Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BT8695

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-10-2011
Datum publicatie
19-10-2011
Zaaknummer
16-600363-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling medeplegen inbraak school. Meer en Vaart verweer niet gehonoreerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600363-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 oktober 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1992] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

Raadsvrouw mr. E.D. van Elst, advocaat te Veenendaal.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is behandeld op de terechtzittingen van 24 juni 2011 en 22 september 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

samen met een ander of anderen in een school heeft ingebroken en daarbij zes laptops heeft weggenomen.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen, derhalve dient verdachte vrijgesproken te worden. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verklaring van verdachte, dat hij met [medeverdachte 1] op het schoolterrein alleen een sigaret heeft staan roken, welke wordt bevestigd door [medeverdachte 1], op basis van het dossier niet uit te sluiten is. Getuige [getuige 1] komt volgens de raadsvrouw bij de rechter-commissaris terug op zijn verklaring dat de mannen recht in de armen van de politie liepen en verklaart dat hij de aanhouding niet heeft gezien. Getuige [getuige 2] verklaart bij de rechter-commissaris dat het donker was en zij het allemaal niet goed heeft kunnen zien. Zij heeft niet gezien dat de jongens uit de school kwamen lopen en komt terug op haar eerdere herkenning van een van de aangehouden verdachten. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben bij de rechter-commissaris verklaard dat zij geen personen in of uit de school hebben zien komen.

Voorts heeft verbalisant [verbalisant 1] bij het ter plaatse komen een jongen, [betrokkene 1], buiten het schoolterrein aangesproken en heeft hij in de buurt van de school een groene Ford Escort langs zien rijden op een voor hem onlogische/rare plaats.

Het is, aldus de raadsvrouw, op basis van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen niet uit te sluiten dat er, naast verdachte en [medeverdachte 1], andere personen ter plaatse waren of zijn geweest, welke betrokken zijn geweest bij de inbraak.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen en acht daartoe de volgende uit wettige bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden redengevend.

De aangever [aangever 1] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard dat er op 7 april 2011 te 21.54 uur is ingebroken in het schoolpand, gelegen aan het [adres] te Veenendaal. Daarbij zijn zes laptops weggenomen, waarvan er vijf toebehoren aan de [benadeelde] ([benadeelde]) en één aan [naam]. [aangever 1] heeft voorts verklaard dat drie leerlingen, waaronder medeverdachte [medeverdachte 2], in de ochtend van 7 april 2011 een gesprek hebben gehoord tussen hem en een docent. Dit gesprek ging over de laptops die [naam] van het [benadeelde] geleend had en die donderdag moesten worden teruggebracht of in het pand moesten worden bewaren om deze vrijdag terug te brengen. Na overleg werd uiteindelijk besloten om de laptops in het pand te laten liggen en vrijdag terug te brengen. Volgens [aangever 1] wisten deze leerlingen dus dat de laptops daar in de nacht van 7 op 8 april 2011 zouden liggen.

Door getuige [getuige 1] is – zakelijk weergegeven – verklaard dat hij op 7 april 2011 omstreeks 21.30 uur drie mannen bij de dubbele deuren van de school gelegen aan de [adres] zag. Twee mannen zaten op de knieën bij een dubbele deur van de school. Hij zag dat zij de deuren forceerden. De derde man lag plat op zijn buik op een afstand van ongeveer zes meter van de deur. [getuige 1] belde bij het zien van de drie mannen direct de politie. Tijdens het telefoongesprek met de politie keek hij even weg en even later zag hij de mannen niet meer. Van zijn vrouw hoorde hij dat de drie mannen inmiddels de school binnen waren gegaan. Binnen een paar minuten was de politie ter plaatse. [getuige 1] zag dat de drie mannen die hij zojuist had gezien bij de deur de school uit renden en de hoek om renden aan de achterzijde van de school. De drie mannen renden het donker in en hierna hoorde hij luid geroep: “halt, politie!”.

