Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BT2056

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
20-09-2011
Datum publicatie
22-09-2011
Zaaknummer
311919 / HA RK 11-366 en 311922 / HA RK 11-368
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Zaaknummers / rekestnummers: 311919 / HA RK 11-366 en 311922 / HA RK 11-368

beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken

van 20 september 2011

in de zaak van:

1. [verzoeker 1],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [verzoeker 1],

verzoeker,

raadsman: mr. S. de Korte,

en

2. [verzoeker 2],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [verzoeker 2],

verzoeker,

raadsman: mr. M.J. Lamers,

tegen:

1. mr. [verweerder 1],

2. mr. [verweerder 2],

3. mr. [verweerder 3],

rechters in de sector strafrecht van deze rechtbank,

verder samen ook te noemen [verweerders],

verweerders.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Op 25 augustus 2011 heeft in de tegen [verzoeker 1] en [verzoeker 2] bij deze rechtbank aanhangige strafzaken, bekend onder parketnummers 16/710365-10 respectievelijk 16/710385-10, gelijktijdig een zitting van de meervoudige kamer voor strafzaken plaatsgevonden. [verweerders] hadden zitting in deze kamer. Tijdens de zitting hebben [verzoeker 1] en [verzoeker 2], bij monde van hun raadslieden mr. De Korte en mr. Lamers, [verweerders] gewraakt. Van de zittingen zijn processen-verbaal opgemaakt.

1.2. De rechters hebben niet in de wrakingen berust.

1.3. Verzoekers, hun raadslieden en [verweerders] zijn op 2 september 2011 door de griffier van deze rechtbank opgeroepen voor de mondelinge behandeling van de wrakingsverzoeken op 6 september 2011. Voorts heeft de griffier mr. [officier van justitie], officier van justitie in de strafzaken tegen [verzoeker 1] en [verzoeker 2], van de behandeling van de verzoeken in kennis gesteld.

1.4. [verweerders] hebben op 2 september 2011 hun schriftelijke reactie op de wrakingsverzoeken aan de griffier van de wrakingskamer van deze rechtbank doen toekomen. Daarin hebben zij toegelicht waarom zij niet in de wrakingen hebben berust. De griffier heeft op 5 september 2011 een afschrift hiervan aan beide genoemde raadslieden gezonden.

1.5. Op 5 september 2011 heeft mr. [officier van justitie] voornoemd schriftelijk gereageerd op de wrakingsverzoeken. Een afschrift van haar brief is op 6 september 2011, voorafgaand aan

de behandeling van de wrakingsverzoeken, aan de raadslieden en aan mr. [verweerder 1] en

mr. [verweerder 2] overhandigd.

1.6. De mondelinge behandeling van beide wrakingsverzoeken heeft op 6 september 2011 gelijktijdig plaatsgevonden. Daarbij waren mr. De Korte en mr. Lamers namens respectievelijk [verzoeker 1] en [verzoeker 2] aanwezig. Van verweerders zijn mr. [verweerder 1] en

mr. [verweerder 2] verschenen.

1.7. Ter zitting hebben de raadslieden de wrakingsverzoeken nader toegelicht. Zij hebben daartoe beiden een pleitnotitie overgelegd. Mr. Lamers heeft zijn (niet geheel van rijmdwang vrije) bewerking van een gedicht van Hiëronymus van Alphen voorgedragen. [verweerder 1] en mr. [verweerder 2] hebben gebruik gemaakt van de gelegenheid het woord te voeren.

1.8. Daarna is uitspraak bepaald op heden.

2. De feiten

2.1. De (onder 1.1.) genoemde strafzaken tegen [verzoeker 1] en [verzoeker 2] zijn op 28 maart 2011 gelijktijdig ter terechtzitting inhoudelijk behandeld. Voorafgaand aan die zitting zijn

[verweerders] door hun griffier - die in die hoedanigheid eveneens betrokken was bij de strafzaak tegen medeverdachte [medeverdachte] (bekend onder parketnummer 16/600738-10) - geattendeerd op de door deze medeverdachte op 1 november 2010 in diens strafzaak afgelegde verklaring over de rolverdeling tussen de drie verdachten, alsmede op het in de zaak van deze medeverdachte op 15 november 2010 gewezen - veroordelende - vonnis. [verweerders] hebben kennis genomen van de inhoud van deze verklaring en dit vonnis. Verklaring noch vonnis maakten op dat moment onderdeel uit van de dossiers in de strafzaken tegen [verzoeker 1] en [verzoeker 2].

