Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BT1687

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-09-2011
Datum publicatie
15-09-2011
Zaaknummer
16/600489-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie en in dat kader hennep geteeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600489-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 september 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1988] te [geboorteplaats],

wonende te [adres], [woonplaats],

thans gedetineerd in P.I. Utrecht, Huis van Bewaring Nieuwegein te Nieuwegein,

Raadsvrouw mr. E.D. van Elst, advocaat te Veenendaal.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 24 augustus 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met anderen hennep heeft geteeld.

Feit 2: heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een integrale bewezenverklaring kan komen van de aan verdachte ten laste gelegde feiten. Hiertoe heeft de raadsvrouw het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 1 is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig om tot een veroordeling van het onderdeel ‘beroeps- of bedrijfsmatige teelt’ te kunnen komen. Uit het dossier blijkt niet, althans onvoldoende, dat de verkoop van hennep door verdachte en zijn medeverdachten heeft plaatsgevonden op zulk een geregelde en stelselmatige wijze en volgens een vooropgezet plan dat sprake is van handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf.

Ook is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is om tot een veroordeling van hetgeen onder feit 2 aan verdachte is ten laste gelegd te kunnen komen. Verdachte is op geen enkele wijze betrokken geweest bij de hennepkwekerij van medeverdachte [medeverdachte 1]. De verklaring die [medeverdachte 1] op 23 mei 2011 in dit verband heeft afgelegd, dient voor het bewijs uitgesloten te worden, omdat medeverdachte [medeverdachte 1] tijdens dit verhoor in de veronderstelling verkeerde met de Reclassering in gesprek te zijn en niet met de politie. Deze gang van zaken is in strijd met de beginselen van een goede procesorde.

Verdachte heeft alleen een paar keer hennepplanten in de woning aan de [adres] geknipt en water gegeven. Hij was niet op de hoogte van het bestaan van een criminele organisatie en heeft ook geen contacten gehad met de mensen die de hennepplantage hebben ingericht. Verdachte dient daarom van feit 2 te worden vrijgesproken.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1]

Door de raadsvrouw is bepleit dat de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 23 mei 2011 niet tot het bewijs mag worden gebruikt, nu deze verklaring op onrechtmatige wijze is verkregen.

De rechtbank is van oordeel dat als de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] op onrechtmatige wijze is verkregen en hierdoor is gehandeld in strijd met de beginselen van een goede procesorde, alleen tekort is gedaan aan het recht van medeverdachte [medeverdachte 1] op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Om die reden is de rechtbank dan ook van oordeel dat de gewraakte verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] niet van het bewijs dient te worden uitgesloten.

De bewijsmiddelen

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte de aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Op 14 mei 2011 werd in de woning aan de [adres] te [woonplaats] een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen. Er werden 150 planten van het geslacht Cannabis in beslag genomen.

Verdachte staat officieel op dit adres ingeschreven. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij betrokken is geweest bij deze hennepkwekerij op de [adres] te [woonplaats]. Deze kwekerij was daar, via zijn broer (tevens medeverdachte [medeverdachte 2]) die iemand kende bij de growshop, door derden geplaatst. De kwekerij was van de mensen van deze growshop. Zij hebben de hennepkwekerij ingericht. Verdachte had de kwekerij samen met zijn broer [medeverdachte 2]. In totaal hebben zij vier oogsten gehad, waarvan er één mislukt is. Zij ontvingen maandelijks een geldbedrag van de mensen die de plantage hadden ingericht. Verdachte heeft ter terechtzitting voorts verklaard dat hij 3 à 4 keer de planten heeft verzorgd. Medeverdachte [medeverdachte 2] staat eveneens officieel ingeschreven op het adres [adres] te [woonplaats]. Op 14 mei 2011 heeft hij verklaard dat hij ongeveer één jaar geleden met deze kwekerij is begonnen. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij de hennepkwekerij door mensen van een growshop heeft laten inrichten. Zij leverden de plantjes en de groeimiddelen. Om de drie maanden kwamen de mensen van de growshop met een busje en namen dan de hele planten mee. Later kwamen zij dan weer nieuwe plantjes brengen. De mensen van de growshop hadden uitleg gegeven met een schema hoe de planten het beste onderhouden konden worden.

