Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BT1976

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-09-2011
Datum publicatie
20-09-2011
Zaaknummer
16.600558-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

poging tot skimmen bewezen, ongeloofwaardige verklaring van verdachte verworpen dat skimapparatuur door een ander geplaatst was, voor plaatsing skimapparatuur is technische kennis en ervaring vereist

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16.600558-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 september 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1985] te [geboorteplaats],

gedetineerd voor deze zaak te P.I. Midden Holland, Huis van Bewaring (te) Haarlem,

raadsvrouw: mr. L.W. Plantenga, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 5 september 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 4 juni 2011 samen met anderen heeft geprobeerd te skimmen, dan wel dat hij (samen met anderen) skimapparatuur heeft gemaakt, verhandeld of bij zich gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen heeft geprobeerd te skimmen. De officier van justitie baseert zich daarbij op de verklaring van de pomphouder en de bevindingen van de politie op de plaats delict. De officier van justitie stelt dat het aanbrengen van dergelijke apparatuur kennis van zaken en technische vaardigheden vereist en dat de door verdachte geschetste gang van zaken, waarbij hij een ondergeschikte rol in het geheel zou hebben, niet geloofwaardig is.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair tenlastegelegde. Op het moment dat verdachte werd aangehouden was hij alleen en was hij niet bezig met het plaatsen van apparatuur. Er zijn geen camerabeelden beschikbaar waarop bezien kan worden wat zich voor de aanhouding van verdachte heeft afgespeeld. Uit niets blijkt dan ook dat verdachte de skimapparatuur heeft geplaatst en dat hij dat samen met anderen heeft gedaan. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verklaring van verdachte op pagina 20 van het dossier niet mag worden gebruikt voor het bewijs, omdat dit verhoor van verdachte zonder bijstand van een tolk heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 4 juni 2011 omstreeks 02.15 uur zien twee verbalisanten bij een tankstation in Doorn binnen de gemeente Utrechtse Heuvelrug een persoon in donkere kleding gebukt wegrennen vanaf de benzinepomp naar de bosjes. Een van de verbalisanten ziet vervolgens in de bosjes een jongeman die iets weggooit wat wit van kleur is en hij hoort het voorwerp vallen. Even later vindt hij in de bosjes een wit plastic plaatje van ongeveer 15 cm lang en 3 cm breed, met daaraan rode en gele elektrische draadjes en een printplaatje met een groenknipperend lampje met twee batterijen. Bij een van de pompen van het tankstation ziet de verbalisant boven het toetsenbord een wit plaatje aan twee draadjes uit de betaalunit hangen. Aan dit witte plaatje zitten twee gele en een groen elektriciteitsdraadje. Wanneer de verbalisant aan het witte plaatje trekt komen er twee batterijpakketjes en een printplaatje met rood lampje en groen knipperend lampje uit de betaalunit. Het geheel is beplakt met een soort stof en komt volgens de verbalisant overeen met het weggegooide printplaatje uit de bosjes. De jongeman uit de bosjes blijkt verdachte te zijn. Bij de fouillering van verdachte worden een schroevendraaier en secondelijm aangetroffen. Twee dagen later treft de operationeel manager van het tankstation in de bewuste benzinepomp nog een ander deel van de skimapparatuur aan, de zogenaamde zender.

De inbeslaggenomen elektronica wordt aangeboden voor forensisch onderzoek en blijkt te bestaan uit twee nagenoeg identieke camera opname-units en een leesunit voor de magneetstripgegevens. Volgens de onderzoekers is de camera-unit voorzien van een mini-camera, gemonteerd op een wit hard plastic deel. Hieruit leidt de rechtbank af dat het één van deze camera-units is die bij verdachte is aangetroffen, aangezien een wit plastic plaatje onderdeel uitmaakte van het voorwerp dat in de bosjes bij verdachte werd aangetroffen. De andere camera-unit is -gelet op de hierboven weergegeven beschrijving van de aangetroffen apparatuur- gevonden door de verbalisant en afkomstig uit de betaalunit. De rechtbank concludeert dat het de leesunit moet zijn die twee dagen later door de operationeel manager in de pomp is gevonden en die door hem met de term zender wordt aangeduid. De onderzoekers beschrijven dat een camera-unit geplaatst wordt aan de bovenzijde van het toetsenbord van een betaalautomaat en dat daarmee de ingetoetste combinatie op het toetsenbord van de betaalautomaat kan worden opgenomen, terwijl de leesunit in de originele pinautomaat wordt opgeborgen om het geheugen van de automaat uit te lezen. De onderzoekers concluderen op grond van hun bevindingen en deskundigheid dat deze apparatuur gebruikt wordt bij het skimmen van betaalkaarten.

