Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BT2401

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-07-2011
Datum publicatie
22-09-2011
Zaaknummer
16/600348-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft samen met anderen in een hennepdrogerij in een kelder onder zijn schuur een grote hoeveelheid gedroogde henneptoppen aanwezig gehad en zich daarmee schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid softdrugs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600348-11

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 juli 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1964] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats]

Gedetineerd: HvB Utrecht, locatie Wolvenplein.

raadsman mr. F. Visser, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 11 juli 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. primair en subsidiair: zich, al dan niet in vereniging, schuldig heeft gemaakt aan het telen, bereiden, bewerken en/of verwerken van hennep, in elk geval aan het opzettelijk aanwezig hebben van die hennep, dan wel anderen daarbij behulpzaam is geweest;

2. heeft deelgenomen aan een criminele organisatie;

3. zich, al dan niet in vereniging, schuldig heeft gemaakt aan diefstal van elektriciteit.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de Officier van justitie

De officier van justitie acht de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten niet bewezen en verzoekt verdachte van deze feiten vrij te spreken. Het onder 1 primair ten laste gelegde feit acht de officier van justitie, gelet op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat, gelet op de verklaringen van de verdachte en de in het dossier aanwezige stukken, niet tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde kan worden gekomen. Volgens de verdediging volgt hieruit enkel dat verdachte de ruimte in zijn kelder ter beschikking heeft gesteld om een oogst hennep van iemand te drogen en dat hij daarvoor € 20,-- per kilo zou krijgen. Er is geen sprake van het in vereniging bereiden van hennep omdat de nauwe en bewuste samenwerking ontbreekt. Verdachte wist niet hoe de hennep werd gedroogd en heeft ook niet meegewerkt aan het prepareren of het beheren van de ruimte en de hennep. Hij wist niet eens hoeveel hennep er lag. Met betrekking tot het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft de verdediging geen verweer gevoerd.

Ten aanzien van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft de verdediging vrijspraak bepleit en gesteld dat wettig en overtuigend bewijs ontbreekt.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feiten 2 en 3

Met betrekking tot deze feiten is de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat wettig en overtuigend bewijs dat verdachte zich aan deze feiten schuldig heeft gemaakt ontbreekt. De rechtbank zal verdachte dan ook van deze feiten vrijspreken.

Feit 1 primair

Op 13 april 2011 heeft een doorzoeking van de woning van verdachte aan de [adres] te [woonplaats] plaatsgevonden. Op het perceel van verdachte bevinden zich naast de vrijstaande woning diverse schuren. Een van deze schuren is voorzien van meerdere ruimtes, een opbergruimte, een slaapkamer en een natte ruimte. In de slaapkamer in deze schuur werd op het plafond een plastic tas aangetroffen met als inhoud meerdere grote, gedroogde henneptoppen. Na doorzoeking van de natte ruimte in deze schuur werd een stelling naar voren geschoven. Achter deze stelling werd een gat in de muur aangetroffen die leidde naar een ruimte die zich onder een verhoogde duiventil bevond. In deze ruimte werd een zogeheten hennepdrogerij aangetroffen. In deze ruimte stonden vier grote zogeheten “wastassen” met als inhoud gedroogde henneptoppen. Tevens werd in deze ruimte een in werking zijnde ventilator en een groot droogrek aangetroffen. In dit droogrek lagen henneptoppen. In totaal werden in deze ruimte 65 gesealde zakken met henneptoppen en 3 gesealde zakken met hennepafval in beslag genomen. Het totale gewicht van de aangetroffen gedroogde henneptoppen bedroeg 41,73 kilo.

Een door een verbalisant van de forensische opsporing uitgevoerde cannabis indicatietest van een representatief monster van de aangetroffen gedroogde henneptoppen, gaf een positieve reactie, indicatief voor THC, zijnde de werkzame stof in hennep en hasjiesj.

