Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BT8700

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-10-2011
Datum publicatie
19-10-2011
Zaaknummer
16-604032-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor bezit kinderporno (68 afbeeldingen, poserende houdingen, geen handelingen)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/604032-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 oktober 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1977] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

Raadsman mr. D. Fasseur, advocaat te Nieuwegein.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 22 september 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

kinderpornografische afbeeldingen heeft gedownload en opgeslagen en in zijn bezit heeft gehad en dat verdachte van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het bewuste bezit van kinderpornografisch materiaal en baseert zich daarbij op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen en de bekennende verklaring van verdachte. De officier van justitie is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte hier een gewoonte van heeft gemaakt.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen, met uitzondering van dat deel van de tenlastelegging dat verdachte een gewoonte heeft gemaakt van het in het bezit hebben van kinderpornografisch materiaal.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

In augustus 2008 ontvangt het Korps Landelijke Politie Diensten, Team Bestrijding Kinderpornografie, via het hoofdkantoor van Interpol Lyon informatie uit een drietal onderzoeken naar kinderpornografie op het internet. Deze informatie bevat onder andere creditcardgegevens afkomstig van commerciële kinderpornografische websites. Uit onderzoek naar deze informatie blijkt dat er onder andere in 2007 betalingen zijn gedaan met een creditcard die op naam van verdachte staat. Op 17 juni 2010 vindt er een doorzoeking plaats van de woning van verdachte, gelegen aan de [adres] te [woonplaats]. Daarbij wordt onder andere de computer van verdachte in beslag genomen. Op de computer van verdachte worden 68 afbeeldingen met kinderpornografisch materiaal aangetroffen. De betreffende bestanden zijn vermoedelijk op 5 maart 2010 op de computer geplaatst.

Van deze afbeeldingen zijn zogenaamde schermafdrukken gemaakt, welke ook door de officier van justitie en de rechtbank zijn bekeken. De raadsman is in de gelegenheid gesteld bedoelde schermafdrukken te bekijken. De rechtbank is uit eigen waarneming tot het oordeel gekomen dat het in de tenlastelegging genoemde materiaal een kinderpornografisch karakter heeft in de zin dat het foto’s betroffen waarop een kind van onder de 18 geheel of gedeeltelijk naakt poseerde, waarbij door het camerastandpunt en de (onnatuurlijke) pose en de wijze van kleden van die persoon nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen in beeld gebracht worden.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het op zijn computer aangetroffen kinderpornografisch materiaal heeft gedownload en opgeslagen.

Op basis van voornoemde feiten en omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte kinderpornografisch materiaal heeft gedownload en in zijn bezit heeft gehad.

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte een gewoonte heeft gemaakt van het downloaden en aanwezig hebben van kinderpornografisch materiaal. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van dat deel van de tenlastelegging.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op tijdstippen in de periode van 5 maart 2010 tot en met 17 juni 2010 te Nieuwegein, afbeeldingen (te weten foto's) heeft verworven en zich daartoe door middel van een geautomatiseerd werk en met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang heeft verschaft en in bezit heeft gehad, terwijl op die afbeeldingen seksuele gedragingen zichtbaar zijn, waarbij telkens een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken, welke voornoemde seksuele gedragingen bestonden uit onder meer

- het geheel of gedeeltelijk naakt poseren van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt, waarbij door het camerastandpunt en de (onnatuurlijke) pose en de wijze van kleden van die persoon nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen in beeld gebracht worden (pagina 30 en/of 35 van het proces-verbaal).

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

afbeeldingen van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt is betrokken, in bezit hebben.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met de bijzondere voorwaarde van verplicht reclasseringscontact, ook als dat inhoudt een meldingsgebod en een behandelverplichting;

- een werkstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan de eis van de officier van justitie, met uitzondering van de door de officier van justitie gevorderde behandeling bij De Waag.

De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat een dergelijke behandeling, gericht op het voorkomen van recidive, naar haar oordeel en gelet op het standpunt van de reclassering ten aanzien van het recidivegevaar niet nodig is.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het in bezit hebben van kinderporno door kinderpornografisch materiaal te downloaden en op te slaan op zijn computer. De rechtbank overweegt dat het bezit van kinderporno buitengewoon verwerpelijk is, met name omdat bij de vervaardiging van deze afbeeldingen kinderen per definitie seksueel worden misbruikt en geëxploiteerd. In veel gevallen lopen de kinderen die hieraan bloot worden gesteld grote psychische schade op, die ook vele jaren later nog diepe sporen nalaat. Verdachte moet medeverantwoordelijk worden gehouden voor genoemd seksueel misbruik van kinderen, omdat hij, door kinderporno te verzamelen, heeft bijgedragen aan de totstandkoming van de vraag ernaar. Verdachte heeft hierbij kennelijk nimmer stilgestaan. Voor een effectieve bestrijding van kinderporno is het noodzakelijk om niet alleen degenen aan te pakken die kinderporno vervaardigen en verspreiden, maar zeker ook degenen die kinderporno verzamelen.

