Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU1932

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-08-2011
Datum publicatie
26-10-2011
Zaaknummer
16/600198-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inrijden op groepen personen. Voorwaardelijk opzet. Bewezenverklaring poging tot doodslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600198-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 augustus 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1991] te [geboorteplaats],

wonende te [adres], [woonplaats],

raadsman mr. H.J. Veen, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 10 augustus 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

- feit 1: primair heeft geprobeerd een persoon van het leven te beroven, dan wel subsidiair die persoon zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, of meer subsidiair heeft geprobeerd die persoon zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door in te rijden op deze persoon;

- feit 2: primair heeft geprobeerd een groep personen van het leven te beroven althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en/of die groep heeft bedreigd door in te rijden op deze groep personen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de verklaringen van de aangevers [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4], de medische gegevens van aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], de resultaten van het technisch onderzoek aan de door verdachte bestuurde Suzuki Alto en de 112-meldingen die door de diverse getuigen zijn gedaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat er veel verschillen bestaan, ook op kleine onderdelen, tussen de diverse verklaringen van de aangevers en de getuigen. Om die reden kan niet worden vastgesteld wat er precies is gebeurd.

Daarnaast is aangevoerd dat verdachte geen opzet had op het doden of op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel. Het was de bedoeling van verdachte om zijn collega [slachtoffer 4] te ontzetten. Het enkele op de stoep rijden of het enkele tegen iemand aanrijden is, aldus de verdediging, onvoldoende om het bestaan van opzet op de dood of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel te kunnen aannemen..

Van voorwaardelijk opzet is evenmin sprake. Daartoe is aangevoerd dat de snelheid waarmee is gereden niet is vastgesteld en dat het voertuig waarin verdachte reed is voorzien van een motor met een kleine cilinderinhoud. Een dergelijk voertuig kan geen hoge snelheid halen in een kort tijdsbestek en is bovendien te licht om bij een aanrijding de dood te kunnen veroorzaken. Omdat niet is vastgesteld met welke snelheid verdachte heeft gereden, kan de onder 2 ten laste gelegde bedreiging evenmin tot een bewezenverklaring leiden.

Ten slotte is over het letsel van aangever [slachtoffer 2] opgemerkt dat dit onvoldoende is om als zwaar lichamelijk letsel te kunnen worden bestempeld. Alles aldus de verdediging.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. Aanleiding

Op 27 februari 2011, omstreeks 17.10 uur, ontvangt de politie Utrecht via de Gemeenschappelijke Meldkamer de melding van een aanrijding met een persoon door de bestuurder van een gele Suzuki Alto met het kenteken [kenteken].

Via de centralist van de Gemeenschappelijke Meldkamer komt vervolgens het bericht door dat de bewuste Suzuki op de Jan van Scorelstraat rijdt.

Ter plaatse, op de Jan van Scorelstraat, wordt bedoelde Suzuki Alto stilstaand aangetroffen. De gearriveerde agenten zien dat de genoemde personenauto forse schade heeft aan de voorzijde, alsmede een kapotte voorruit. Op aanwijzen van diverse getuigen kan een man als bestuurder van de auto ten tijde van de aanrijding worden aangemerkt. Deze man, die [verdachte] is genaamd, wordt daarop aangehouden als verdachte van deze aanrijding.

Verdachte heeft verklaard dat hij in een gele auto van het merk Suzuki en het type Alto reed. Ter terechtzitting heeft verdachte deze verklaring bevestigd.

4.3.2. Beoordeling

Ten aanzien van incident 1 (feit 2):

Op 27 februari 2011 staan [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] samen met [slachtoffer 4] en een jongen met een helm op het trottoir van de Rembrandtkade in Utrecht.

Over het verloop van de gebeurtenissen vanaf dat moment verklaart [slachtoffer 1] als volgt: plotseling ziet hij een gele Suzuki Alto over de stoep aan komen rijden. De auto komt met flinke vaart op hen afrijden. [slachtoffer 1] schat de snelheid op ongeveer 30 à 40 kilometer per uur. Op het moment dat de auto komt aanrijden staat [slachtoffer 1] aan de kant van de muur, waardoor hij het gevoel heeft dat hij niet kan wegkomen. Hij heeft zichzelf plat tegen de muur gedrukt, omdat hij, wanneer hij dit niet had gedaan, frontaal was aangereden. In het voorbijrijden van de auto is hij door de linkerbuitenspiegel in zijn buik geraakt, waarna hij ten val is gekomen. [slachtoffer 1] verklaart dat de auto vol gas gaf en niet heeft geremd. De collega van [slachtoffer 4] – de jongen met de helm - wordt vol geraakt.

