Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BT2513

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
31-08-2011
Datum publicatie
26-09-2011
Zaaknummer
16/600524-11 & 16/600632-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Telkens, belaging. Verdachte heeft telefonisch en via sms-berichten stelselmatig haar ex-partner belaagd. Verdachte is eerder veroordeeld voor belaging van dezelfde ex-partner.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600524-11 & 16/600632-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 31 augustus 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1981] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

raadsman mr. J.P.M. Denissen, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 17 augustus 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte stelselmatig [slachtoffer] heeft lastig gevallen:

feit 1: van 25 april 2011 tot en met 1 mei 2011

feit 2a: van 5 december 2010 tot en met 11 december 2010

feit 2b: van 15 tot en met 20 december 2010

feit 2c: op of omstreeks 12 maart 2011

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangiftes, de processen-verbaal betreffende het uitlezen van historische telefoniegegevens en het proces-verbaal van bevindingen waarbij een agent de stem van verdachte herkent wanneer er gebeld wordt naar de telefoon van aangever en hij die telefoon vervolgens op de speaker zet. Dit alles bezien in de context van de eerdere veroordeling van verdachte ter zake van belaging van dhr. [slachtoffer].

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging voert aan dat de rol van aangever niet kenmerkend is voor een slachtoffer. Aangever vindt de toenadering van verdachte kennelijk niet vervelend genoeg om zijn telefoonnummer te veranderen. Daarnaast is aangever degene geweest die met zijn auto achter verdachte is aangereden, foto’s van haar heeft gemaakt en steeds op een plek is gaan zitten waarvan hij weet dat verdachte daar langs komt.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 1

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde heeft begaan vanwege het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Naast de aangifte is er enkel een proces-verbaal van bevindingen waarin een politieagent verklaart dat hij de stem van de beller herkent als zijnde de stem van verdachte, wanneer aangever op 1 mei 2011 vijf keer wordt gebeld tijdens het doen van zijn aangifte. Gelet op het feit dat aangever in een gesprek met deze politieagent reeds voordat hij werd gebeld had aangegeven dat hij telefonisch werd belaagd door deze verdachte en vervolgens zijn mobiele telefoon op tafel legde, overweegt de rechtbank dat de betreffende politieagent hierdoor bij de herkenning mogelijk is beïnvloed. De rechtbank is bovendien van oordeel dat voor stemherkenning in het algemeen een specifieke deskundigheid is vereist. Niet is gebleken dat de betreffende agent hierover beschikt, noch dat er in het onderhavige geval aanleiding is om van dit uitgangspunt af te wijken. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat dit proces-verbaal niet kan bijdragen aan het bewijs.

Feit 2

Partiële vrijspraak van feit 2 onder a

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] in de periode van 5 december 2010 tot en met 11 december 2010 heeft belaagd. De aangifte wordt niet ondersteund door de overige stukken in het dossier. Evenmin heeft de rechtbank ondersteuning in het dossier gevonden van het sturen van een computerbericht door verdachte naar een vriendin van [slachtoffer].

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 onder b en c ten laste gelegde feit heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

Op 22 december 2010 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan van belaging. [slachtoffer] verklaart op:

- 15 december 2010 20 sms’jes te hebben ontvangen van het telefoonnummer: [telefoonnummer], waaronder:

“PricillaVraagtTee veel [voornaam slachtoffer]. Kniets. En Met Jou Wil k Wel een hoteletje want werk en prive is geen toneel. Maar alex je voelde toch wel wat… Je herkende me onlangs echt niet in utrecgt” ;

“Seni Seviyorum” ;

- 16 december 2010 15 sms’jes te hebben ontvangen van het telefoonnummer: [telefoonnummer], waaronder;

“Seni Seviyorum” ;

- 19 december 2010 55 sms’jes te hebben ontvangen van het telefoonnummer: [telefoonnummer], waaronder;

“Kwens jullie een hartaanval”;

“En jij bedroog mij alex. Kvraag om vergiffenis en lees de koran. Heb jij berouw;

Ja vertel jij maar. Waarom hou je afstand? Je hoeft geen vadertje te spelen. En k lees de koran. En je beledigd me x op x alex. K wil van jou wel die mop horen..”

“K wil dit met jou pratend verwerken alex. Dover jij hebt mij verraden, beschuldigd, bedonder hoor.. Dus je kan op zijn minst mij te woord staan”.

