Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BT1937

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
15-08-2011
Datum publicatie
20-09-2011
Zaaknummer
16/600494-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van 120 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar ter zake het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600494-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 augustus 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte].

geboren op [1988] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in de P.I. Utrecht - HvB locatie Nieuwegein, Nieuwegein.

Raadsvrouw mr. E.I. Robert, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 15 augustus 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

- zich op 18 mei 2011 te Utrecht schuldig heeft gemaakt aan het aanwezig hebben van 82 pillen en 0,73 gram bevattende amfetamine en MDMA.

3 De voorvragen

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen op grond van na te noemen bewijsmiddelen:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 15 augustus 2011 ;

- een proces-verbaal van aanhouding door [verbalisant] ;

- een proces-verbaal van bevindingen door [verbalisant] ;

- een rapport Opiumwet ;

- een rapport Identificatie van drugs en – precursoren van het NFI d.d. 22 juni 2011 .

4.2 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 18 mei 2011 te Utrecht opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 82 pillen en 0,73 gram bevattende amfetamine en/of MDMA, zijnde amfetamine en MDMA een middel als zijnde bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 150 dagen, waarvan 57 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

De officier van justitie is voorts van mening dat er bijzondere voorwaarden gesteld moeten worden zoals deze geformuleerd staan in het reclasseringsadvies d.d. 10 augustus 2011.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt dat de eis van de officier van justitie fors is. Zij voert daartoe aan dat verdachte nooit eerder voor een dergelijk feit veroordeeld is en dat er geen reden is om aan te nemen dat verdachte in drugs handelde. De raadsvrouw wijst erop dat verdachte 89 dagen in hechtenis heeft doorgebracht en stelt dat dit een behoorlijk lange periode betreft. De raadsvrouw geeft aan dat het met verdachte een lange tijd goed is gegaan bij ‘Enkeltje zelfstandig’ en dat hij zeer gemotiveerd is om een nieuwe kans aan te grijpen. De raadsvrouw kan zich vinden in een voorwaardelijk strafdeel (en daaraan bijzondere voorwaarden te koppelen), doch niet in die mate als de officier van justitie op het oog heeft. De raadsvrouw verzoekt de eis van de officier van justitie te matigen en het onvoorwaardelijke strafdeel gelijk te stellen aan 89 dagen, de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De voorlopige hechtenis zal dan opgeheven kunnen worden, zodat verdachte zich kan melden bij Het Blauwe Huis.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het in bezit hebben van amfetamine en MDMA in de vorm van XTC-pillen en poeder. Naar eigen zeggen heeft verdachte deze verboden opiaten in zijn bezit gehad, omdat hij deze voor een vriend vervoerde. De rechtbank is van oordeel dat harddrugs als de onderhavige, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren opleveren voor de gezondheid van die gebruikers, terwijl die gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend.

In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte d.d. 5 juli 2011, niet eerder ter zake van soortgelijke feiten is veroordeeld. Bovendien heeft verdachte er ter terechtzitting blijk van gegeven dat hij de onjuistheid van zijn handelen inziet.

Ten slotte houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die zijn gebleken tijdens het onderzoek ter terechtzitting, en uit het reclasseringsadvies van mw. A. Schreurs d.d. 10 augustus 2011.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van het bewezen verklaarde feit en met het oog op een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lagere straf dan de hierna vermelde vrijheidsstraf met een onvoorwaardelijk deel.

Ten aanzien van het voorwaardelijke strafdeel zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden opleggen, zoals deze zijn geadviseerd in het reclasseringsadvies door mw. A. Schreurs d.d. 10 augustus 2011, te weten:

- meldingsgebod

- opname in Maatschappelijke Dienstverlening Het Blauwe Huis

- begeleiding door Nieuwe Perspectieven bij Terugkeer.

De rechtbank acht alles afwegende een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.

Met betrekking tot de op te leggen bijzondere voorwaarden heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij bereid is medewerking te verlenen aan begeleiding door en een verplicht verblijf bij Het Blauwe Huis en dat hij gemotiveerd is om aan zijn problematiek te werken. De rechtbank heeft tevens bij bovengenoemde beslissing de informatie betrokken betreffende de overbruggingsperiode naar Het Blauwe Huis, in welke periode verdachte zal verblijven in de noodopvang van het Leger des Heils aan de Oudwijkerveldstraat te Utrecht.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.2 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 120 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Centrum Maliebaan, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde, ook als deze inhouden een verblijf bij en begeleiding door Het Blauwe Huis, Nieuwe Houtenseweg 55 te Utrecht, of een soortgelijke instelling. Daartoe moet de verdachte zich -zodra er een plaats beschikbaar is- melden bij Het Blauwe Huis op het volgende adres: Nieuwe Houtenseweg 55 te Utrecht;

* dat verdachte dient te verblijven bij Het Blauwe Huis te Utrecht of soortgelijke instelling en zich houdt aan de daarbij horende huisregels. Tevens dient verdachte zich te houden aan voorwaarden zoals die gesteld zijn door Het Blauwe Huis.

* dat verdachte zich zal houden aan de afspraken met Nieuwe Perspectieven voor de duur van het traject;

* dat verdachte zich binnen twee werkdagen na dit vonnis meldt bij Centrum Maliebaan;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Voorlopige hechtenis

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mr. I.P.H.M. Severeijns en mr. C.S.K. Fung Fen Chung, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. van den Brink, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 15 augustus 2011.