Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BT9016

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-10-2011
Datum publicatie
25-10-2011
Zaaknummer
16/600754-11 en 16/601192-09 (tul) [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal door inklimming en opzetheling. Deels voorwaardelijke gevangenisstraf met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600754-11 en 16/601192-09 (tul) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 oktober 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1973] te [geboorteplaats]

thans verblijvende te PI Amsterdam, HvB Het Schouw

raadsvrouw mr. E. van Vels, advocaat te Leusden

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 10 oktober 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 14 juli 2011 door middel van inklimming geld heeft weggenomen uit een pand van het Louis Hartlooper Complex te Utrecht;

feit 2: op 27 juli 2011 te Utrecht primair een fiets heeft gestolen van [benadeelde 1], subsidiair daartoe een poging heeft gedaan;

feit 3: op 21 juli 2011 te Utrecht primair sieraden heeft gestolen van [benadeelde 2], subsidiair zich schuldig heeft gemaakt aan heling van die sieraden.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en verzoekt de rechtbank verdachte daarvan vrij te spreken.

De officier van justitie acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en primair onder 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op het volgende.

Ten aanzien van feit 1: de aangifte, bevindingen ten aanzien van de beelden en de herkenning van verdachte door een verbalisant.

Ten aanzien van feit 3, primair: de aangifte, de getuigenverklaringen en de bevindingen van de politie. Verdachte was kort na de diefstal in het bezit van de gestolen sieraden en de verklaring die verdachte daarover heeft gegeven acht de officier van justitie niet aannemelijk.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1, 2 en primair onder 3 ten laste gelegde feiten en voert daartoe het volgende aan.

Ten aanzien van feit 1: verdachte ontkent dat hij het feit heeft gepleegd en herkent zichzelf ook niet in de beelden.

Ten aanzien van feit 2: verdachte ontkent dat hij het feit heeft gepleegd. Niet kan worden bewezen dat verdachte de persoon was die de fiets wilde meenemen. Enkel het door aangeefster gegeven signalement is daarvoor onvoldoende.

Ten aanzien van feit 3: verdachte ontkent dat hij de diefstal heeft gepleegd. Verdachte had weliswaar een aantal van de gestolen sieraden in zijn bezit, maar nergens uit het dossier blijkt dat verdachte ook in de woning is geweest waar de diefstal is gepleegd.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 2 en primair onder 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte was die de fiets van aangeefster heeft gestolen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat het verdachte was die de fiets meenam.

Ten aanzien van feit 3, primair

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte was die de woninginbraak heeft gepleegd. Verdachte was op het moment van aanhouding weliswaar in het bezit van een aantal van de gestolen sieraden, maar het tijdstip van de woninginbraak (omstreeks 12.00 uur) en het tijdstip van het aantreffen van verdachte met de sieraden (omstreeks 14.19 uur) ligt naar het oordeel van de rechtbank te ver van elkaar verwijderd om te kunnen vaststellen dat het verdachte was die de sieraden heeft gestolen uit de woning van [benadeelde 2]. De rechtbank neemt hierbij mede in overweging dat de juwelier waar verdachte met de sieraden is geweest om deze te verkopen zeer dichtbij de woning van de inbraak is gelegen.

Vaststelling van de feiten

De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en onder 3 subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

Ten aanzien van feit 1

Aangever [aangever] heeft namens het Louis Hartlooper Complex verklaard dat op 14 juli 2011 een geldbedrag is weggenomen uit een bedrijfspand van het Louis Hartlooper Complex aan de Tolsteegbrug 1 te Utrecht.

De beelden van de beveiligingscamera van het bedrijf zijn door de politie bekeken. Daarop is te zien dat een manspersoon door het raam van het pand klimt en vervolgens achter de bar terechtkomt. De manspersoon opent de kassalade en pakt hieruit papiergeld en muntgeld. De manspersoon steekt het geld daarna in zijn broekzak en kruipt vervolgens door het raam weer naar buiten.

De manspersoon op de beelden is vervolgens via een foto in een briefing van de politie door een verbalisant herkend als verdachte. De verbalisant herkende verdachte aan de vorm van zijn gezicht en zijn haar.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan.

Ten aanzien van feit 3, subsidiair

Aangeefster [benadeelde 2] heeft verklaard dat op 21 juli 2011 is ingebroken in haar woning te Utrecht en dat daarbij een sieradendoosje met daarin een hoeveelheid (onder andere gouden) sieraden is weggenomen.

Later die dag kwamen verbalisanten ter plaatse bij een juwelier te Utrecht, alwaar aangeefster had gezien dat een man bij de toonbank stond en dat op de weegschaal sieraden lagen die zij herkende als zijnde sieraden die bij de diefstal in haar woning waren weggenomen. De man griste vervolgens de sieraden van de toonbank weg en vluchtte de juwelierszaak uit. De man is aan de hand van het opgegeven signalement enkele minuten later buiten de juwelierszaak aangehouden en bleek verdachte te zijn. Uit de broekspijp van verdachte vielen twee armbanden en twee ringen.

Verdachte heeft verklaard dat hij in de McDonald’s te Utrecht was aangesproken door een jongen die vroeg of hij goud wilde kopen. Verdachte kocht van hem twee armbanden en twee ringen voor € 300,-. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij niet wist wie de jongen was en dat hij ook niet wist hoe die jongen aan dat goud kwam.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan met dien verstande dat, gezien de door verdachte genoemde omstandigheden van de koop, sprake is van opzetheling.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 14 juli 2011 te Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfspand gelegen aan de Tolsteegbrug 1 heeft weggenomen enig geldbedrag toebehorende aan horecabedrijf Louis Hartlooper Complex, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van inklimming van een raam van voornoemd pand;

3.