Voornoemde sms-berichten worden door de dienstdoende politieagent uit de mobiele telefoon van [slachtoffer] gelezen. [slachtoffer] is ervan overtuigd dat verdachte deze sms’jes heeft gestuurd, omdat alles wat in deze berichten staat op hun eerdere relatie slaat. Ook verklaart [slachtoffer] dat hij meerdere malen is gebeld door bovengenoemde telefoonnummers, waarbij hij de stem van de persoon aan de lijn herkende als die van verdachte.

Naar aanleiding van de aangifte zijn de historische gegevens opgevraagd van de mobiele telefoon van verdachte. Uit onderzoek blijkt dat aan het IMEI-nummer van deze telefoon de volgende telefoonnummers zijn gekoppeld: [telefoonnummer], [telefoonnummer], [telefoonnummer] en [telefoonnummer]. Met de telefoonnummers [telefoonnummer], [telefoonnummer], [telefoonnummer] is veelvuldig contact opgenomen met het telefoonnummer van [slachtoffer]. Op 15, 19 en 20 december 2010 is er met deze telefoonnummers in totaal 71 keer telefonisch contact opgenomen met het telefoonnummer van [slachtoffer]. Op 15, 19 en 20 december 2010 zijn er met voornoemde telefoonnummers in totaal 90 sms’jes verstuurd naar het telefoonnummer van [slachtoffer]. Daarbij werden telefoonpalen aangestraald in Leusden, Amersfoort, Bunschoten en Hoevelaken.

Op 28 maart 2011 doet [slachtoffer] opnieuw aangifte van belaging. Hij verklaart op 12 maart 2011 18 sms’jes te hebben gekregen afkomstig van telefoonnummer [telefoonnummer], waaronder:

- “Waarom bedonderde je me…En ondanks: mis k je enorm” ;

- “alexxxje……”;

- “K MIS JE…”;

- “K heb je warmte nodig…Ben helemaal doorgesnoven, aan de kust…One hug?”;

- “K ZOU JE GRAAG TERUG WILLEN…”;

- “LACH MAAR…K ZIE ALLES, ZOEK DE SPION… ”;

- “alex verlegen? Ach so.. K MIS JE VINGERS ”.

Voornoemde sms-berichten worden door de dienstdoende politieagent uit de mobiele telefoon van [slachtoffer] gelezen.

[slachtoffer] verklaart dat hij weet dat dit telefoonnummer van verdachte is, omdat de tekst van de sms’jes op haar duiden en zij sms’jes herhaalt die zij hem eerder heeft gestuurd.

Verdachte verklaart op 31 maart 2011 naast haar eigen mobiele telefoon tevens de mobiele telefoon van haar vader te gebruiken. Het imeinummer van deze telefoon is: [imei-nummer].

Wanneer de politie de telefoon met het imeinummer [imei-nummer] uitleest, blijkt dat aan dit imeinummer het telefoonnummer [telefoonnummer] is gekoppeld. Uit de historische gegevens blijkt tevens dat op 12 maart 2011 met dit telefoonnummer 18 maal een sms is verstuurd naar het telefoonnummer van [slachtoffer]. Daarbij werden telefoonpalen aangestraald in Amsterdam, Naarden, Laren, Eemnes, Amersfoort en Hoogland.

Verdachte verklaart ter zitting in maart 2011 meerdere sms’jes naar [slachtoffer] te hebben gestuurd. Volgens haar verklaring waren dit enkel aardige sms’jes.

Bewijsoverweging

Verdachte is op 29 oktober 2010 reeds veroordeeld voor belaging van [slachtoffer]. In december 2010 en in maart 2011 is zij opnieuw geconfronteerd met de aangiften van [slachtoffer]. Verdachte is na de eerste aangifte desondanks toch met grote regelmaat contact blijven zoeken met [slachtoffer]. Het verweer van de raadsman dat [slachtoffer] de handelwijze van verdachte kennelijk niet zo vervelend vond omdat hij zijn telefoonnummer niet heeft gewijzigd, treft geen doel. [slachtoffer] heeft twee maal aangifte gedaan tegen verdachte. Daarnaast heeft [slachtoffer] de vele oproepen en sms-berichten meestentijds niet beantwoord. Dit geeft voldoende blijk van zijn onvrede over het feit dat hij veelvuldig door verdachte benaderd werd.

