Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BT8716

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-10-2011
Datum publicatie
20-10-2011
Zaaknummer
16-600595-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake medeplegen afpersing en diefstal dmv bedreiging met geweld en overtreden winkelverbod. Rechtbank acht verklaringen slo betrouwbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600595-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 oktober 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1969] te [geboorteplaats] (Roemenie),

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Utrecht, Huis van Bewaring locatie Nieuwegein.

Raadsman mr. C.N.G.M. Starmans, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 22 september 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering en is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: op 17 juni 2011 te Utrecht al dan niet samen met anderen, twee personen geld heeft afgeperst en/of twee personen, heeft beroofd van een geldbedrag;

feit 2: op 21 juni 2011 al dan niet samen met een ander goederen heeft (geprobeerd) te stelen uit een V&D te Utrecht;

feit 3: op 21 juni 2011 opzettelijk een winkelverbod van de V&D te Utrecht heeft overtreden.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de impliciet onder feit 1 ten laste gelegde afpersing door middel van bedreiging met geweld heeft begaan. De officier van justitie baseert zich daarbij op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen, waaronder: verklaringen van beide aangevers, het aantreffen van de door aangevers omschreven ijzeren staaf en sabel, het rapport van het NFI en het aanvullend rapport daarop en voorts op de verklaring van verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] met betrekking tot de diefstal van het geldbedrag.

De officier van justitie acht de onder feit 1 impliciet ten laste gelegde diefstal met geweld niet wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit baseert de officier van justitie zich op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen.

De officier van justitie stelt dat verdachte ten aanzien het onder 3 ten laste gelegde feit vrijgesproken dient te worden, nu uit het dossier niet blijkt dat de strekking van het winkelverbod voldoende duidelijk was.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit alleen de diefstal wettig en overtuigend bewezen kan worden. Ten aanzien van de onder feit 1 ten laste gelegde afpersing en het geweld kan, aldus de verdediging, de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. De verdediging stelt daartoe dat de verklaringen van de aangevers die zij bij de politie hebben afgelegd, op cruciale elementen verschillen van of tegenstrijdig zijn met de verklaringen die zij later bij de rechter-commissaris hebben afgelegd. Voorts bevestigen beide aangevers elkaars verklaringen niet op fundamentele punten.

Ten aanzien van feit 2 stelt de verdediging dat verdachte vrijgesproken dient te worden, omdat niet bewezen kan worden dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen beide verdachten.

Ten aanzien van feit 3 refereert de verdediging zich aan het standpunt van de officier van justitie.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. feit 2: vrijspraak

De rechtbank is, met de raadsman van oordeel, dat het onder 2 ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Op basis van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen kan niet worden vastgesteld dat bij de diefstal op 21 mei 2011 in de V&D te Utrecht sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte. De rechtbank overweegt daartoe dat de medeverdachte heeft bekend dat hijzelf de diefstal heeft gepleegd. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat verdachte enige handeling, het zij passief danwel actief, heeft verricht met betrekking tot de diefstal.

Verdachte dient derhalve vrijgesproken te worden van dit feit.

4.3.2. feit 1

4.3.2.1. Overwegingen betreffende de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangevers

De rechtbank acht de verklaringen van beide aangevers betrouwbaar en geloofwaardig. De rechtbank overweegt daartoe dat de aangevers elkaars verklaringen op belangrijke onderdelen bevestigen. De verklaringen zijn consistent over de aanleiding van de ontmoeting tussen aangevers en verdachten, over hetgeen er in de kamer van medeverdachte [medeverdachte 1] voorgevallen is, de aanwezigheid van de verdachten, de lichamelijke reacties die zij kregen na het drinken van koffie, het dreigen met een (ninja) sabel en een ijzeren staaf, het afgeven van het geld, het zich deels moeten ontkleden en het wegnemen van autosleutels om daarna met geld afkomstig uit de auto van aangever [aangever 1] terug te komen. Voorts worden de verklaringen op onderdelen ondersteund door de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachten zoals over wie in de bewuste kamer aanwezig waren, maar ook door andere feitelijkheden zoals het aantreffen van de in beslag genomen ijzeren staaf en ninja sabel op de plaats van het delict, de resultaten van het toxicologisch onderzoek van bloedmonsters van de beide aangevers. Tenslotte weegt hier mee dat aangevers zich vrijwel direct na het incident bij de politie hebben gemeld met het relaas dat zij zijn afgeperst c.q. beroofd.