2.2. Nadat ter zitting van 28 maart 2011 door verdachten [verzoeker 1] en [verzoeker 2] was verklaard over het ten laste gelegde - zij ontkenden de hen verweten gedragingen - en over het aandeel van medeverdachte [medeverdachte] daarin, heeft de officier van justitie gerequireerd dat de verdachten [verzoeker 1] en [verzoeker 2] worden vrijgesproken van het aan hen ten laste gelegde. [verweerders] hebben de informatie die hen voorafgaand aan de zitting via de griffier over medeverdachte [medeverdachte] had bereikt, in bijzijn van de procesdeelnemers niet ter sprake gebracht. Op 28 maart 2011 is het onderzoek gesloten en is vonnis bepaald op 11 april 2011.

2.3. Bij tussenvonnissen van 11 april 2011 hebben [verweerders] overwogen dat na de sluiting van het onderzoek, tijdens de beraadslaging van de rechtbank, is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest. Het onderzoek is heropend om de medeverdachte [medeverdachte] door de rechter-commissaris als getuige te doen horen en de officier van justitie is opgedragen om de verklaring die deze [medeverdachte] als verdachte in zijn eigen strafzaak heeft afgelegd voorafgaand aan het verhoor door de rechter-commissaris te voegen in de strafdossiers van [verzoeker 1] en [verzoeker 2].

2.4. Op 30 mei 2011 heeft de rechter-commissaris, in aanwezigheid van mr. De Korte en

mr. Lamers, genoemde [medeverdachte] als getuige gehoord. De getuige heeft zich toen op zijn verschoningsrecht beroepen.

2.5. Ter terechtzitting van 25 augustus 2011 hebben mr. De Korte en mr. Lamers hun bevreemding geuit over de tussenvonnissen van 11 april 2011. Nadat mr. [verweerder 1], als voorzitter van de meervoudige kamer, hun vragen dienaangaande had beantwoord, hebben de raadslieden de zittingsrechters gewraakt.

3. De verzoeken en het daartegen gevoerde verweer

3.1. De verzoeken van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] strekken ertoe dat [verweerders] in de tegen hen aanhangige strafzaken worden vervangen door drie andere rechters.

3.2. [verzoeker 1] en [verzoeker 2] leggen aan hun wrakingsverzoeken ten grondslag dat [verweerders] de schijn van partijdigheid hebben gewekt door de verdediging er ter zitting van 28 maart 2011 niet van op de hoogte te stellen dat de rechtbank kennis droeg van de inhoud van de door medeverdachte [medeverdachte] in diens strafzaak afgelegde verklaring. Dit is in strijd met het onmiddellijkheidsbeginsel, omdat relevante informatie waarover de rechtbank beschikte niet ter zitting aan de procespartijen, verdediging en Openbaar Ministerie, is voorgehouden. Nu [verzoeker 1] en [verzoeker 2] ter zitting van 28 maart 2011 niet anders hebben verklaard dan zij eerder hadden gedaan, had de rechtbank uiterlijk in aansluiting daarop melding moeten maken van de via de griffier verkregen wetenschap. Door pas nadat de officier van justitie tot vrijspraak had gerequireerd, tijdens de beraadslaging in raadkamer tot de slotsom te komen dat de verklaring van [medeverdachte] niet kon worden gemist, is bij [verzoeker 1] en [verzoeker 2] de indruk ontstaan dat hun verklaringen over het ten laste gelegde niet worden geloofd en dat de rechtbank door middel van de getuigenis en verklaring van de medeverdachte alsnog tot hun beider veroordeling tracht te komen, waarmee de schijn van partijdigheid van de rechtbank is gewekt.