Door getuige [getuige 2] is – zakelijk weergegeven – verklaard dat zij op 7 april 2011 omstreeks 21.45 uur drie mannen in het nisje van het schoolgebouw stonden. Twee mannen stonden bij een deur te rommelen. Zij hoorde dat de twee mannen de deur open probeerden te maken en zag dat zij aan de deur stonden te schudden. De derde man stond tegen de muur vlakbij een zandbak. Zij zag dat de derde man op een gegeven moment naar de andere twee mannen liep en dat de drie mannen de deur open deden en met z’n drieën naar binnen gingen. Op het moment dat de jongens naar binnen gingen was er om het gebouw al politie aanwezig. Zij liep haar woning binnen, haar man was op dat moment nog aan de telefoon met de meldkamer.

Verbalisant [verbalisant 1] hoorde op 7 april 2011 omstreeks 21.57 uur een melding van een inbraak bij een school aan het [adres] te Veenendaal. Enkele seconden later meldde hij zich ter plaatse. Hij zag dat drie jongens binnen de omheining van de school wegrenden en dat één of meerdere van de drie jongens een aantal donkerkleurige voorwerpen weggooiden. Ook zag hij dat één van de jongens tegen het harmonicagaas opklom, kennelijk om over het hek te ontsnappen. Toen hij arriveerde op de plek waar hij die jongen over het hek had zien klimmen, hoorde hij van een collega dat deze twee verdachten had aangehouden. Op dat moment hoorde [verbalisant 1] geritsel in de haag. Hij scheen vervolgens met zijn zaklampje in de haag en zag daar een jongen met een capuchon op zijn hoofd weggedoken in de bosjes liggen. Deze jongen lag in de bosjes verstopt op precies dezelfde plaats als waar hij die persoon over het hek had zien klimmen. Deze jongen had meerdere kleine bloedende wondjes op zijn handen. Aan de kleur van het bloed en de wondjes zag [verbalisant 1] dat deze wondjes vers waren. [verbalisant 1] concludeert dat deze jongen zich kennelijk heeft verwond bij het klimmen over het hek met harmonicagaas en prikkeldraad. [verbalisant 1] herkende deze jongen als de medeverdachte [medeverdachte 2]. In de bosjes, ter hoogte van de plaats waar [verbalisant 1] had gezien dat de drie jongens donkergekleurde voorwerpen weggooiden, werden in totaal zes laptops aangetroffen. Aan de achterzijde van de school stonden de twee openslaande deuren open. Aan de rechter deur zaten verse braaksporen, er was verf van de deur verdwenen en er lagen verse houtsplinters op de grond. Halverwege de gang van de school lag een schroevendraaier op de grond.

[verbalisant 2] hoorde op 7 april 2011 omstreeks 21.54 uur een melding van een inbraak in het perceel aan de [adres] te [woonplaats]. Aangekomen bij de achterzijde van het pand hoorde hij dat door meerdere collega’s het pand was afgezet. Via de portofoon hoorde hij van collega [verbalisant 1] dat hij op het terrein van de school binnen het hek drie personen had zien lopen. [verbalisant 2] was door een gat in het hek aan de achterzijde het terrein van de school opgegaan. Hij hoorde dat [verbalisant 1] doorgaf dat de personen weer terug liepen in zijn ([verbalisant 2]) richting. [verbalisant 2] liep in de richting van een pad tussen het hekwerk en het schoolgebouw en zag voor zich op het pad op het terrein van de school twee personen lopen. Deze personen blijken verdachte [verdachte] en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] te zijn.

Uit de door [verbalisant 2] opgemaakte situatieschets en de daarbij behorende omschrijving leidt de rechtbank af dat de plaats waar verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte 1] zijn aangehouden, direct naast de plek gelegen is waar medeverdachte [medeverdachte 2] is aangehouden. Voorts leidt de rechtbank uit voornoemde schets af dat de plaats waar de weggenomen laptops zijn aangetroffen, op zeer korte afstand is gelegen van de plaats waar verdachte en zijn medeverdachten zijn aangehouden.