Dat de verklaringen van de aangevers op een aantal punten niet exact overeenkomen doet, naar het oordeel van de rechtbank, niet af aan de betrouwbaarheid daarvan, aangezien deze, zoals gezegd op meerdere hoofdpunten wel in vergaande mate of geheel overeenkomen.

4.3.2.2. Overwegingen betreffende het bewijs

De rechtbank heeft zich bij zijn oordeel gebaseerd op de navolgende uit wettelijke bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden.

Op 17 juni 2011 omstreeks 16.30 uur krijgen de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] een melding van een beroving. Twee Roemenen zouden van hun geld zijn beroofd en zouden zijn bedreigd met een knuppel en een mes/zwaard. Voormelde verbalisanten krijgen vervolgens opdracht zich naar de kruising [adres] te begeven, waar een witte bestelauto met Roemeens kenteken zou staan. Daar aangekomen zien zij een wit bestelbusje staan, met daarin twee personen. Deze personen zijn [aangever 1] en [aangever 2]. [aangever 1] geeft aan dat zij in een woning, onder bedreiging van een stalen knuppel en een groot mes, hun geld aan een aantal mannen hebben moeten afgeven. Op aanwijzing van de aangevers [aangever 1] en [aangever 2] komt men uit bij een woning aan de [adres] (de rechtbank begrijpt: [adres]) te Utrecht. Zij worden binnengelaten door de hoofdbewoner, de heer [betrokkene 1]. [aangever 1] gaat in het pand naar het toilet en roept: “He police, here’s the weapon.” In het toilet treft men een roodkleurige stalen pijp aan. [aangever 1] geeft verder aan dat het mes vermoedelijk in een kast lag, in de ruimte waar de beroving had plaatsgevonden. [verbalisant 1] ziet in laatstgenoemde ruimte een afgesloten kast staan. [betrokkene 1] breekt de kast open en [verbalisant 1] ziet in de kast een ninjazwaard liggen.

Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] hadden kort daarvoor, omstreeks 16.00 uur, een melding gekregen, dat een man in een snackbar aan de [adres] te Utrecht zou bloed spugen. Ter plaatse treft men vier Roemeense/Oost-Europese mannen aan, waaronder verdachte [verdachte] die bloed spuugt. [verdachte] wordt daarop door een ambulance naar het ziekenhuis gebracht, vergezeld van twee van de drie andere mannen.

Omstreeks 16.30 krijgen [verbalisant 3] en [verbalisant 4] vervolgens een melding van een beroving van twee Roemeense mannen waarbij een van de verdachten bloed zou hoesten. Daarop realiseren deze verbalisanten zich dat zij deze personen kort daarvoor in de snackbar bij de [adres] hadden gezien. Daarop hebben zij in het ziekenhuis verdachte [verdachte] en twee andere mannen (de rechtbank begrijpt: de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]) aangehouden.