Door verbalisant [verbalisant] werd geconstateerd dat alle gebruikte materialen voor de hennepkwekerij in de woning aan de [adres] te [woonplaats] hetzelfde waren als die bij de hennepkwekerij aan het [adres] te [woonplaats]. Eerder die dag op 14 mei 2011 werd in de woning van medeverdachte [medeverdachte 1], op het [adres] te [woonplaats] een hennepkwekerij aangetroffen. Door verbalisant [verbalisant] werd waargenomen dat die woning voor een groot deel was ingericht als professionele hennepkwekerij. De henneplampen waren van een professioneel en duurder type. De transformatoren waren direct aan het armatuur gemonteerd en de armaturen waren van een hoogwaardiger materiaal vervaardigd dan normaliter door verbalisant [verbalisant] wordt aangetroffen in hennepkwekerijen. De afzuigunits waren voorzien van een aluminium bekisting. Verbalisant [verbalisant] had alleen nog maar houten zelfgemaakt bekistingen gezien in dergelijke hennepkwekerijen. Voorts betroffen de ventilatoren professionele aan de wand gemonteerde exemplaren. Ook waren de kweekruimtes voorzien van één of meerdere ‘hotpots’, hetgeen de lucht in de ruimte verwarmd tot de meest ideale temperatuur voor optimale groei. Naast een drietal kweekruimtes, was ook een ruimte ingericht voor het verwerken van de geoogste hennep. In deze ruimte waren droognetten en een zeer professionele hennepvergruizer van industriële kwaliteit aanwezig.

Verdachte was op de hoogte van deze kwekerij. Ook was verdachte in de woning aan het [adres] te [woonplaats] aanwezig op het moment dat de politie deze woning wilde binnentreden. Op dat moment werd door verbalisant [verbalisant] waargenomen dat verdachte bruingelige vingertoppen had. In de woning was voorts medeverdachte [medeverdachte 1] aanwezig. Verbalisanten hoorden medeverdachte [medeverdachte 1] zeggen ‘ja, we hebben een hennepkwekerij’ en ‘hij heeft het net geknipt’. Ook medeverdachte [medeverdachte 2] was ervan op de hoogte dat op dit adres ook een hennepkwekerij aanwezig was en heeft verklaard dat de kwekerij op het [adres] door dezelfde mensen is ingericht als de kwekerij op de [adres] te [woonplaats].

Gelet op de bovenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte hetgeen onder feit 1 en feit 2 aan hem is ten laste gelegd heeft gepleegd.

Aanvullende bewijsoverwegingen

Criminele organisatie

De rechtbank is, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die als oogmerk het plegen van misdrijven had. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte, zijn mededaders en de personen van de growshop bedrijfsmatig gezamenlijk hennep hebben geteeld en verwerkt.

In de woning van verdachte is een professioneel ingerichte hennepkwekerij aangetroffen. Deze hennepkwekerij was door een growshop aangelegd. De growshop betaalde maandelijks een geldbedrag voor het telen van de wiet. Als de hennep gereed was om verkocht te worden, kwamen de mensen van de growshop langs om de hennep op te halen. Ook brachten zij nieuwe plantjes, zodat het productieproces door kon gaan. Verdachte verzorgde samen met zijn broer [medeverdachte 2] de planten. Zij hadden de plantage ongeveer een jaar. Ook in de woning van medeverdachte [medeverdachte 1], vader van verdachte, is een hennepkwekerij aangetroffen. Deze kwekerij bleek op eenzelfde wijze te zijn ingericht als de kwekerij van verdachte. Door medeverdachte [medeverdachte 2] is in dit verband verklaard dat beide kwekerijen door dezelfde mensen zijn aangelegd. Het was deze onbekend gebleven growshop die voor de inrichting zorgde en voor de plantjes. Ook betaalde de growshop verdachte uit.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat sprake was van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van meerdere personen en dat verdachte hiervan, in de periode van 1 mei 2010 tot en met 14 mei 2011, deel heeft uitgemaakt. Verdachte heeft zich immers in deze periode beziggehouden met de teelt, in de vorm van verzorging, van de hennep en hiertoe (delen van) de woning waar hij ingeschreven stond, beschikbaar gesteld. Hierdoor leverde verdachte, als lid van de organisatie, een actief aandeel aan de gedragingen die rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in artikel 11a, eerste lid, van de Opiumwet, bedoelde oogmerk tot het plegen van misdrijven.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