De rechtbank is van oordeel dat het korte tijdsverloop gelegen tussen de melding van getuige [getuige 1] en de vrijwel directe aanwezigheid van de politie ter plaatse, de waarnemingen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] met betrekking tot de handelwijze van drie verdachte personen, de bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en de aanwezigheid van verdachte en de twee medeverdachten binnen de omheining van het schoolterrein, met voldoende zekerheid de mogelijkheid uitsluiten dat de inbraak zou kunnen zijn gepleegd door andere personen dan de aangehouden verdachten. .

De enkele aanwezigheid van de door de raadsvrouw genoemde [betrokkene 1] en een onbekende personenauto met inzittenden in de buurt van het schoolterrein maken dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Te meer niet nu de getuige [getuige 1] heeft verklaard dat toen hij zag dat een verbalisant de jongen [betrokkene 1] aansprak, hij via de meldkamer te kennen gegeven dat die jongen er niet bij hoorde. Tevens kent de rechtbank hierbij gewicht toe dat ook verdachte [verdachte] zelf heeft verklaard dat hij op het schoolterrein geen andere personen dan medeverdachte [medeverdachte 1], heeft gezien.

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer van de raadsvrouw.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 07 april 2011 te Veenendaal tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een school (gelegen aan het [adres]) heeft weggenomen zes laptops toebehorende aan [naam] Veenendaal of [benadeelde], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak op een deur van die school.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een gevangenisstraf van 17 dagen, met aftrek van het voorarrest;

- een werkstraf van 106 uren, subsidiair 53 dagen vervangende hechtenis.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging zich gerefereerd aan de door de officier van justitie gevorderde straf.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft samen met anderen ingebroken in een school en daarbij zes laptops weggenomen. Dergelijke feiten veroorzaken schade en overlast bij de benadeelden.

De rechtbank acht het zeer kwalijk dat verdachte door de diefstal van leermiddelen hiermee tevens de leerlingen van de betreffende school benadeeld heeft.

De rechtbank neemt ten nadele van verdachte in aanmerking dat hij op geen enkel moment te kennen heeft gegeven het laakbare van zijn handelen in te zien. Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank op geen enkele wijze rekening gehouden met de gevolgen van zijn handelen voor de benadeelden en heeft uitsluitend oog gehad voor zijn eigen belang en de bevrediging van zijn eigen behoeften.

Gelet op de persoon van verdachte houdt de rechtbank rekening met het strafblad van verdachte d.d. 18 augustus 2011, waaruit blijkt dat verdachte op 4 augustus 2010 door het Gerechtshof voor een soortgelijk feit is veroordeeld.

De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf onvoldoende recht doet aan het feit, mede gelet op de straffen die voor soortgelijke delicten worden opgelegd, de ernst van het feit, te weten de diefstal van leermiddelen en het strafblad van verdachte. De rechtbank zal, naast de gevorderde gevangenisstraf en werkstraf, aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op leggen.

Alles afwegende acht de rechtbank dat een gevangenisstraf voor de duur van 44 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk en een werkstraf van 110 uur passend en geboden. Met de voorwaardelijke gevangenisstraf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

7. De benadeelde partij

Namens de benadeelde partij [benadeelde] wordt een schadevergoeding gevorderd van € 153,99 ter zake van materiële schade voor het ten laste gelegde feit.

De officier van justitie heeft gesteld dat de vordering in zijn geheel toegewezen dient te worden met toepassing van de maatregel tot schadevergoeding.

De verdediging heeft bepleit dat de vordering van de benadeelde partij afgewezen dient te worden.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde bedrag is voldoende aannemelijk gemaakt en zal worden toegewezen met de wettelijke rente over dat bedrag en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel zoals opgenomen in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

veroordeelt verdachte tot

- een gevangenisstraf van 44 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- een werkstraf van 110 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 55 dagen;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 153,99 ter zake van materiële schade;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], € 153,99 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 7 april 2011 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet-betaling te vervangen door 3 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Voorlopige hechtenis

- heft het – reeds geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het tijdstip waarop dit vonnis onherroepelijk wordt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Oostendorp, voorzitter, mr. A. Kuijer en A.M. Crouwel, rechters, in tegenwoordigheid van G. van Engelenburg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 6 oktober 2011.

Mr. A. Kuijer is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.