Aangever [aangever 1] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard dat hij samen met [aangever 2] op 17 juni 2011 in Utrecht een afspraak had met [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte [verdachte]). Zij zouden van of via [verdachte] gereedschap kopen. [verdachte] heeft hen naar een appartement gebracht, het appartement waar hij (aangever) de politie naar toe heeft gebracht. In het appartement waren nog drie mannen aanwezig. Er werd gepraat. Op enig moment hoorde hij [verdachte] zeggen dat zij alles wat zij hadden op bed moesten leggen. Een van de mannen pakte een ijzeren staaf, de andere man pakte een soort ninja sabel uit de kast. De Albanees (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2]) bleef op het bed zitten. [aangever 2] had € 2000,00 in zijn broekzak, dat waren briefjes van € 100,00, € 50,00, € 20,00 en € 10,00. [aangever 2] pakte het geld uit zijn broekzak. Naast hem stond de man met de ijzeren staaf. Aan zijn (aangevers) kant stond de man met de sabel. De mannen hielden deze voorwerpen omhoog. [verdachte] pakte de sabel en zette deze op de keel van [aangever 2]. Als zij (de rechtbank begrijpt: [aangever 1] en [aangever 2]) probeerden op te staan maakten de mannen een slaande beweging en zeiden: “Zitten blijven”. [verdachte] griste het geld uit de handen van [aangever 2]. De mannen geloofden niet dat zij zo weinig geld bij zich hadden en voelden aan hun kleding. De man met de ijzeren staaf controleerde [aangever 2] en de man met de sabel controleerde aangever. [verdachte] zei dat zij hun schoenen, broeken en onderbroeken uit moesten doen. Nadat de mannen gezien hadden dat ze niets meer bij zich hadden mochten zij zich weer aankleden. De man met de sabel is met de autosleutels van aangever naar beneden gegaan en kwam terug met spullen die in de auto hadden geleden, waaronder een tas. De man met de sabel haalde een portemonnee uit de tas en haalde daar geld uit, ongeveer € 350,00 en Roemeense Lei. [verdachte] pakte het geld en verdeelde dit. [verdachte] gaf de Albanees een briefje van honderd en drie van vijftig. De anderen kregen ook geld. [verdachte] stopte geld in zijn broekzak. De mannen gingen daarna allemaal weg. De man met de sabel deed de sabel terug in de kast en de ijzeren staaf werd meegenomen.

[aangever 2] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard dat hij samen met [aangever 1] op 17 juni 2011 in Utrecht een afspraak had met [verdachte] (de rechtbank begrijpt verdachte [verdachte]). Zij zouden van of via hem gereedschap kopen. [verdachte] heeft hen naar een appartement gebracht, het appartement waar later ook de politie is geweest. In het appartement waren nog drie mannen aanwezig. Er werd gepraat. Op een gegeven moment hoorde hij [verdachte] zeggen dat zij (de rechtbank begrijpt: [aangever 2] en [aangever 1]) op moesten staan en zich uit moesten kleden. [verdachte] zei tegen [aangever 2]:"Ik ben de baas en jullie doen wat ik zeg, want ik ga over lijken". [verdachte] zei dat zij (de rechtbank begrijpt: [aangever 2] en [aangever 1]) hun zakken binnenstebuiten moesten keren en leeg moesten maken. Ook zei hij dat zij hun schoenen en sokken uit moesten trekken. [verdachte] zei ook: “Als je ergens geld hebt, haal het maar te voorschijn”. Hij zag dat een van de Roemenen een zwaard/mes in zijn hand hield en een andere Roemeen hield een staaf in zijn handen. De mannen stonden met de staaf en het zwaard om hen heen en schreeuwden dat zij moesten doen wat er werd gezegd. Omdat hij zich bedreigd voelde heeft hij het geld - € 2000,00 - uit zijn zak gehaald en aan [verdachte] gegeven. Een van de mannen zette het zwaard op zijn keel. Daarna vroeg de man met het zwaard of zij nog meer geld hadden. Daarna heeft de man de autosleutels van [aangever 1] gepakt. Even later kwam de man terug met onder andere een tasje. De man haalde geld uit het tasje, € 350,00 en een bedrag aan Roemeens geld. [verdachte] zei dat het niet kon dat zij slechts € 2000,00 hadden en vroeg waar de rest van het geld was. Zij moesten hun schoenen en sokken uittrekken en hun broek naar beneden doen. De mannen zeiden de hele tijd dat ze het geld te voorschijn moesten halen omdat ze anders gingen slaan. De jongen met de staaf sloeg een aantal keren tegen de vloer. De vier mannen zijn toen weggegaan. Voordat ze weggingen hebben ze dat zwaard en die staaf ergens in een kast opgeborgen.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat hij op 17 juni 2011 samen met [verdachte] in zijn woning was. Verdachte heeft [medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 2]) gebeld en die was gelijk gekomen. [verdachte] is toen vertrokken en kwam terug met de twee jongens (de rechtbank begrijpt [aangever 2] en [aangever 1]). Het zwaard en de ijzeren staaf zijn eigendom van medeverdachte [medeverdachte 1]. De twee jongens hadden gezien dat hij het zwaard in een kast stopte. De twee jongens hebben het geld tevoorschijn gehaald en aan [verdachte] overhandigd. Nadat [verdachte] het geld had, zijn zij (de rechtbank begrijpt: verdachte en de medeverdachten) weggelopen. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij van verdachte [verdachte] een deel van het geld heeft gehad.

