Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BT6537

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
29-09-2011
Datum publicatie
04-10-2011
Zaaknummer
16/600729-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplichtigheid aan poging tot koperdiefstal. De rechtbank acht de verklaring van verdachte niet aannemelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600729-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 september 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1976] te [geboorteplaats]

thans gedetineerd te PI Nieuwegein

raadsman mr. B.J. Tieman, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 15 september 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

De zaak is tegelijk, maar niet gevoegd, behandeld met de zaak tegen verdachte

[medeverdachte] (parketnummer 16/600728-11).

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 19 juli 2011 te Breukelen

feit 1: primair samen met een ander heeft geprobeerd om een hoeveelheid koper te stelen van het dak van een appartementencomplex, subsidiair: behulpzaam is geweest tot voornoemde poging tot diefstal;

feit 2: 47 XTC pillen aanwezig heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en verzoekt de rechtbank dan ook om verdachte daarvan vrij te spreken.

De officier van justitie acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op de - bekennende - verklaring van verdachte, het proces-verbaal van bevindingen en het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI).

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 1 ten laste gelegde feit en voert daartoe het volgende aan. Ten eerste kan niet worden vastgesteld dat verdachte betrokken was bij de poging tot diefstal. Het signalement dat door getuige [getuige] is beschreven is onvoldoende om vast te stellen dat dit verdachte was en de aanwezigheid van verdachte in de buurt van het appartementencomplex kan worden verklaard aan de hand van het gegeven dat verdachte een zwervend bestaan leidt. Ten tweede kan niet worden bewezen dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking.

De verdediging refereert zich ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit aan het oordeel van de rechtbank.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en overweegt daartoe dat het dossier geen blijk geeft van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de twee verdachten van de ten laste gelegde diefstal. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het primair onder 1 ten laste gelegde feit.

Vaststelling van de feiten

De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

Ten aanzien van feit 1, subsidiair

Aangever [aangever] heeft namens de Vereniging van Eigenaren van de percelen [nummers] van de [adres] (zijnde een appartementencomplex) te Breukelen, Gemeente Stichtse Vecht, verklaard dat hij op 19 juni 2011 zag dat op het dak van dat appartementencomplex koperen kabels, welke waren bevestigd aan de zijden en in het midden van het dak, waren verwijderd en opgerold. De kabels waren losgeknipt.

Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij zag dat op 19 juli 2011 omstreeks 02.00 uur zich twee personen op het appartementencomplex aan de [adres] bevonden. Ze zag de eerste persoon op het dak en de tweede persoon op de negende verdieping. Ze zag dat de eerste persoon telkens heen en weer liep en dat de tweede persoon stil stond in de deuropening naar de galerij. Hierop heeft zij de politie gebeld. Op het moment dat de politie arriveerde verdween de eerste persoon uit het zicht en zag ze dat de tweede persoon via het trappenhuis naar beneden liep. Even later zag ze de tweede persoon op straat lopen. Getuige [getuige] heeft het volgende signalement beschreven van de tweede persoon: een blanke man met een normaal postuur, lengte korter dan 180 centimeter, een kakikleurige (lichtlegergroene) jas en een zandkleurige baseballpet.

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] kregen omstreeks 02.00 uur een melding en reden vervolgens in de richting van de [adres] te Breukelen. Omstreeks 02.25 uur zagen zij een man uit de richting van deze straat komen lopen. Het ging om een blanke man van ongeveer 180 centimeter lang, met een tenger tot normaal postuur en een petje met camouflageprint. Deze man bleek verdachte te zijn. Verdachte is daarop aangehouden.

Omstreeks 02.01 uur die nacht kreeg verbalisant [verbalisant] een melding en is hij ter plaatse gegaan naar het appartementencomplex. Hij zag dat het gebouw negen verdiepingen hoog was. Toen voornoemde verbalisant het dak betrad zag hij dat op meerdere plekken stukken koper waren verwijderd. Deze stukken koper lagen verspreid over het dak en waren, gezien de sporen, recent afgeknipt. Omstreeks 04.44 uur kreeg verbalisant [verbalisant] wederom een melding en is hij weer ter plaatse gegaan. Hij zag dat het koper inmiddels op een andere plek was neergelegd. Hij hoorde een vrouw roepen: ‘hier zit hij’ en zag vervolgens een man via de balkons naar beneden klimmen. De man is aangehouden. Verbalisant [verbalisant 3] hoorde dat de man vervolgens zei: ‘Hebben jullie mijn maatje al?’. In de auto waarmee de man ter plekke was is later een inkoopbon van rood koper aangetroffen. Deze inkoopbon was van een recyclingbedrijf en stond op naam van voornoemde man.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de tweede aangehouden man heeft geprobeerd het koper van het dak van het appartementencomplex te stelen. Zij acht tevens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte daartoe behulpzaam is geweest en overweegt daartoe aanvullend het volgende.

