvoer te leggen gevangenisstraf zal worden vervangen door een werkstraf van 166 uren;

-beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 83 dagen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 24c, 36f, 45, 57, 77k, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 3 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming;

feit 2: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming;

feit 4: poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit; * omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Centrum Maliebaan, ook als dat inhoudt het volgen van een behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling;

* dat verdachte zich meldt bij Centrum Maliebaan zo dikwijls als die instelling dat nodig acht;

* dat verdachte een intake ondergaat bij De Waag of een soortgelijke instelling om te onderzoeken of behandeling met betrekking tot zijn agressie nodig is;

* dat verdachte deelneemt aan een Cognitieve vaardigheidstraining (CoVa);

* dat verdachte deelneemt aan een leefstijltraining (SVG).

- draagt voornoemde reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Vorderingen tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 28 september 2009 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/ 512339-09 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten 2 weken jeugddetentie;

- bepaalt dat deze ten uitvoer te leggen jeugddetentie zal worden vervangen door een werkstraf van 28 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 14 dagen;

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 6 januari 2010 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/ 512628-09 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten 4 weken jeugddetentie;

- bepaalt dat deze ten uitvoer te leggen jeugddetentie zal worden vervangen door een werkstraf van 56 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 28 dagen;

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 30 december 2010 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/ 512287-10 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten 83 dagen jeugddetentie;

- bepaalt dat deze ten uitvoer te leggen jeugddetentie zal worden vervangen door een werkstraf van 166 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 83 dagen;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van € 753,99, waarvan € 503,99 ter zake van materiële schade en € 250,00 ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 2] van € 250,00 ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 3] van € 250,00 ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de hierna te noemen slachtoffers de daarbij vermelde bedragen te betalen, bij niet betaling te vervangen door het daarbij vermelde aantal dagen hechtenis:

- benadeelde partij [benadeelde 1], € 753,99, 15 dagen hechtenis,

- benadeelde partij [benadeelde 2], € 250,00, 5 dagen hechtenis,

- benadeelde partij [benadeelde 3], € 250,00, 5 dagen hechtenis,

- met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. I. Bruna, voorzitter, mr. I.P.H.M. Severeijns en mr. A. van Maanen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Verborg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 5 september 2011.