In de fouillering van medeverdachte [medeverdachte 1] zijn 22 biljetten van € 50,00 aangetroffen, met een totale waarde van € 1.100,00.

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft bij de politie verklaard dat hij voor de komst van de twee Roemenen al in de woning aanwezig was. Op een gegeven moment heeft hij met medeverdachte [medeverdachte 1] en verdachte [verdachte] de woning verlaten. De twee Roemenen zijn toen in de woning achtergebleven.

In de fouillering van medeverdachte [medeverdachte 2] zijn 2 biljetten van € 50,00, 1 biljet van

€ 10,00 en een biljet van € 5,00 aangetroffen, met een waarde van € 115,00.

Verdachte heeft verklaard dat hij op 17 juni 2011 een afspraak met twee Roemenen had, zij wilden gereedschap kopen. Hij heeft hen meegenomen naar een kamer in een woning in Utrecht. Daar was hij samen met de twee Roemenen, [medeverdachte 1] (medeverdachte [medeverdachte 1]) en een Joegoslavische jongen. In de kamer hebben zij gegeten en zij zijn in die kamer gebleven. Verdachte verklaart dat hij daarna met het geld is weggerend. [medeverdachte 1] en de Joegoslaaf renden met hem mee. Later zijn zij alle drie (de rechtbank begrijpt verdachte [verdachte] en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]) door de politie aangehouden in het ziekenhuis. Ze hadden afgesproken dat ze met het geld zouden vluchten. In de rechterschoen van verdachte [verdachte] zijn 8 biljetten van € 100,00 aangetroffen en een aantal Roemeense bankbiljetten.

Uit de hiervoor beschreven bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van de rechtbank, dat:

- verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 17 juni 2011 tezamen met de aangevers [aangever 1] en [aangever 2] hebben verbleven in een bij [medeverdachte 1] in gebruik zijnde kamer in een woning aan de Troelstralaan de Utrecht;

- verdachte met zijn medeverdachten toen en aldaar een bedreigende situatie voor [aangever 1] en [aangever 2] hebben gecreëerd door in een kleine ruimte waarin zij voor kortere of langere tijd getalsmatig in de meerderheid verkeerden, een ijzeren staaf en een ninja zwaard zichtbaar aanwezig te hebben gehad en dat zwaard op de keel van [aangever 2] te zetten;

- dat aangever [aangever 2] zich door deze bedreigende situatie gedwongen zag om aan verdachte of een van zijn medeverdachten een bedrag van € 2000,00 af te geven, welk bedrag toebehoorde aan [aangever 1] onder zich had

- dat een medeverdachte van verdachte vervolgens de autosleutels van Utuelac heeft afgenomen en uit diens auto een tasje met daarin een bedrag van € 350,00 en een bedrag aan Roemeense Lei heeft weggenomen;

- dat verdachte en in ieder geval twee van zijn medeverdachten vervolgens de woning hebben verlaten en aangevers daar hebben achtergelaten.

De deels andersluidende verklaringen van verdachte en zijn medeverdachten, zakelijk weergeven inhoudende dat [verdachte] wel met een bedrag van € 2000,00 was weggerend, maar dat dit bedrag hen daarvoor zonder (bedreiging met) geweld door aangevers was gegeven acht de rechtbank, mede gezien het hiervoor overwogene onder 4.3.2.1. ongeloofwaardig.