Verdachte verklaart dat het printplaatje uit de bosjes van hem was en dat hij van plan was dit te gaan installeren bij de benzinepomp.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande en het navolgende wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd skimapparatuur te plaatsen om vervolgens betaalpassen die bij de pomp gebruikt zouden worden te kunnen vervalsen.

Aanvullende bewijsoverweging

De rechtbank overweegt daarover nog het volgende. Verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij niets te maken heeft met de op de betaalautomaat van de pomp aangebrachte apparatuur, maar de rechtbank acht het volstrekt ongeloofwaardig dat precies op de plek waar verdachte zijn skimapparatuur wilde gaan plaatsen al door een ander of door anderen skimapparatuur was aangebracht De rechtbank weegt bij haar oordeel mee dat er geen andere personen bij het benzinestation zijn aangetroffen en dat bij verdachte geen andere apparatuur is aangetroffen dan de camera-unit. Uit de hierboven weergegeven beschrijving van de werking van skimapparatuur van de forensisch onderzoekers blijkt echter dat ook een leesunit nodig is voor het uitlezen van het geheugen van de betaalautomaat en dat alleen het plaatsen van een camera-unit onvoldoende gegevens oplevert. Zowel de verbalisant als de forensisch onderzoekers verklaren bovendien dat de apparatuur, meer in het bijzonder de camera-units, die bij verdachte en bij de betaalunit van de pomp zijn aangetroffen, (nagenoeg) identiek zijn. Uit de beschrijving van de werking van de skimapparatuur blijkt naar het oordeel van de rechtbank bovendien dat er een zekere technische kennis en vaardigheid voor nodig is om skimapparatuur goed te plaatsen. Tegen deze achtergrond acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij slechts in opdracht handelde van anderen ook volstrekt niet geloofwaardig.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen heeft gehandeld.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Primair

op omstreeks 04 juni 2011 te Doorn, gemeente Utrechtse Heuvelrug, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk betaalpassen, bestemd voor het verrichten van betalingen langs geautomatiseerde weg, te vervalsen met het oogmerk zichzelf of een ander te bevoordelen ('skimmen') als volgt heeft gehandeld, zijnde hij verdachte doende geweest skimapparatuur te plaatsen bij een betaalunit van een pompstation;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Primair: Poging tot opzettelijk een betaalpas bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen langs geautomatiseerde weg, valselijk opmaken met het oogmerk zichzelf of een ander te bevoordelen.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van de periode die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist, omdat van een andere bewezenverklaring moet worden uitgegaan. De raadsvrouw heeft erop gewezen dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Zij heeft verzocht een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot skimmen. Het spreekt voor zich dat bij dergelijke -voltooide- delicten sprake is van een grote financiële schade voor de economie. Uit het dossier blijkt bovendien dat dit delict ook grote schade en overlast heeft veroorzaakt voor de eigenaar van het tankstation, omdat de kaartlezer van de betaalautomaat van het tankstation door het bewezen verklaarde feit is vernield. Bovendien wordt het vertrouwen van de burger in de beveiliging van het geautomatiseerde betalingsverkeer aangetast, wanneer deze zich geconfronteerd ziet met van de bankrekening afgeschreven bedragen die door skimming zijn onttrokken. Als gevolg van dergelijke feiten wordt op dit moment zelfs de wijze waarop automatisch betalen met de pinpas plaatsvindt, aangepast. Deze aanpassing vormt een behoorlijke financiële schadepost voor de vele duizenden ondernemers.

De rechtbank houdt verdachte verantwoordelijk voor (een deel van) deze schade. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit, een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden noodzakelijk is. Bij de bepaling van de duur van die straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de inhoud van het uittreksel uit het justitieel documentatieregister van de verdachte d.d. 19 juli 2011, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36c en 36d, 45 en 232 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Primair: Poging tot opzettelijk een betaalpas, bestemd voor het verrichten of verkrijgen van betalingen langs geautomatiseerde weg, valselijk opmaken met het oogmerk zichzelf of een ander te bevoordelen

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 9 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Maanen, voorzitter, mr. R.P. den Otter en mr. M.H.L. Schoenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Scheffer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 19 september 2011.

Mr. Schoenmakers was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.