Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BT7290

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
23-08-2011
Datum publicatie
11-10-2011
Zaaknummer
16/600439-11 en 16/444471-08 (tul) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot zware mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 16/600439-11 en 16/444471-08 (tul) (P)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 augustus 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1963] te [geboorteplaats]

gedetineerd in de penitentiaire inrichting Utrecht, locatie huis van bewaring Nieuwegein

raadsman mr. M.J. Lamers, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 9 augustus 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 (primair) zich schuldig heeft gemaakt aan een poging doodslag/zware mishandeling door als bestuurder van een personenauto af/in te rijden op [slachtoffer 1] (surveillant van politie)

Feit 1 (subsidiair) [slachtoffer 1] (voornoemd) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, dan wel met zware mishandeling

Feit 2 [slachtoffer 2] (hoofdagent van politie) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, dan wel met zware mishandeling

Feit 3 een motorvoertuig heeft bestuurd terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard

Feit 4 heeft geweigerd mee te werken aan een bevel medewerking tot ademonderzoek ex artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 impliciet subsidiair ten laste gelegde poging zware mishandeling heeft begaan.

Voorts acht zij wettig en overtuigend bewezen: bedreiging van [slachtoffer 2] met enig misdrijf tegen het leven gericht (feit 2), het rijden in een motorvoertuig terwijl hij wist dat zijn rijbewijs ongeldig verklaard was (feit 3) en de weigering mee te werken aan het bevel ademanalyse (feit 4).

4.2 Het standpunt van de verdediging

Namens verdachte is ter zake feit 1 vrijspraak bepleit. Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde is aangevoerd dat verdachte geen opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op het doden van [slachtoffer 1], dan wel het hem toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde wordt aangevoerd dat het feit, voor zover door de verdediging bewijsbaar geacht, niet gekwalificeerd kan worden als een bedreiging.

De verdediging acht de feiten 2 tot en met 4, gelet op de bekennende verklaring van verdachte, wettig en overtuigend bewezen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1. Partiële vrijspraak van de onder feit 1 primair ten laste gelegde poging doodslag

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. Het als bestuurder van een personenauto vanuit stilstand optrekken en vervolgens inrijden op een verbalisant, waarbij de afstand tussen verdachte en [slachtoffer 1] ongeveer 6 a 7 meter bedroeg, is onvoldoende redengevend om aan te nemen dat bij verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het toebrengen van de dood heeft bestaan. Verdachte dient dan ook van de onder 1 primair ten laste gelegde poging doodslag te worden vrijgesproken.

4.3.2 De feiten blijkend uit de bewijsmiddelen

Ten aanzien van feit 1

Blijkens de verklaring van verdachte ter terechtzitting reed hij op 28 april 2011 te Utrecht als bestuurder van een personenauto . Uit de verklaring van agent [getuige] blijkt dat hij verdachte heeft gemaand te stoppen met rijden. Verdachte gaf hieraan echter geen gehoor . Uit de verklaring van aangever [slachtoffer 1] , surveillant van politie, blijkt dat hij zich op enig moment 6 a 7 meter voor de door verdachte bestuurde auto bevond, die op dat moment stil stond. Hij hoorde de auto toeren maken en zag dat de auto in voorwaartse richting optrok. Hij schrok van het feit dat hij de auto op zich af zag komen. Hij had oogcontact met verdachte. Hij zag dat de auto hem bleef naderen en dat de snelheid niet werd verminderd, maar werd verhoogd. Op het moment dat de auto hem op twee meter genaderd was, is hij weggesprongen uit de baan van de auto. Hij zag dat de auto op 20 tot 25 centimeter aan hem voorbij reed . Blijkens zijn verklaring zag getuige [getuige] de auto in een rechte lijn op aangever inrijden en zag hij aangever vervolgens opzij springen .

Bewijsoverweging

Verdachte is, nadat hem door een politieagent was bevolen te stoppen met rijden, vanuit stilstand met een personenauto ingereden op aangever, te weten surveillant van politie [slachtoffer 1]. Hij reed in een rechte lijn, waarbij zijn snelheid opliep. Op het moment dat de auto aangever op twee meter was genaderd, is aangever uit de baan van de auto gesprongen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte, gelet op de uiterlijke verschijningvorm van zijn gedraging, opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht de bedreiging van [slachtoffer 2] met enig misdrijf tegen het leven gericht wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting ;

- de aangifte van [slachtoffer 2] dat verdachte hem op 28 april 2011 heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht ;

- het proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door [slachtoffer 2] en [verbalisant 1] d.d. 29 april 2011, waaruit blijkt dat verdachte op 28 april 2011 de in de tenlastelegging genoemde bedreigingen jegens [slachtoffer 2] heeft geuit .

Ten aanzien van feit 3

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte als bestuurder van een personenauto heeft gereden op de openbare weg terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs ongeldig verklaard was, gelet op:

- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting ;

- het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [slachtoffer 1] d.d. 29 april 2011, waaruit blijkt dat verdacht op 28 april 2011 als bestuurder van een personenauto optrad op de Poortstraat/Bollenhofsestraat te Utrecht ;

- een geschrift, zijnde een kopie van een brief inhoudende het besluit van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen d.d. 23 april 2007 tot ongeldig verklaring van het rijbewijs van verdachte .

Ten aanzien van feit 4

De rechtbank acht de weigering van verdachte zijn medewerking te verlenen aan een ademonderzoek ex artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting ;

- Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 april 2011, opgemaakt door [verbalisant 2], waaruit blijkt dat verdachte op 28 april 2011 te Utrecht weigerde mee te werken aan een blaastest .