De rechtbank acht derhalve, zakelijk weergeven, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 17 juni 2011 te Utrecht tezamen met anderen [aangever 1] en [aangever 2] onder bedreiging met geweld een bedrag van € 2000,00 heeft afgeperst en een bedrag van

€ 350.00 en een hoeveelheid Roemeense Lei van hen heeft gestolen.

4.3.2.3. Nadere overwegingen ten aanzien van het bewijs en de kwalificatie

Aan verdachte is ter zake van hetzelfde feitencomplex zowel afpersing als diefstal voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld ten laste gelegd. De rechtbank is van oordeel dat gezien voormelde verklaringen van aangevers [aangever 2] en [aangever 1] wettig en overtuigend bewezen is dat [aangever 2] aan verdachte of een van zijn medeverdachten onder bedreiging met geweld een geldbedrag van € 2000,00 heeft overhandigd. De rechtbank kwalificeert dit handelen als afpersing. Op basis van de verklaringen van voornoemde aangevers dat verdachte en zijn medeverdachten daarna uit hun auto nog eens € 350,00 en een bedrag aan Roemeense Lei hebben weggenomen, acht de rechtbank ook deze handelingen bewezen. De rechtbank kwalificeert deze laatste handelingen als diefstal voorafgegaan, vergezeld en gevolgd door bedreiging met geweld.

4.3.3. feit 3

De rechtbank acht het onder 3 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen gelet op de navolgende feiten en omstandigheden.

Op 21 mei 2011 is verdachte aangehouden in de V&D te Utrecht. Aan verdachte is op 17 mei 2011 een winkelverbod uitgereikt betreffende de V&D te Utrecht voor de duur van 12 maanden, ingaande op 17 mei 2011. Voornoemd winkelverbod is door verdachte getekend voor ontvangst.

De rechtbank volgt de raadsman en de officier van justitie niet in hun stelling dat verdachte de strekking van het winkelverbod d.d. 17 mei 2011 niet begrepen zou hebben. De rechtbank overweegt daartoe dat verdachte bij de politie heeft verklaard dat hem op 17 mei 2011 een papier is overhandigd (de rechtbank begrijpt het betreffende winkelverbod) en dat men in het Engels iets uitgelegd heeft. Verdachte heeft het betreffende winkelverbod ondertekend voor ontvangst. Verder is verdachte op 17 mei 2011 in de V&D te Utrecht aangehouden voor een winkeldiefstal, waarbij de beveiliger, die verdachte had aangehouden, aan heeft gegeven dat hij verdachte in het Engels hoorde spreken en dat verdachte in het Engels tegen hem (de beveiliger) heeft gesproken. Voorts heeft verdachte diezelfde dag bij de politie verklaard dat hij in verband met een winkeldiefstal bij Albert Heijn twee maanden daarvoor ook al een winkelverbod had gekregen.

De rechtbank is van oordeel dat het niet aannemelijk is dat verdachte de strekking van het hem uitgereikte winkelverbod niet heeft begrepen, nu verdachte de Engelse taal kennelijk in voldoende mate machtig is en hij reeds eerder een soortgelijk verbod heeft gehad

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 1:

op 17 juni 2011 te Utrecht, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangever 1] en [aangever 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 2.000,00 euro toebehorende aan [aangever 1] en/of [aangever 2];

en

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer 350,00 euro en een hoeveelheid Roemeens geld, toebehorende aan [aangever 1] en/of [aangever 2], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen die [aangever 1] en [aangever 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken:

welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of een of meer van zijn mededader(s)

-een (ijzeren/metalen) staaf/pijp en/of een (soort) ninja sabel/zwaard heeft/hebben gepakt en/of (vervolgens) die staaf/pijp en/of sabel/zwaard heeft/hebben omhoog gehouden en/of