De rechtbank houdt voorts rekening met de jonge leeftijd, 10 tot 14 jaar, van het op de afbeeldingen afgebeelde meisje. Verdachte had destijds het laakbare van zijn handelen moeten inzien.

Als strafverminderende factoren neemt de rechtbank in overweging dat het hier gaat om een relatieve geringe hoeveelheid – 68 afbeeldingen - kinderpornografisch materiaal, waarop geen verdergaande handelingen dan poseren worden vertoond. Voorts weegt de rechtbank in het voordeel van verdachte mee dat hij vanaf het begin met de politie heeft meegewerkt, direct openheid van zaken heeft gegeven en het feit volledig heeft bekend. Verdachte heeft ter terechtzitting oprecht verklaard dat hij zich schaamt en hij heeft inmiddels hulp gezocht.

De rechtbank overweegt dat verdachte blijkens het uittreksel uit het documentatieregister van 19 augustus 2011 niet eerder met justitie in aanraking is geweest voor het plegen van dit soort feiten of voor het plegen van enig ander strafbaar feit.

Uit het reclasseringsrapport d.d. 16 september 2011, opgemaakt door H. Ellen, reclasseringswerker blijkt – zakelijk weergegeven – dat bij verdachte sprake is van een (sociale) angststoornis, waardoor hij spanning ervaart in sociale situaties en geneigd is sociale contacten te vermijden. Verdachte ontwikkelde daarnaast ook depressieve klachten. Momenteel volgt hij nog therapie voor zijn angstklachten en gebruikt antidepressiva. Verdachte heeft geen relatie, heeft sinds twee jaar geen werk en heeft een beperkte dagbesteding. Verdachte is momenteel bezig met een re-integratietraject om weer werk te vinden. Verder toont hij zelf-inzicht en motivatie om zijn therapie voort te zetten om van zijn angstklachten en somberheid af te komen. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag gemiddeld.

De reclassering adviseert om aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met daarbij verplicht reclasseringscontact, onder andere inhoudende een meldingsgebod en een behandelverplichting in de vorm van een behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bereid is mee te werken aan begeleiding door de reclassering. Hij volgt groepstherapie, van welke therapie hij nog 1 sessie heeft te gaan. Daarna volgt nog een gesprek met zijn contactpersoon waarin bekeken wordt of en zo ja, wat er nog aan behandeling voor hem nodig is.

De raadsman heeft verzocht om de bijzondere voorwaarde met betrekking tot verplichte behandeling bij De Waag te laten vervallen. De rechtbank overweegt dat verdachte zijn groepstherapie bijna heeft afgerond. Vervolgens zal er nog een gesprek met hem volgen waarin beoordeeld wordt of de hulpverleners het nodig achten dat (aanvullende) behandeling van verdachte gewenst is. Voorts merkt de rechtbank op dat verdachte aan het begin van zijn traject staat waarin gewerkt wordt aan het vinden van werk en het uitbreiden van zijn sociale contacten. Een traject dat, naar het oordeel van de rechtbank, voor verdachte de nodige spanningen kan en zal opleveren en waarbij verdachte begeleiding en steun nodig zal hebben.

De rechtbank zal aan verdachte de bijzondere voorwaarde van verplicht reclasseringscontact opleggen om te waarborgen dat hij de voor hem noodzakelijke ondersteuning krijgt om recidive te voorkomen. Ten aanzien van de behandeling bij de Waag of een soortgelijke instelling laat de rechtbank, gelet op de nog af te ronden groepstherapie en het daarop volgende gesprek, het aan het oordeel van de reclassering over of zij een dergelijke behandeling wenselijk en van toegevoegde waarde acht.

De rechtbank acht, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de strafmaat in vergelijkbare gevallen en gezien hetgeen hiervoor is overwogen een straf als door de officier van justitie geëist passend en geboden. Met de voorwaardelijke gevangenisstraf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en een verplichte begeleiding door de Reclassering Nederland en – indien noodzakelijk - behandeling van verdachte mogelijk te maken. De rechtbank ziet aanleiding om de hierna te noemen bijzondere voorwaarden aan de voorwaardelijke gevangenisstraf te verbinden.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d en 240b van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

afbeeldingen van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt is betrokken, in bezit hebben;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

veroordeelt verdachte tot

- een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt dat:

- verdachte zich op uitnodiging zal melden bij de Reclassering Nederland gedurende door de reclassering bepaalde perioden en zo frequent als de reclassering gedurende deze perioden nodig acht;

- verdachte, indien een dergelijke behandeling naar het oordeel van de reclassering nog toegevoegde waarde heeft, zich zal laten behandelen bij De Waag of een soortgelijke instelling en zijn medewerking hier aan zal verlenen;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- een werkstraf van 120 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Crouwel, voorzitter, mr. A. Kuijer en mr. M.C. Oostendorp, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 6 oktober 2011.

Mr. A. Kuijer is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.