3.3. [verweerders] hebben zich tegen de wrakingsverzoeken verweerd. Omdat de verklaring die medeverdachte [medeverdachte] eerder in zijn strafzaak heeft afgelegd, waarmee de rechtbank ambtshalve bekend was, ten tijde van de zitting van 28 maart 2011 geen onderdeel uitmaakte van de dossiers in de strafzaken tegen [verzoeker 1] en [verzoeker 2], is deze verklaring op die zitting niet ter sprake gebracht. Voor en tijdens de zitting had de rechtbank geenszins het voornemen om de verklaring van de medeverdachte bij de oordeelsvorming te betrekken. Eerst bij de beraadslaging in raadkamer is vastgesteld dat de door [verzoeker 1] en [verzoeker 2] ter zitting afgelegde verklaringen vragen opriepen die mogelijk door getuige [medeverdachte] zouden kunnen worden beantwoord. Ten behoeve van de waarheidsvinding, en zonder dat de rechtbank zich reeds een oordeel had gevormd over de aan de verklaring van [medeverdachte] toekomende betekenis in de strafzaken tegen van [verzoeker 1] en [verzoeker 2], zijn vervolgens de tussenvonnissen gewezen. Dat geeft geen blijk van enige vooringenomenheid en wekt niet de schijn van partijdigheid, aldus [verweerders]

4. De beoordeling

4.1. Artikel 512 Sv bepaalt dat op verzoek van de verdachte de rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm voorts gegeven door artikel 6 EVRM, in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien objectief bepaalde feiten of omstandigheden grond vormen te vrezen dat het de rechter in de gegeven omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.

4.2. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 512 Sv/artikel 6 EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

4.3. Niet is gebleken van enige persoonlijke vooringenomenheid van [verweerders] jegens

[verzoeker 1] of [verzoeker 2]. Onderzocht zal daarom slechts worden of zij in objectieve zin reden hebben te vrezen dat het [verweerders] aan onpartijdigheid ontbreekt. Overwogen wordt het volgende.

4.4. De wrakingskamer stelt voorop dat de rechtbank, nadat op 28 maart 2011 het onderzoek was gesloten, in het bepaalde in artikel 315 Sv de bevoegdheid heeft kunnen vinden om medeverdachte [medeverdachte] als getuige (door de rechter-commissaris) te doen horen en de door deze medeverdachte in diens strafzaak op 1 november 2010 afgelegde verklaring aan de dossiers in de strafzaken tegen [verzoeker 1] en [verzoeker 2] te doen toevoegen, nu daarvan bij de beraadslaging in raadkamer de noodzaak was vastgesteld. Dat dit anders zou zijn, hebben de raadslieden van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] ook niet verdedigd.

4.5. Anders dan in het bijzonder door mr. Lamers is betoogd, is van een schending van het onmiddellijkheidsbeginsel geen sprake geweest. Weliswaar is de informatie die de rechtbank voorafgaand aan de zitting van 28 maart 2011 ambtshalve had verkregen niet direct op de zitting met verdediging en Openbaar Ministerie besproken, maar nu in de beraadslaging na de zitting is geoordeeld dat het onderzoek onvolledig was geweest aangezien de verklaringen van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] vragen opriepen die wellicht door [medeverdachte] beantwoord zouden kunnen worden en daartoe bij tussenvonnissen het onderzoek werd heropend, ontstond een situatie waarin genoemd beginsel nog volledig tot zijn recht kon komen. De raadslieden van [verzoeker 1] en [verzoeker 2] hebben gebruik gemaakt van de gelegenheid om aanwezig te zijn bij het verhoor van [medeverdachte] door de rechter-commissaris en zij hebben daarbij vragen aan de getuige kunnen stellen. Ook ter zitting van 25 augustus 2011, waar de opgeroepen getuige [medeverdachte] is verschenen, hadden diens eerdere verklaring en eventuele aanvullende getuigenis onderwerp van debat kunnen zijn. Daarvan is het niet gekomen, omdat laatstgenoemde zitting door de wrakingsverzoeken is geschorst. Bedoeld debat zal, naar de wrakingskamer aanneemt, in het vervolg van de strafzaken alsnog kunnen plaatsvinden.