[slachtoffer 2] verklaart hierover dat hij, op het moment dat hij op de stoep staat, een auto fors hoort accelereren. Hij ziet dat een kleine gele auto op hen af komt rijden. De auto rijdt op de stoep. Hij springt in een reflex aan de kant. Op die manier zorgt hij ervoor dat hij niet wordt geraakt.

[slachtoffer 3] verklaart dat hij voelt of merkt dat er iets langs hem rijdt. Hij heeft dit niet zien aankomen. Hij ziet dat een gele auto op nog geen meter langs hem is gereden. [slachtoffer 3] ziet dat [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 4] en de jongen met de helm weg springen en zo de auto ontwijken.

Deze drie aangevers zijn op 5 juli 2011 gehoord bij de rechter-commissaris, waar zij deze verklaringen op hoofdlijnen hebben bevestigd.

De jongen met de helm blijkt [slachtoffer 5] te zijn.

Een toevallige passant, getuige [getuige 3], ziet een auto met hoge snelheid de stoep oprijden.

Op het trottoir van de Rembrandtkade zijn delen van de spiegel gevonden die gezamenlijk passen in de linkerbuitenspiegel van de Suzuki Alto.

Aanvullende bewijsoverwegingen

Het feit dat deze spiegeldelen zijn gevonden op het trottoir vormt een aanwijzing dat de Suzuki Alto ter plaatse aanwezig is geweest en naar het oordeel van de rechtbank ondersteunt de vondst van de spiegeldelen de verklaringen van bovengenoemde aangevers en getuige dat de Suzuki Alto op het trottoir heeft gereden.

De rechtbank overweegt dat de verklaringen van de aangevers overeenkomen met de verklaring van genoemde passant, getuige [getuige 3], die buiten het conflict tussen aangevers en verdachte en zijn collega’s stond en als zodanig geen belang heeft bij het weergeven van een onjuiste voorstelling van zaken.

Daar komt bij dat de verklaring van aangever [slachtoffer 1] over het contact met de spiegel ondersteund wordt door de plaats waarop de kapotte spiegeldelen van de Suzuki Alto zijn aangetroffen.

Hieruit leidt de rechtbank af dat de verklaringen van aangevers op dit punt betrouwbaar zijn en dat de verdachte in de door hem bestuurde Suzuki Alto over het trottoir heeft gereden.

Ten aanzien van incident 2 (feit 1):

Verdachte keert de Suzuki Alto, nadat hij over de stoep bij de Rembrandtkade is gereden en rijdt vervolgens terug over de Rembrandtkade.

[slachtoffer 1] verklaart over dit moment als volgt. Hij staat met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] op de Rembrandtkade op de rijbaan. Hij ziet de gele Suzuki Alto met een geschatte snelheid van 50 à 60 kilometer per uur op hen afkomen. De snelheid ligt aanzienlijk hoger dan de eerste keer. [slachtoffer 1] kan samen met [slachtoffer 4] aan de kant springen en ziet dan dat de gele Suzuki Alto [slachtoffer 2] vol aanrijdt. [slachtoffer 2] komt op de motorkap terecht en wordt op de motorkap meegenomen. Na zeven meter valt hij op de grond.

Volgens [slachtoffer 3] zijn [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] en de jongen met de helm de weg opgelopen. De gele auto rijdt met een snelheid van 50 kilometer per uur in de richting van dit viertal. [slachtoffer 2] staat met zijn rug naar de gele auto en wordt door de gele auto van achteren aangereden. [slachtoffer 2] is door de aanrijding via de voorkant aan de rechterzijde van de auto op straat gevallen.

[slachtoffer 2] zelf verklaart dat hij hard van achteren werd aangereden door de kleine gele auto.

Buurtbewoners en toevallige passanten zijn getuige geweest van dit voorval. Door hen zijn hierover, zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris, verklaringen afgelegd. Aan de verklaringen van deze getuigen wordt door de rechtbank in het bijzonder waarde gehecht, nu deze getuigen als onafhankelijke getuigen kunnen worden beschouwd.

Eén van hen is getuige [getuige 1], die ziet dat de gele auto met zeer hoge snelheid terug komt rijden. Hij ziet dat de gele auto een man aanrijdt die op de Rembrandtkade staat. Deze man komt met een harde klap op de motorkap van de auto terecht.

Getuige [getuige 5] heeft vanuit haar slaapkamer goed zicht op de hoek van de Rembrandtkade en de Adriaen van Ostadelaan. Zij ziet dat de gele auto heel hard optrekt, de Rembrandtkade op rijdt en vervolgens een man vol gas aanrijdt. De man komt via de bumper over de motorkap van de auto tegen de voorruit aan. De man glijdt aan de passagierskant van de auto af.