-die sabel/zwaard op de keel van die [aangever 2] heeft/hebben gezet en/of

-een of meer slaande beweging(en) heeft/hebben gemaakt naar die [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of

-die [aangever 2] en/of [aangever 1] (dreigend) de woorden heeft/hebben toegevoegd: "Ik ben de baas en jullie doen wat ik zeg, want ik ga over lijken" en/of "Zitten blijven" en/of "Als je ergens geld heb, haal het maar tevoorschijn", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende en/of strekking en/of

-aan de kleding van die [aangever 2] en/of [aangever 1] heeft/hebben gevoeld;

feit 3 (ter berechting gevoegd: 16/440775-11):

op 21 mei 2011, te Utrecht, wederrechtelijk is binnengedrongen in een besloten lokaal gelegen aan de Rijnkade en in gebruik bij V & D Utrecht, welk binnendringen daarin bestond dat hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk voornoemd lokaal is binnengegaan, althans daar heeft vertoefd, terwijl aan hem, verdachte, door of namens rechthebbende de toegang tot voornoemd lokaal schriftelijk was ontzegd voor een periode van 12 maanden, ingaande op 17 mei 2011;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

feit 1: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 3: in het besloten lokaal, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 15 maanden en twee weken, met aftrek.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit om aan verdachte een straf op te leggen, welke gelijk is aan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft met zijn medeverdachten de aangevers met geweld bedreigd en hen een aanzienlijk geldbedrag afgeperst. Dergelijke feiten zorgen voor gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers en in de samenleving. Slachtoffers hiervan kunnen nog lange tijd de psychische gevolgen hier van ondervinden. Voorts heeft verdachte een hem opgelegd winkelverbod overtreden.

Verdachte heeft blijk gegeven spijt te hebben van de diefstal van het geld. Ten aanzien van het gebruikte geweld heeft verdachte heeft echter op geen enkel moment blijk gegeven het laakbare van zijn handelen in te zien en heeft geen spijt of berouw ten opzichte van de slachtoffers getoond.

Voor wat betreft de persoon van verdachte houdt de rechtbank rekening met het strafblad van verdachte d.d. 18 augustus 2011, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij ruim 5 maanden geleden naar Nederland is gekomen om te werken. Op dit moment heeft hij geen eigen woonruimte en geen werk. Voorts beheerst verdachte de Nederlandse taal niet of nauwelijks.

De rechtbank is, gezien ook de strafmaat in soortgelijke zaken en de ernst van het feit van oordeel dat oplegging van een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf onontkoombaar is. De door de officier van justitie geëiste duur van de gevangenisstraf acht de rechtbank echter niet passend bij de bewezenverklaarde strafbare gedragingen. De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder dat er geen daadwerkelijk fysiek geweld is gebruikt en ook geen sprake is van het toebrengen van enig lichamelijk letsel aan de slachtoffers. Voor lokaalvredebreuk worden bij eerste overtreding in de regel straffen van maximaal een werkstraf opgelegd. Tenslotte heeft de rechtbank gewicht toegekend aan het feit, dat verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat oplegging een gevangenisstraf voor de duur van 277 dagen passend en geboden is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank in de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding een deel daarvan, te weten 90 dagen, voorwaardelijk op te leggen. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

7. Het beslag

7.1. De teruggave

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen geldbedragen aan [aangever 1], omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

7.2. De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen stuk papier aan verdachte, aangezien dit voorwerp niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag is genomen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 138, 310, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van:

- de onder 1 in de tenlastelegging opgenomen bestanddelen ‘geweld’; en

- het onder 2 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 3: in het besloten lokaal, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 277 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan [aangever 1] van de in beslag genomen geldbedragen van resp.

€ 800,00 en 335 Roemeense Lei;

- gelast de teruggave aan verdachte van in beslag genomen stuk papier, bevattende een tekst aangaande bouwmaterialen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Kuijer, voorzitter, mr. M.C. Oostendorp en A.M. Crouwel, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 6 oktober 2011.

Mr. A. Kuijer is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.