4.6. De kern van het verwijt dat [verzoeker 1] en [verzoeker 2] aan [verweerders] maken, betreft het feit dat er ter zitting van 28 maart 2011, nadat [verzoeker 1] en [verzoeker 2] over het ten laste gelegde hadden verklaard en voordat de officier van justitie requireerde, geen melding van is gemaakt dat de rechtbank kennis droeg van de inhoud van de door medeverdachte [medeverdachte] op 1 november 2010 in diens strafzaak afgelegde verklaring. In hun standpunt dat hierdoor de schijn van partijdigheid is gewekt, volgt de wrakingskamer [verzoeker 1] en [verzoeker 2] niet. Weliswaar had het naar het oordeel van de wrakingskamer - in het belang van de open communicatie ter zitting en de voortgang van de strafzaken - de voorkeur verdiend indien de rechtbank haar wetenschap op de zitting van 28 maart 2011 reeds met de procesdeelnemers had besproken. Het in dat stadium achterwege laten van die mededeling leidt er evenwel niet toe dat aan de onpartijdigheid van de rechters moet worden getwijfeld, omdat de rechtbank daarna alsnog heeft gedaan hetgeen zij voordien had nagelaten, te weten het onderzoek heropenen, mede om de verklaring aan het dossier te doen toevoegen, zodat nadien daarover debat kon worden gevoerd. Een dergelijke reparatie was dienstig aan het onderzoek, niet in strijd met de goede procesorde en stond de rechtbank vrij.

4.7. Van vooringenomenheid zou eerst dàn sprake zijn, indien bijkomende feiten of omstandigheden in objectieve zin de schijn van partijdigheid wekken. Daarvan is niet gebleken. Met name hebben [verweerders], door te beslissen tot een verhoor van de medeverdachte en door diens eerdere verklaring in de strafdossiers te doen voegen, niet reeds een oordeel gegeven over de betekenis die aan diens getuigenis in de strafzaken tegen [verzoeker 1] en [verzoeker 2] toekomt, laat staan dat de indruk zou kunnen zijn gewekt dat daaraan méér waarde toekomt dan aan de verklaringen die verdachten zelf over hun aandeel in het ten laste gelegde hebben afgelegd. Dat inmiddels de officier van justitie tot vrijspraak had gerequireerd, moge bij [verzoeker 1] en [verzoeker 2] een bepaalde verwachting over de uitkomst van de strafzaken hebben gewekt, doch deze omstandigheid maakt niet dat de rechtbank geacht moet worden een ander doel dan dat van waarheidsvinding te hebben willen dienen of dat moet worden gevreesd dat het [verweerders] bij de verdere behandeling van de strafzaken aan onpartijdigheid zal ontbreken.

4.8. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de verzoeken worden afgewezen.

5. De beslissing

De rechtbank Utrecht:

5.1. wijst de verzoeken af;

5.2. draagt de griffier op deze beslissing aan de heer [verzoeker 1] en mr. S. de Korte, aan de heer [verzoeker 2] en mr. M.J. Lamers, aan mr. [verweerder 1], mr. [verweerder 2] en mr. [verweerder 3], aan mr. [officier van justitie], alsmede aan de president en aan de sectorvoorzitter strafrecht van deze rechtbank toe te zenden;

5.3. bepaalt dat de strafzaken dienen te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevonden op het moment van schorsing in verband met deze wrakingsverzoeken.

Deze beslissing is gegeven door mr. J. Sap, voorzitter, mr. B.J. van Ettekoven en mr. L.E. Verschoor-Bergsma, leden van de wrakingskamer, en in het openbaar uitgesproken op 20 september 2011, in aanwezigheid van de griffier.