Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BT7350

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
10-10-2011
Datum publicatie
12-10-2011
Zaaknummer
16/440911-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Hennepkwekerij en diefstal elektriciteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/440911-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 oktober 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1975] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

raadsman mr. M.A.C. van Vuuren, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 26 september 2011. Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. hennep heeft gekweekt;

2. elektriciteit heeft gestolen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte beide ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst er daarbij op dat verbalisanten onbevoegd op de oprit waren, dat verdachte geen toestemming gaf om de tuin, schuren en woning te betreden, dat de machtiging tot binnentreden en doorzoeken aan de verkeerde persoon was gevraagd en dat de machtiging werd verleend aan niemand. De verdediging is van mening dat van het bewijs uitgesloten moet worden: het proces-verbaal van 19 augustus 2009, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], en het proces-verbaal van bevindingen van 16 februari 2010, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4]. De raadsman is van mening dat dan slechts de bekennende verklaring van verdachte kan dienen als bewijs en dat derhalve vrijspraak dient te volgen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Het bewijs ten aanzien van feit 1

De rechtbank acht het onder feit 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen op grond van het navolgende.

Verbalisanten ontdekten op 19 augustus 2009 in de woning met bijbehorende schuren aan de [adres] te Soest hennepkwekerijen. Zij zagen een man uit deze woning naar buiten komen die zich met een rijbewijs legitimeerde. Verdachte is deze man.

Verbalisanten troffen het volgende aan: een kwekerij in de kelder van de woning met 150 hennepplanten, een kwekerij in schuur één met 420 hennepplanten, een kwekerij in schuur twee met 385 planten en een kwekerij in schuur drie met 190 hennepplanten. De planten uit de kelder en schuur drie zijn door middel van drugsidentificatietest getest en gaven een positieve indicatie op de aanwezigheid van hennep.

De aangetroffen kwekerijen hadden een hoge mate van professionaliteit.

Uit het ingestelde onderzoek bleek verder dat de aangetroffen oogst ongeveer negen weken oud was en dat met deze kwekerijen in ieder geval twee keer eerder hennep is geoogst en dat een kweekcyclus gemiddeld tien weken in beslag neemt.

Tegenover de politie verklaarde verdachte dat de kwekerij van hem was en dat hij deze zelf heeft gebouwd. Verdachte verklaarde dat hij ongeveer 800 planten denkt te hebben

Het bewijs ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht het onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen op grond van het navolgende.

Een daartoe bevoegde medewerker van Eneco Services BV heeft aangifte gedaan van diefstal van electriciteit. Volgens de aangifte is de diefstal gepleegd in de periode van 1 januari 2009 tot 19 augustus 2009. De elektriciteit voor de kwekerijen werd buiten de meter om afgenomen, waarbij de verzegeling van het deksel van de hoofdaansluitkast was verbroken.

Tegenover de politie verklaarde verdachte dat de kwekerij van hem was en dat hij deze zelf heeft gebouwd.

De verweren van de raadsman ten aanzien van het politieoptreden

De rechtbank oordeelt dat onbesproken kan blijven of verbalisanten zich bevoegd op de oprit van de woning bevonden, omdat een eventuele onbevoegdheid in dat geval achteraf is gelegitimeerd door het feit dat verdachte de verbalisanten toestemming heeft de tuin en de woning te betreden.

De rechtbank overweegt voorts dat uit de bevindingen van verbalisanten zoals weergegeven op pagina 13 van het proces-verbaal, blijkt dat zij –anders dan de raadsman stelt- vanaf de oprit door een raam van de schuur een aluminium buis zagen. Dit blijkt met name uit de derde alinea (“Vanaf de oprit….”) gelezen in samenhang met de vijfde alinea (“Daarnaar gevraagd….”). Pas na verkregen toestemming hebben zij de tuin betreden.

Onbesproken kan blijven of verdachte de cautie had moeten krijgen en of een Salduz-melding gedaan had moeten worden op het moment dat de verdachte door verbalisanten bij de woning werd aangesproken, omdat de rechtbank de toen door de verdachte gedane uitlatingen niet gebruikt voor het bewijs.

Of de machtiging tot binnentreden geldig was kan eveneens onbesproken blijven omdat deze machtiging niet is gebruikt. Verdachte gaf na een vrijelijk genomen beslissing toestemming om de woning te betreden. Het verweer van de verdediging dat verdachte door de verbalisanten onder druk is gezet omdat zij anders de schuur zouden openbreken, treft in dit verband geen doel. Niet gesteld noch gebleken is dat de verdachte ten aanzien van de woning onder druk is gezet om de verbalisanten toestemming te geven binnen te treden. De rechtbank overweegt tot slot dat verbalisanten in de gegeven omstandigheden ook zonder toestemming van verdachte bevoegd waren de schuur te betreden. Of verdachte onder druk is gezet om toegang tot de schuur te verlenen, kan daarom ook onbesproken blijven.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

op meerdere tijdstippen in hierna te noemen perioden te Soest

in de periode van 28 januari 2009 tot en met 19 augustus 2009 opzettelijk aanwezig heeft gehad, in een pand aan de [adres], 150 hennepplanten,

in de periode van 28 januari 2009 tot en met 19 augustus 2009 opzettelijk aanwezig heeft gehad in schuur één in de tuin behorend bij een pand aan de [adres] 420 hennepplanten,

in de periode van 20 juni 2009 tot en met 19 augustus 2009 opzettelijk aanwezig heeft gehad in schuur twee in de tuin behorend bij een pand aan de [adres] 385 hennepplanten,

in de periode van 19 januari 2009 tot en met 19 augustus 2009 opzettelijk aanwezig heeft gehad in schuur drie in de tuin behorend bij een pand aan de [adres] 190 hennepplanten,

zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

op meerdere tijdstippen in de periode van 01 januari 2009 tot en met 19 augustus 2009 te Soest, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, geheel toebehorende aan Stedin B.V, waarbij verdachte die weg te nemen elektriciteit onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking van de verzegeling van het deksel van de hoofdaansluitkast;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Feit 1: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

Feit 2: diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 120 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaar.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging vraagt primair vrijspraak. Bij een bewezenverklaring acht de verdediging de eis van de officier niet onredelijk en refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de strafmaat.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich bezig gehouden met het illegaal kweken van hennep. Het kweken van een softdrug als hennep, zeker in een omvang als hier sprake van is, is een strafbaar feit dat overlast veroorzaakt en schade voor de maatschappij oplevert. Softdrugs zijn immers stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Voorts leveren kwekerijen waarbij op illegale wijze elektriciteit wordt onttrokken aan het net en waarbij de elektrische installatie ondeskundig is aangelegd, (brand)gevaar op voor de omgeving. Verdachte heeft zich kennelijk om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 3 juni 2011, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor drugsgerelateerde delicten.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend is. De rechtbank acht, rekening houdend met de persoon van verdachte, het niet in het belang van verdachte, noch in het belang van de maatschappij dat thans een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd. De rechtbank is gelet op de ernst van de feiten van oordeel dat het noodzakelijk is een werkstraf voor de duur van 120 uren in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden op te leggen. De voorwaardelijke straf is ervoor bedoeld dat verdachte niet nogmaals een strafbaar feit pleegt.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 2: Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 120 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

Dit vonnis is gewezen door mr. N.E.M. Kranenbroek, voorzitter, mr. L.M.G. de Weerd en mr. M.S. Koppert, rechters, in tegenwoordigheid van D.J. Veenhof, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 10 oktober 2011.