Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BU1582

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-10-2011
Datum publicatie
26-10-2011
Zaaknummer
16.710385-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Oplichting kamerhuurders, wel aanwijzingen die verdenking rechtvaardigden, maar onvoldoende voor wettig bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16.710385-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 oktober 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1966] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

raadsman M.J. Lamers, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 11 oktober 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. met een ander [benadeelde 1], [benadeelde 2] en andere potentiële kamerhuurders heeft opgelicht dan wel dat hij [medeverdachte 1] daarbij behulpzaam is geweest;

2. heeft geprobeerd om met een ander [benadeelde 3] en andere potentiële kamerhuurders op te lichten dan wel dat hij [medeverdachte 1] daarbij behulpzaam is geweest;

3. heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot doel had mensen op te lichten.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten 1 primair, 2 primair en 3 heeft begaan. Zij baseert zich daarbij op de verklaring van [medeverdachte 1], afgelegd op 1 november 2010, en voert aan dat deze verklaring betrouwbaarder is dan de ontkennende verklaring van verdachte, omdat [medeverdachte 1] zichzelf in die verklaring niet heeft gespaard. Bovendien vindt deze verklaring op meerdere onderdelen steun in het dossier, aldus de officier van justitie. Zij wijst erop dat uit het feit dat verdachte met [medeverdachte 2] op de Amsterdamsestraatweg kwam en hij zijn bankrekeningnummer heeft gewijzigd en tot tweemaal toe zijn bedrijfsnaam heeft gewijzigd bij de Kamer van Koophandel, kan worden afgeleid dat hij ook wist waarom een ander bankrekeningnummer en een gewijzigde bedrijfsnaam nodig waren. Bovendien waren zijn huissleutel en auto in gebruik bij [medeverdachte 2]. De officier van justitie wijst erop dat verdachte een pinpoging heeft gedaan bij de bank die mislukte en vervolgens geen actie heeft ondernomen om te ontdekken wat er aan de hand was. Ook hieruit kan zijn wetenschap worden afgeleid, aldus de officier van justitie. De officier van justitie voert aan dat [medeverdachte 1] heeft verklaard dat anderen dezelfde truc hebben uitgevoerd en dat na zijn benadering van [medeverdachte 2] en verdachte ook Utrechtse studenten de dupe zijn geworden van de oplichting. [medeverdachte 1] had in de organisatie een meer leidende rol dan verdachte. De duur van de samenwerking is lang genoeg om tot een bewezenverklaring te komen, aldus de officier van justitie.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. De raadsman wijst erop dat de verklaring van [medeverdachte 1] van 1 november 2010 niet gebruikt mag worden voor het bewijs, nu de verdediging deze getuige niet heeft kunnen ondervragen omdat [medeverdachte 1] zich bij deze ondervraging heeft beroepen op zijn verschoningsrecht als (mogelijke) verdachte en omdat het bewijs van de wetenschap van verdachte in beslissende mate berust op deze verklaring van [medeverdachte 1]. De raadsman verwijst daarbij naar HR 14 september 1998, NJ 1998, 910 en HR 27 februari 2001, NJ 2002, 101. De raadsman concludeert primair dat, nu deze verklaring niet mag worden gebezigd voor het bewijs, vrijspraak dient te volgen.

Subsidiair is de raadsman van mening dat uit de verklaring van [medeverdachte 1] niets valt af te leiden over de wetenschap van verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde. Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen gissingen en eigen wetenschap van deze getuige. Ook om die reden dient vrijspraak te volgen, aldus de raadsman.

Ook indien de rechtbank van oordeel is dat het niet in strijd is met het bepaalde van artikel 6 van het EVRM om de verklaring te gebruiken voor het bewijs, staat de onbetrouwbaarheid van deze verklaring het gebruik ervan in de weg. [medeverdachte 1] verklaart namelijk dat verdachte [verdachte] heeft geronseld terwijl volgens getuige [getuige] [verdachte] heeft verteld te zijn benaderd door een man met de naam [naam]. De raadsman concludeert ook in dat geval tot vrijspraak. Indien de rechtbank zou overwegen de verklaring van [medeverdachte 1] voor het bewijs te gebruiken, verzoekt de raadsman om [getuige] als getuige te horen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat het dossier verschillende aanwijzingen bevat dat verdachte betrokken is geweest bij de ten lastegelegde feiten. Zo heeft verdachte, naar eigen zeggen op verzoek van [medeverdachte 1], in korte tijd tweemaal bij de Kamer van Koophandel de naam van zijn bedrijf gewijzigd en een andere bankrekening geopend en hij heeft een naar het oordeel van de rechtbank ongeloofwaardige verklaring afgelegd over zijn beweegredenen voor deze handelingen. Uit het feit dat verdachte een ongeloofwaardige verklaring heeft afgelegd kan in de gegeven omstandigheden echter niet met een voldoende mate van zekerheid worden afgeleid dat verdachte wist dat deze handelingen nodig waren om de strafbare feiten, zoals hem tenlastegelegd, te plegen, omdat het dossier naast deze ongeloofwaardige verklaring onvoldoende concrete aanknopingspunten bevat die tot dat oordeel zouden kunnen leiden. Ook kan de rechtbank de wetenschap van verdachte niet afleiden uit de door [medeverdachte 1] afgelegde verklaring –nog daargelaten de vraag of deze verklaring voor het bewijs gebezigd mag worden- nu deze verklaring op dit punt niet berust op waarnemingen van [medeverdachte 1], maar op zijn gissingen of conclusies.

Dit maakt dat het dossier weliswaar voldoende aanwijzingen bevat die een verdenking tegen verdachte rechtvaardigden, maar onvoldoende om tot wettig bewijs van het tenlastegelegde te komen. De rechtbank zal verdachte daarom van de feiten 1 (primair en subsidiair), 2 (primair en subsidiair) en 3 vrijspreken.

5 Het beslag

5.1 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

6 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 2, 3, 4, 5, 6 en 7.

Dit vonnis is gewezen door mr. I. Bruna, voorzitter, mr. L.M.G. de Weerd en mr. Y.A.T. Kruijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Scheffer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 25 oktober 2011.

Mr. Kruijer was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.