Ook als verdachte zich over het algemeen vriendelijk heeft opgesteld in haar benadering van [slachtoffer], kan gesproken worden van belaging, wanneer door de intensiteit, duur en frequentie van het contact, alsmede het onvrijwillige karakter daarvan, sprake is van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte in de periode van 15 december 2010 tot en met 20 december 2011 en op 12 maart 2011 contact bleef zoeken met [slachtoffer], terwijl haar duidelijk had moeten zijn dat hij dit contact niet wilde. Gelet op de frequentie van de telefonische en andere contacten en de hardnekkigheid waarmee verdachte [slachtoffer] tegen zijn wil dwong tot dat contact, is er sprake van een wederrechtelijke, stelselmatige en opzettelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer]. Door zo te handelen, heeft verdachte [slachtoffer] belaagd.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

2.

in de periode van 15 december 2010 tot en met 20 december 2011 en op 12 maart 2011 te Amersfoort, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], met het oogmerk die [slachtoffer], te dwingen iets te doen, immers heeft zij, verdachte onder meer toen en daar telkens wederrechtelijk en opzettelijk en met dat oogmerk:

b. in de periode van 15 tot en met 20 december 2010; (zie politiedossiernummer 2011009812)

- een mobiele telefoon van die [slachtoffer] een zeer groot aantal malen

(ongeveer 71x) gebeld en

- een zeer groot aantal sms-berichten (ongeveer 90) gestuurd naar een

mobiele telefoon van die [slachtoffer], onder meer met de woorden:

"PricillaVraagtTee veel [voornaam slachtoffer]. Kniets. Em Met Jou Wil k Wel een hoteltje want

werk en prive is geen toneel. Maar [voornaam slachtoffer] je voelde toch wel wat..Je herkende me

onlangs echt niet in utrecgt" en

"Seni Seviyorum" en

"Kwens jullie een hartaanval." en

"En jij bedroog mij alex. Kvraag om vergiffenis en lees de koran. Heb jij

berouw" en

"Ja vertel jij maar. Waarom hou je afstand? Je hoeft geen vadertje te spelen.

En k lees de koran. En je beledigd me x op x alex. K wil van jou wel die mop

horen.." en

"K wil dit met jou pratend verwerken alex. Dover jij hebt mij verraden,

beschuldigd, bedonder hoor..Dus je kan op zijn minst mij te woord staan;

en

c. op 12 maart 2011; (zie politiedossiernummer 2011069373)

- een aanzienlijk aantal sms-berichten (ongeveer 18) gestuurd naar de/een

mobiele telefoon van die [slachtoffer], met daarin onder meer de volgende teksten:

"Waarom bedonderde je me...en ondanks: mis k je enorm" en "alexxxje......"

en "K MIS JE" en "K heb je warmte nodig...Ben helemaal doorgesnoven,

aan de kust...One hug?" en "K ZOU JE GRAAG TERUG WILLEN..." en "LACH

MAAR...K ZIE ALLES, ZOEK DE SPION..." en "alex verlegen...? Ach so..K MIS

JE VINGERS".

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

- Telkens, belaging.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 8 maanden met aftrek van de periode dat verdachte in voorlopige hechtenis heeft gezeten.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de eis te hoog is en wijst daarbij op de rol van aangever. Aangever heeft er niets aan gedaan om ervoor te zorgen dat verdachte geen contact met hem kon opnemen. Hij heeft zelf contact met verdachte gezocht door met zijn auto achter haar aan te rijden en steeds op een plek te gaan zitten waarvan hij weet dat zij er langs komt. De verdediging stelt dat een gevangenisstraf in dit geval enkel leed toevoegt. De verdediging stelt zich op het standpunt dat het noodzakelijk is om de behandeling van verdachte zo spoedig mogelijk te laten beginnen. Een gevangenisstraf staat daaraan in de weg. De verdediging stelt dat een taakstraf ook tot de mogelijkheden behoort.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het belagen van [slachtoffer], door hem gedurende een periode van in totaal 6 dagen nagenoeg dagelijks te benaderen via sms’jes en de telefoon en later gedurende 1 dag een aanzienlijk aantal smsberichten te sturen.

Gelet op een eerdere veroordeling ter zake van belaging van [slachtoffer] en nieuwe aangiften van zijn kant wist verdachte dat contact – in welke vorm dan ook – door hem niet op prijs werd gesteld. Verdachte heeft zich daaraan niets gelegen laten liggen. Zij heeft zich gefocust op het tot stand brengen van hernieuwd contact met [slachtoffer] zonder in te zien dat haar gedrag niet alleen een averechtse werking had, maar ook zijn privacy ernstig heeft aangetast. [slachtoffer] is bij voortduring geconfronteerd met verdachte. Dit heeft bij hem gevoelens van onrust gegeven.