Subsidiair

op 21 juli 2011 te Utrecht, een hoeveelheid gouden sieraden voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van voornoemde gouden sieraden wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van feit 1: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming.

Ten aanzien van feit 3, subsidiair: opzetheling.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, ook als dat inhoudt plaatsing en begeleiding bij Exodus en een behandeling bij de forensische poli van Centrum Maliebaan.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat de duur van de gevangenisstraf zoals door de officier is gevorderd dient te worden gematigd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte is een bedrijfspand ingeklommen en heeft daar geld uit de kassalade gestolen. De rechtbank acht dit ernstig. Diefstallen zijn ergerlijke feiten, die naast schade vaak veel hinder veroorzaken voor de gedupeerde bedrijven en personen. Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan heling en daarmee bijgedragen aan het in stand houden van een afzetmarkt voor gestolen goederen. De rechtbank acht dit onacceptabel.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 1 september 2011, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor (gekwalificeerde) diefstallen en heling;

- een de verdachte betreffend advies van Reclassering Centrum Maliebaan d.d. 6 oktober 2011, opgesteld door M. van Rheenen, reclasseringswerker, inhoudende dat verdachte geen vaste woonruimte heeft, geen dagritme heeft, in toenemende mate cannabis- en cocaïne gebruikt en daarnaast ook psychiatrische problemen heeft. De reclasseringswerker adviseert een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf met daarbij als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht met daarbij een meldingsgebod en een behandelverplichting bij de forensische poli van Centrum Maliebaan. De reclassering zal zich voorts inzetten verdachte te plaatsen bij Exodus;

- de mededeling van de verdediging ter terechtzitting van 10 oktober 2011 dat verdachte open staat voor reclasseringstoezicht en behandeling.

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden dient te worden opgelegd. De officier van justitie is bij zijn eis echter uitgegaan van een bewezenverklaring van feit 1 en feit 3, primair. Nu de rechtbank slechts bewezen acht feit 1 en feit 3, subsidiair, zal zij een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden passend en noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan, te weten 3 maanden, voorwaardelijk op te leggen, met een proeftijd van twee jaar. Deze voorwaardelijke straf maakt een verplichte begeleiding door de Reclassering van Centrum Maliebaan, waaronder plaatsing bij en begeleiding door Exodus en behandeling bij de forensische poli van Centrum Maliebaan, mogelijk.

7 De benadeelde partijen

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de vordering van de benadeelde partij LHC Exploitatie BV dient te worden toegewezen en dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd.

De officier van justitie is van mening dat van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] enkel de bedragen dienen te worden toegewezen van de sieraden waarvan aangifte is gedaan, waarvan een bon is en welke niet reeds worden teruggegeven.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat indien verdachte wordt vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten, de vorderingen van de benadeelde partijen dienen te worden afgewezen. De verdediging heeft ten aanzien van de vordering van [benadeelde 2] subsidiair aangevoerd dat deze niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat deze onvoldoende is onderbouwd en niet duidelijk is of deze sieraden ook daadwerkelijk zijn weggenomen.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de benadeelde partij LHC Exploitatie BV

De benadeelde partij LHC Exploitatie BV vordert een schadevergoeding van € 235,- voor feit 1, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2011.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] vordert een schadevergoeding van

€ 8.647,- voor feit 3.

Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan, te weten de diefstal. Verdachte is wel veroordeeld voor heling, maar de rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de schade rechtstreeks door dit feit is toegebracht, temeer nu de vier sieraden die bij verdachte zijn aangetroffen en op de lijst van de totale schade staan, aan de benadeelde partij zullen worden teruggegeven. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Zij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8 Het beslag

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen voorwerpen worden teruggegeven aan de rechthebbende.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet verzet tegen teruggave van de in beslag genomen voorwerpen aan de rechthebbende.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan [benadeelde 2], omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

9 De vordering tot tenuitvoerlegging

9.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 53 dagen die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 21 januari 2010 ten uitvoer zal worden gelegd, voor het gedeelte dat deze gevangenisstraf nog niet eerder ten uitvoer is gelegd, te weten voor 23 dagen.

9.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

9.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

10 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 24c, 36f, 57, 310, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 2 en primair onder 3 ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

ten aanzien van feit 1: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming;

ten aanzien van feit 3, subsidiair: opzetheling;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich binnen 3 dagen volgend op zijn ontslag uit detentie of 3 dagen na het onherroepelijk worden van het vonnis meldt bij Reclassering van Centrum Maliebaan aan de Tolsteegsingel 2A te Utrecht;

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering van Centrum Maliebaan, ook als dat inhoudt plaatsing en begeleiding bij Exodus en behandeling bij de forensische poli van Centrum Maliebaan, of een soortgelijke instelling;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan [benadeelde 2] van de in beslag genomen voorwerpen, te weten twee gouden armbanden, een zilveren ring en een gouden ring;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 53 dagen, die bij vonnis d.d. 21 januari 2010 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/601192-09, ten uitvoer zal worden gelegd, voor het gedeelte dat deze nog niet eerder ten uitvoer is gelegd, te weten 23 dagen gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij LHC Exploitatie BV van

€ 235,-, ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2011;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer LHC Exploitatie BV, € 235,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2011,

te betalen, bij niet betaling te vervangen door 4 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.S.K. Fung Fen Chung, voorzitter, mr. G. Perrick en mr. M.H.L. Schoenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Ven-de Vries, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 24 oktober 2011.

Mr. M.H.L. Schoenmakers is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.