Ook getuige [getuige 2] ziet, eveneens vanuit haar woning, dat de gele auto de Rembrandtkade weer oprijdt, even stilstaat en in één keer veel gas geeft. Er wordt op één van de mannen ingereden. De man komt op de motorkap terecht.

Getuige [getuige 3] ziet de auto keren en weer over de Rembrandtkade rijden. Een paar [mensen] staan er op de middenweg en één ervan wordt gegrepen. Die komt op de motorkap en hard op de grond.

De getuigen [getuige 2] en [getuige 3] benadrukken dat de gele auto recht op de mannen inrijdt.

Betrouwbaarheid verklaringen

De rechtbank hecht in het bijzonder waarde aan de verklaringen van de buurtbewoners en passanten. Door hen zijn, zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris, verklaringen afgelegd. Aan de verklaringen van deze getuigen wordt door de rechtbank in het bijzonder waarde gehecht, nu deze getuigen als onafhankelijke getuigen kunnen worden beschouwd en deze verklaringen in essentie gelijkluidend zijn.

Verklaring verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zijn zicht werd belemmerd door een kapotte voorruit. Hij zegt daardoor niet te hebben geweten of gemerkt dat hij iemand aanreed.

Nog daargelaten dat door verdachte wisselend is verklaard over het moment waarop de voorruit is vernield, de wijze waarop dit gebeurde en door wie deze schade zou zijn toegebracht, is de rechtbank van oordeel dat deze verklaring van verdachte niet geloofwaardig is. Op de foto’s van de voorruit die zich in het dossier bevinden (welke foto’s klaarblijkelijk na het incident zijn gemaakt), is te zien dat de schade aan de voorruit niet aan de bestuurderszijde zit, maar aan de kant van de bijrijder. Het zicht was derhalve voor verdachte niet belemmerd door schade aan de voorruit. De rechtbank acht verder niet voorstelbaar dat verdachte niets heeft gemerkt van de aanrijding.

Opzet

Door de verschillende aangevers en getuigen is wisselend verklaard over de snelheid waarmee is gereden op de stoep (feit 2) en op het moment dat aangever [slachtoffer 2] is geschept op de rijbaan (feit 1). Er wordt gesproken over snelheden variërend van 30 kilometer per uur tot 90 kilometer per uur. Ook verklaren getuigen over het geluid van piepende banden of over een hoog motorgeluid.

In de eerste situatie (feit 2) is gereden op een trottoir dat grenst aan een muur. De ruimte om aan de kant te springen voor de personen die op dat moment op die stoep staan, is daardoor zeer beperkt.

In de tweede situatie (feit 1) gaat het om het inrijden op een groep personen op de rijbaan, terwijl één van de personen (aangever [slachtoffer 2]) uit die groep met de rug naar het voertuig van verdachte staat gekeerd. Verdachte is met zijn voertuig op de groep afgereden zonder duidelijk te maken dat hij hen naderde.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de snelheid waarmee is gereden in beide situaties (feit 1 en feit 2) gezien de omstandigheden hoog en acht daarmee bewezen dat verdachte met een relatief hoge snelheid heeft gereden.

Daarnaast blijkt uit verschillende verklaringen dat door verdachte niet is geremd (feit 1 en feit 2) of heeft geprobeerd om de personen op de rijbaan (feit 1) te ontwijken. Uit de eerder aangehaalde verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] bij de rechter-commissaris kan daarentegen worden afgeleid dat recht op de groep op de rijbaan is ingereden.

De rechtbank kent ook betekenis toe aan het gegeven dat verdachte zijn voertuig keerde nadat hij ermee op het trottoir heeft gereden, waarna hij andermaal op de groep personen afrijdt. Zij leidt hieruit af dat verdachte doelbewust zijn richting bepaalde.

De rechtbank overweegt voorts dat voetgangers kwetsbare verkeersdeelnemers zijn. Het is een feit van algemene bekendheid dat voetgangers door een aanrijding met een personenauto kunnen komen te overlijden.

De rechtbank is van oordeel dat, ware het tot een aanrijding met één van de in de tenlastelegging genoemde personen gekomen, de kans op een dodelijke afloop aanzienlijk was geweest (feit 2).

Dat [slachtoffer 2] niet is komen te overlijden nadat hij is geschept en meegenomen op de motorkap is uitsluitend te danken aan omstandigheden die niet aan het handelen van verdachte kunnen worden toegerekend (feit 1).