Verdachte heeft verklaard dat de in de slaapkamer en in de schuur aangetroffen gedroogde henneptoppen van hem zijn. Met betrekking tot de onder zijn schuur aangetroffen hennepdrogerij heeft hij verklaard dat deze drogerij niet van hem was en dat hij zijn kelder twee tot drie dagen voor de doorzoeking ter beschikking heeft gesteld aan anderen om een oogst hennep te drogen. Hij zou daarvoor € 20,-- per kilo zou krijgen. Verdachte heeft verklaard dat hij geen sleutel heeft van deze ruimte.

Bewijsoverweging

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de hierboven genoemde bewijsmiddelen dat verdachte bij het aanwezig hebben van de in de tenlastelegging genoemde hoeveelheid (gedroogde) henneptoppen een zodanige rol heeft gespeeld dat er sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking bij de totstandkoming van het strafbare feit. De rechtbank heeft bij dit oordeel in aanmerking genomen dat verdachte als hoofdbewoner beschikkingsbevoegd was met betrekking tot de ruimtes waar de hennep is aangetroffen, te weten de slaapkamer in de schuur en de ruimte onder deze schuur. Verdachte heeft blijkens zijn verklaring de ruimte onder de schuur bewust ter beschikking gesteld aan anderen voor het aanwezig hebben van hennep en hij zou meedelen in de opbrengst.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte met anderen nauw en bewust heeft samengewerkt voor wat betreft het ten laste gelegde telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken van hennep. Verdachte zal van deze onderdelen van de tenlastelegging dan ook worden vrijgesproken.

Verdachte heeft verklaard dat hij de ruimte onder zijn schuur pas 3 dagen voor de doorzoeking van zijn woning beschikbaar had gesteld aan anderen. Nu zich in het dossier geen bewijsmiddelen bevinden waaruit zou kunnen volgen dat verdachte de ruimte reeds eerder aan anderen ter beschikking zou hebben gesteld voor het drogen van hennep, zal de bewezenverklaarde periode worden beperkt tot de periode van 10 april 2011 tot en met 13 april 2011.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat

1. primair

verdachte in de periode van 10 april 2011 tot en met 13 april 2011 te Utrecht tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] en/of in een schuur behorende bij/gelegen achter dit pand) een hoeveelheid van in totaal ongeveer 41,73 kilo henneptoppen, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Feit 1 primair

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met aftrek van voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het opleggen van een lagere straf bepleit en gesteld dat met een straf gelijk aan het voorarrest kan worden volstaan.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft samen met anderen in een hennepdrogerij in een kelder onder zijn schuur een grote hoeveelheid gedroogde henneptoppen aanwezig gehad en zich daarmee schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid softdrugs. Softdrugs zijn stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Dit is de reden dat de verstrekking van softdrugs aan banden is gelegd. Door de handelwijze van verdachte wordt dit restrictieve beleid doorkruist. Daarnaast gaat de handel in softdrugs vaak gepaard met andere vormen van criminaliteit.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 30 mei waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor handelen in strijd met de Opiumwet.

Gelet op de ernst en de aard van de door verdachte gepleegde gedragingen is de rechtbank van oordeel dat, met name ook gelet op de eerdere veroordeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf terzake van handelen in strijd met de Opiumwet, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden passend en geboden is.

7 Het beslag

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte. Met betrekking tot het in beslag genomen bedrag van

€ 1.700,-- , ziet de rechtbank geen aanleiding om, zoals door de officier van justitie gevorderd, dit bedrag verbeurd te verklaren. Aanwijzingen dat dit geld door criminele activiteiten zou zijn verkregen ontbreken.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4. is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Feit 1 primair:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Beslag

gelast de teruggave aan verdachte van :

- 48 pillen van het merk Kamagra Sildenafil Citrate;

- 1.052,40 gram wit poeder, verpakt in een plastic tas en gripzak;

- een bedrag van € 1.700,--.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Brouwer, voorzitter, mr. Y.M.J.I. Baauw-de Bruijn en M.H.L. Schoenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C.J. Evers, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 25 juli 2011.