De rechtbank heeft kennis genomen van het rapport van Het Leger des Heils, afdeling reclassering d.d. 10 augustus 2011, opgesteld door L. van den Heuvel, reclasseringswerker.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 27 mei 2011 waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor belaging.

Desondanks komt de rechtbank tot een lagere straf dan door de officier van justitie geëist. Zij is van oordeel dat ten gunste van verdachte moet worden meegewogen dat [slachtoffer] ook geen volledige afstand van verdachte heeft genomen. Tevens komt de rechtbank slechts tot een bewezenverklaring van een deel van de tenlastelegging.

Gelet op het voorgaande – in onderling verband en samenhang bezien – is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 85 dagen passend en geboden is.

7 Het beslag

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de teruggave van de in beslag genomen zwarte mobiele telefoon van het merk Nokia 388787 aan verdachte.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over het beslag.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Het voorwerp behoort aan verdachte toe. De rechtbank zal de teruggave gelasten van het in beslag genomen voorwerp.

8 De vordering tot tenuitvoerlegging

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat de voorwaardelijke straf die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 29 oktober 2010 gedeeltelijk ten uitvoer wordt gelegd, met dien verstande dat een deel van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf – te weten 3 maanden – wordt omgezet in een taakstraf. De officier van justitie vordert voor het overige verlenging van de proeftijd met 1 jaar, wijziging van de bijzondere voorwaarde in die zin dat verdachte dient mee te werken aan een behandeling bij kade 17 of een soortgelijke instelling en wijziging van het gebiedsverbod ten aanzien van het Soesterkwartier in Amersfoort in Nieuwland eveneens in Amersfoort met instandhouding van het contactverbod ten aanzien van aangever.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzet zich tegen een gebieds- en contactverbod. Dergelijke verboden zijn niet voorgesteld door de reclassering en zorgen enkel voor frustratie bij verdachte zolang zij nog met een behandeling bezig is. De verdediging verzet zich niet tegen het verlengen van de proeftijd van de voorwaardelijke straf.

8.2 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet op de persoon van verdachte en de aard van de zaak zal de rechtbank een deel van de vordering tot tenuitvoerlegging toewijzen, te weten 2 maanden gevangenisstraf. De rechtbank is van oordeel dat verdachte baat heeft bij een spoedige behandeling en zal de voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden omzetten in een werkstraf van 120 uur met verlenging van de proeftijd van 1 jaar.

De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding in het dossier om de bijzondere voorwaarden te wijzigen in die zin dat verdachte een gebiedsverbod wordt opgelegd voor de wijk Nieuwland in plaats van Soesterkwartier. Ook ziet de rechtbank niet de noodzaak van een algeheel contactverbod met [slachtoffer]. Verdachte heeft [slachtoffer] alleen via sms-berichten en telefonisch benaderd. Derhalve zal de rechtbank wel een sms- en belverbod opleggen.

Ook acht zij een behandeling bij Kade 17 of een soortgelijke instelling geïndiceerd.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14f, 14g en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 2b en c: telkens, belaging

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 85 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen mobiele telefoon zoals genoemd op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst.

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 29 oktober 2010 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/600632-10 gedeeltelijk ten uitvoer zal worden gelegd voor een duur van 2 maanden, met dien verstande dat deze 2 maanden gevangenisstraf zullen worden omgezet in een uit te voeren werkstraf van 120 uur;

- gelast dat de proeftijd van deze voorwaardelijke straf wordt verlengd met 1 jaar.

- gelast de wijziging van de bijzondere voorwaarden, gesteld in voornoemd vonnis zodanig dat zij als volgt komen te luiden:

dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschiften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens het Leger des Heils, afdeling Reclassering, ook als dat inhoudt dat verdachte:

- een behandeling bij Kade 17 of een soortgelijke instelling moet ondergaan;

- zich zal houden aan een meldingsgebod;

- dat verdachte gedurende de proeftijd niet telefonisch of via sms’jes contact zal opnemen, zoeken of onderhouden met [slachtoffer].

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert, voorzitter, mr. N.E.M. Kranenbroek en

mr. J. Ebbens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.T. de Muinck-Dezentje, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 31 augustus 2011.