Conclusie

Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer op een bepaald gevolg gericht te zijn geweest dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte de kans op dat gevolg heeft aanvaard.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door zijn handelen – het met relatief hoge snelheid met een personenauto tot twee keer toe afrijden op personen zonder te remmen of uit te wijken – willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij een of meer personen zou aanrijden die daardoor zouden komen te overlijden (feit 2), dan wel dat [slachtoffer 2] tengevolge van de aanrijding zou komen te overlijden (feit 1). De rechtbank acht opzet daarom bewezen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

Primair

op 27 februari 2011 te Utrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet als bestuurder van een personenauto,

tweemaal,

met relatief hoge snelheid op die [slachtoffer 2] is ingereden en zijn, verdachtes voertuig naar die [slachtoffer 2] heeft gestuurd, waardoor voornoemde [slachtoffer 2] opzij moest springen en op enig moment door die personenauto is geschept en na enkele meters te zijn meegesleurd op de motorkap ten val is gekomen,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

Primair

hij op 27 februari 2011 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 3]

van het leven te beroven, met dat opzet als bestuurder van een personenauto,

tweemaal, met relatief hoge snelheid op die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 3] is ingereden en zijn, verdachtes voertuig naar, althans in de richting van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] en Chengachi en [slachtoffer 3] heeft gestuurd, waardoor voornoemde personen opzij moesten springen/gaan en waardoor die [slachtoffer 1] door die personenauto is geraakt en vervolgens ten val gekomen, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Namens verdachte is ten aanzien van feit 2 een beroep gedaan op noodweer. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat verdachte zijn collega te hulp wilde komen.

Hoewel de rechtbank aannemelijk acht dat verdachte zijn collega [slachtoffer 4], die op dat moment werd belaagd door de aangevers [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], te hulp wilde komen en daartoe ook gerechtigd was, is de manier waarop verdachte heeft geprobeerd in te grijpen disproportioneel. Tussen de collega van verdachte enerzijds en zijn belagers anderzijds was sprake van een handgemeen. Het met een auto inrijden op die groep, die zich op dat moment op een trottoir bevindt, staat niet in redelijke verhouding tot deze belaging door mannen zonder wapens.

Het beroep op noodweer wordt verworpen. De rechtbank heeft voorts geen aanknopingspunten in het dossier aangetroffen voor noodweerexces. Er zijn namens verdachte geen andere omstandigheden aangevoerd noch zijn andere omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1 primair: poging tot doodslag, meermalen gepleegd;

Feit 2 primair: poging tot doodslag, meermalen gepleegd;

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 138 dagen, een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van achttien maanden.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Namens verdachte is aangevoerd dat er, afgaand op de over de persoon van verdachte uitgebrachte rapporten, geen gevaar voor recidive is. Verdachte is genoeg gestraft; hij was er alleen op uit om het goede te doen. Er kan daarom worden volstaan met een voorwaardelijke straf. Een ontzegging van de rijbevoegdheid is naar het oordeel van de verdediging niet nodig.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft, door op deze wijze te handelen, een zeer ernstig misdrijf gepleegd. Hij heeft het leven van anderen in de waagschaal gesteld. Verdachte heeft in het bijzonder aangever [slachtoffer 2] veel pijn en leed, maar ook psychische schade berokkend.

Bovendien is een dergelijk optreden op straat schokkend voor de ooggetuigen en versterkt het de in de maatschappij levende gevoelens van onveiligheid.

Het handelen van verdachte rechtvaardigt in beginsel het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur.

In het voordeel van verdachte heeft de rechtbank meegewogen dat verdachte met de bedoeling om een collega te helpen tot zijn handelen is gekomen. De drie aangevers hebben zichzelf in een situatie gebracht waarin te verwachten was dat anderen zich tegen hen zouden verweren. Ook is het beeld zoals dat van verdachte in de over hem uitgebrachte rapportages wordt geschetst, te weten een reclasseringsadvies van S. Dijkslag d.d. 20 mei 2011 en een rapport van psycholoog S.G.K. Hartmann d.d. 16 mei 2011 waaruit naar voren komt dat verdachte geen specifieke problemen heeft, en zijn blanco documentatie in het voordeel van verdachte meegewogen.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doet aan de feiten.

De rechtbank is van oordeel – alles overwegende en met name ook rekening houdend met de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd en de rol die ook anderen daarin hebben gespeeld - dat een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden passend en geboden is, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel van de gevangenisstraf, te weten 4 maanden, voorwaardelijk op te leggen, met een proeftijd van 2 jaar. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Daarnaast wordt een onvoorwaardelijke werkstraf opgelegd van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis.

Ten aanzien van feit 1 wordt een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen opgelegd van na te melden duur nu verdachte zijn auto heeft ingezet als wapen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1 primair: poging tot doodslag, meermalen gepleegd;

feit 2 primair: poging tot doodslag, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis;

- veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden;

Voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel gevangenhouding met ingang van de datum waarop dit vonnis onherroepelijk wordt.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Bender, voorzitter, mr. R.P. den Otter en mr. C.S.K. Fung Fen Chung, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Verborg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 24 augustus 2011.