Wettig en overtuigend bewezen wordt geacht dat verdachte de persoon was die op de negende verdieping van de flat is gezien door getuige [getuige]. Verdachte is korte tijd na de melding - te weten om 02.25 uur in de nacht - door verbalisanten aangetroffen, terwijl hij liep uit de richting van de [adres]. Daarbij komt dat het door getuige [getuige] gegeven signalement voldoende overeenkomt met het signalement van verdachte, zoals weergegeven in het hiervoor aangehaalde proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

De verklaring die verdachte ter terechtzitting van 15 september 2011 desgevraagd heeft gegeven voor zijn aanwezigheid op die plaats en dat tijdstip, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden, mede omdat deze strijdig is met hetgeen hij eerder tegenover de politie heeft verklaard

De rechtbank acht tevens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest aan de poging om het koper te stelen. De handelingen zoals beschreven door getuige [getuige] bewijzen dat de man op het dak het koper aan het wegnemen was en dat verdachte daarbij op de uitkijk stond.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan.

Ten aanzien van feit 2

Op 19 juli 2011 te Breukelen, gemeente Stichtse Vecht, troffen verbalisanten bij verdachte een zakje aan met daarin een hoeveelheid pillen . Een aantal van deze pillen zijn onderzocht door het NFI. Het NFI heeft vastgesteld dat de pillen MDMA bevatten.

Verdachte heeft bekend dat hij op 19 juli 2011 te Breukelen opzettelijk 47 XTC pillen (pillen bevattende MDMA) aanwezig heeft gehad.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

feit 1, subsidiair

[medeverdachte] op 19 juli 2011 te Breukelen, gemeente Stichtse Vecht, ter uitvoering van het door die [medeverdachte] voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanaf het dak en van een dakrand van een aan de [adres] gelegen (negen verdiepingen tellend) appartementencomplex weg te nemen een hoeveelheid koper, toebehorende aan de Vereniging van Eigenaren van de percelen [nummers] van de en dat weg te nemen koper onder zijn bereik te brengen door middel van verbreking op het dak van dat appartementencomplex is geklommen en een hoeveelheid aan het dak en een dakrand van dat appartementencomplex bevestigde koper heeft losgeknipt en opgerold, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid; zijnde hij, verdachte, toen en daar met dat opzet behulpzaam geweest bij het plegen van vorenomschreven misdrijf door op de uitkijk te staan;

feit 2

op 19 juli 2011 te Breukelen, gemeente Stichtse Vecht, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 47 pillen, bevattende MDMA (ook wel XTC genoemd), een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1, subsidiair: medeplichtigheid aan poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de door de officier van justitie gevorderde straf dient te worden gematigd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft op de uitkijk gestaan toen een ander probeerde koper te stelen van het dak van een appartementencomplex. Dat dit misdrijf niet is voltooid is niet aan verdachte, maar aan bewoners en de politie te danken. Verdachte heeft geen moment stilgestaan bij de hinder, overlast en financiële schade die de bewoners hiervan ondervonden. Daarbij komt dat verdachte tevens gevaarzettend heeft gehandeld nu het de bliksemafleiders waren die van het dak werden verwijderd. De rechtbank neemt dit de verdachte zeer kwalijk.

Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van 47 XTC pillen. Het gebruik van XTC brengt ernstige gezondheidsrisico's mee zoals de mogelijkheid van blijvende schade aan het centrale zenuwstelsel. Verdachte heeft zich om al deze gevolgen niet bekommerd.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 23 juni 2011, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor vermogens- dan wel drugsgerelateerde delicten;

- de ter terechtzitting d.d. 15 september 2011 door verdachte afgelegde verklaring inhoudende dat hij een zwervend bestaan leidt, maar niet open staat voor verplichte begeleiding door de reclassering.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf van drie maanden geëist en is daarbij uitgegaan van een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde feit. De rechtbank is, in tegenstelling tot de officier van justitie, niet van mening dat er sprake is van een dealerindicatie en zal daarvan bij de strafoplegging dan ook niet uit gaan. Wel is de rechtbank van oordeel dat naast het onder 2 ten laste gelegde feit ook het primair onder 1 ten laste gelegde feit kan worden bewezen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45, 48, 57, 310, 311 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair onder 1 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1, subsidiair: medeplichtigheid aan poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijke opgelegde straf.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.M.G. de Weerd, voorzitter, mr. A. van Maanen en mr. A.M. Crouwel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Ven-de Vries, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 29 september 2011.