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. Primair (impliciet subsidiair)

op 28 april 2011 te Utrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] (surveillant van politie Utrecht) zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet als bestuurder van een personenauto, op die [slachtoffer 1] is ingereden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.

op 28 april 2011 te Utrecht [slachtoffer 2] (hoofdagent politie Utrecht) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Vuile kankerlijer, ik vermoord je, doe die boeien af dan maak ik je dood" en "Vuil kankervarken, een vrouw krijg je nooit en als je die hebt dan maak ik haar dood, net als jou. Maak die boeien los dan maak ik je dood”;

3.

op 28 april 2011 te Utrecht, terwijl hij wist dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, volledig ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, de Poortstraat en de Bollenhofsestraat, als bestuurder een motorrijtuig, personenauto, van die categorie of categorieën heeft bestuurd;

4.

op 28 april 2011 te Utrecht, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

1. primair (impliciet subsidiair) poging tot zware mishandeling;

2. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

3. overtreding van artikel 9 lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994;

4. overtreding van artikel 163 lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich moet gedragen naar de aanwijzingen gegeven door de reclassering, ook indien dat inhoudt dat verdachte moet deelnemen aan een leefstijltraining en moet meewerken aan een behandeling door De Waag. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd verdachte de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen te ontzeggen voor de duur van één jaar.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank aan verdachte inclusief de tenuitvoerlegging geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die de duur van het voorarrest overschrijdt. Naar mening van de verdediging kan worden volstaan met een voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde een verplicht reclasseringscontact.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door als bestuurder van een personenauto in te rijden op een agent. Dat verdachte daardoor geen blijvend letsel aan de agent heeft toegebracht is te danken aan het wegspringen van de agent en geenszins aan verdachte. Door dusdanig te handelen heeft verdachte - naast angstgevoelens bij de agent - de openbare veiligheid geschaad, hetgeen leidt tot gevoelens van onrust in de samenleving. Nadat verdachte was aangehouden heeft hij zich schuldig gemaakt aan een bedreiging van een andere agent met een misdrijf tegen het leven gericht. Verdachte heeft hierdoor bij aangever gevoelens van onveiligheid veroorzaakt. Voorts heeft de verdachte gereden terwijl zijn rijbewijs ongeldig verklaard was en heeft hij geweigerd mee te werken aan een ademanalyse. Daarmee heeft verdachte verhinderd dat objectief kon worden vastgesteld of en zo ja, in welke mate hij de veiligheid in het verkeer door zijn alcoholgebruik in gevaar heeft gebracht. Verdachte heeft zich hierdoor onttrokken aan de verantwoordelijkheid die van een deelnemer aan het verkeer wordt vereist.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank bij het bepalen van de straf rekening gehouden met het gegeven dat uit het de verdachte betreffende uittreksel van de Justitiële Documentatie d.d. 9 juni 2010 blijkt dat verdachte meermalen, waarvan laatstelijk op 17 juni 2010, is veroordeeld ter zake van geweldsdelicten. Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van een advies van de reclassering d.d. 28 juli 2011 waaruit blijkt dat het recidiverisico wordt ingeschat als hoog gemiddeld. Aangezien verdachte open staat voor vervolg van het hulpverleningstraject worden er mogelijkheden gezien voor gedragsbeïnvloeding. Geadviseerd wordt aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden dat verdachte zich moet houden aan de aanwijzingen van de reclassering, dat verdachte zich bij de reclassering moet melden, dat verdachte moet deelnemen aan een leefstijltraining en dat verdachte zich moet laten behandelen bij De Waag. De rechtbank ziet hierin aanleiding om een gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen met daaraan gekoppeld voornoemde bijzondere voorwaarden.

De rechtbank is - met de officier van justitie - van oordeel dat naast een gevangenisstraf een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen op zijn plaats is en recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte.

De rechtbank zal bij het bepalen van de straf geen rekening houden met de vernietiging van de auto waarin verdachte heeft gereden, nu de noodzaak tot behoud van de auto, voor in het kader van deze strafzaak te nemen beslissingen, niet is gebleken.

De rechtbank is alles overwegende van oordeel dat na te noemen straf passend en geboden is.

7 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 12 augustus 2009 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 45, 57, 285, 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 9, 163 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte partieel vrij van het onder feit 1 primair tenlastegelegde, te weten de poging doodslag;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

1. primair (impliciet subsidiair) poging tot zware mishandeling;

2. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

3. overtreding van artikel 9 lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994;

4. overtreding van artikel 163 lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van tien (10) maanden, waarvan vijf (5) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de reclassering (Centrum Maliebaan);

* dat verdachte zich binnen 3 dagen volgend op zijn ontslag uit de penitentiaire inrichting meldt op het adres Tolsteegsingel 2A te Utrecht bij de reclasseringsinstelling voornoemd en zoveel vaker als deze instelling dit nodig acht;

* dat verdachte moet deelnemen aan een leefstijltraining;

* dat verdachte zich moet laten behandelen bij De Waag of soortgelijke instelling.

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Bijkomende staf

veroordeelt verdachte tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van één (1) jaar;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 12 augustus 2009 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/444471-08 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van twee (2) maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Maanen, voorzitter, mrs. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn en J. Ebbens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Verspaget-Kruyt, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 23 augustus 2011.

Mr. Baauw-de Bruijn is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.