hij op tijdstippen gelegen in omstreeks de periode 1 mei 2010 tot en met 14 mei 2011 te [woonplaats], in de uitoefening van een beroep of bedrijf, tezamen en in vereniging met anderen, telkens opzettelijk heeft geteeld in een pand aan de [adres] een groot aantal hennepplanten;

2.

hij in omstreeks de periode van 1 mei 2010 tot en met 14 mei 2011 te Zeist, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband tussen verdachte en anderen en welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het op beroeps- en/of bedrijfsmatige wijze opzettelijk telen en bereiden en verwerken en verkopen en afleveren van een grote hoeveelheid hennep;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Feit 2: Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 2 jaren.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak ten aanzien van feit 2 bepleit, alsmede vrijspraak ten aanzien van ‘beroeps- of bedrijfsmatige teelt’, zoals opgenomen onder feit 1 op de tenlastelegging.

Ten aanzien van de strafoplegging betreffende feit 1, heeft de raadsvrouw verzocht aan verdachte een straf op te leggen gelijk aan het voorarrest, dan wel te volstaan met het opleggen van een werkstraf in plaats van een gevangenisstraf.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie en in dat kader gedurende de periode van ongeveer één jaar op grote schaal hennep geteeld. Het spreekt voor zich dat het kweken van een softdrug als hennep, zeker in een omvang als waarvan in dit geval sprake is, een strafbaar feit is dat overlast veroorzaakt en schade voor de maatschappij oplevert. Softdrugs zijn immers stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade aan de lichamelijke en geestelijke gezondheid. Voorts leveren kwekerijen, waarbij in het overgrote geval op illegale wijze elektriciteit wordt onttrokken aan het net en de elektrische installatie ondeskundig is aangelegd, (brand)gevaar op voor de omgeving. Verdachte heeft zich kennelijk om al deze gevolgen niet bekommerd en heeft slechts gehandeld uit winstbejag.

De rechtbank heeft rekening gehouden met het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens overtreding van de Opiumwet.

Verdachte heeft geen persoonlijke omstandigheden naar voren gebracht die moeten leiden tot matiging van de bij dit soort delicten gebruikelijk op te leggen straf. Echter, de rechtbank heeft wel acht geslagen op het Reclasseringsadvies d.d. 19 augustus 2011 en het Reclasseringsrapport d.d. 22 juni 2011. Ondanks het feit dat geen bijzondere voorwaarden door de reclassering zijn voorgesteld, is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van verdachte is dat hij door de Reclassering begeleid zal worden. Uit beide reclasseringsrapporten volgt immers dat verdachte een onstabiele leefsituatie heeft, wat naar het oordeel van de rechtbank bij kan dragen aan toekomstig delictgedrag.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Wel ziet de rechtbank aanleiding een deel daarvan voorwaardelijk op te leggen. Deze voorwaardelijke straf maakt een verplichte begeleiding door de Reclassering mogelijk.

7 Het beslag

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht het beslag te handhaven, gelet op de op handen zijnde vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van het beslag gegeven.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal het beslag, ten behoeve van de waarheidsvinding, in het kader van de ter terechtzitting aangekondigde vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, overeenkomstig artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, handhaven.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 27, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11a van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Feit 2: Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 8 (acht) maanden, waarvan 3 (drie) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Voorlopige hechtenis

- heft het bevel voorlopige hechtenis op met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Beslag

- handhaaft het beslag van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn vermeld onder nummer 1.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Wagenmakers, voorzitter, mr. J.M. Bruins en mr. N.E.M. Kranenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.P. Stapel, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 7 september 2011.