Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BS1411

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
10-08-2011
Datum publicatie
09-09-2011
Zaaknummer
310697 - KG ZA 11-692
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Aanbestedingsprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector Handel en Kanton

Handelskamer

zaaknummer / rolnummer: 310697 / KG ZA 11-692

Vonnis in kort geding van 10 augustus 2011

in de zaak van

de naamloze vennootschap

CONNEXXION OPENBAAR VERVOER N.V.,

hierna te noemen: “Connexxion”,

gevestigd te Hilversum,

eiseres,

advocaat mr. J.F. van Nouhuys,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

HET REGIONAAL OPENBAAR LICHAAM BESTUUR REGIO UTRECHT,

hierna te noemen: “BRU”,

zetelend te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. G. Verberne,

en in de zaak van

de besloten vennootschap

QBUZZ B.V.,

hierna te noemen: “QBuzz”,

gevestigd te Utrecht,

tussenkomende partij,

advocaat mr. P.F.C. Heemskerk,

tegen

1. de naamloze vennootschap

CONNEXXION OPENBAAR VERVOER N.V.,

hierna te noemen: “Connexxion”,

gevestigd te Hilversum,

advocaat mr. J.F. van Nouhuys,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

HET REGIONAAL OPENBAAR LICHAAM BESTUUR REGIO UTRECHT,

hierna te noemen: “BRU”,

zetelend te Utrecht,

advocaat mr. G. Verberne,

en in de zaak van

de besloten vennootschap

ARRIVA PERSONENVERVOER NEDERLAND B.V.,

hierna te noemen: “Arriva”,

tussenkomende partij,

advocaat mr. M.J.J.M. Essers,

tegen

1. de naamloze vennootschap

CONNEXXION OPENBAAR VERVOER N.V.,

hierna te noemen: “Connexxion”,

gevestigd te Hilversum,

advocaat mr. J.F. van Nouhuys,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

HET REGIONAAL OPENBAAR LICHAAM BESTUUR REGIO UTRECHT,

hierna te noemen: “BRU”,

zetelend te Utrecht,

advocaat mr. G. Verberne,

de besloten vennnootschap

3. de besloten vennootschap

QBUZZ B.V.,

hierna te noemen: “QBuzz”,

gevestigd te Utrecht,

advocaat mr. P.F.C. Heemskerk,

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de aan BRU betekende dagvaarding van 2 augustus 2011;

- de producties 1 tot en met 17 aan de zijde van Connexxion;

- de producties 1 tot en met 6 aan de zijde van BRU;

- de incidentele conclusie tot tussenkomst, subsidiair voeging aan de zijde van QBuzz;

- de producties 1 tot en met 12 aan de zijde van QBuzz;

- de incidentele conclusie tot tussenkomst c.q. voeging van Arriva;

- de producties 1 tot en met 2 aan de zijde van Arriva;

- de mondelinge behandeling d.d. 8 augustus 2011, waarbij het verzoek van QBuzz en het verzoek van Arriva tot tussenkomst is toegewezen;

- de pleitnota van Connexxion;

- de pleitnota van BRU;

- de pleitnota van QBuzz;

- de pleitnota van Arriva.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3. In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op woensdag 10 augustus 2011

vonnis gewezen. Het onderstaande vormt hiervan de nadere schriftelijke uitwerking.

2. De feiten

2.1. BRU heeft een openbare Europese aanbestedingsprocedure uitgeschreven met betrekking tot de OV-concessie Regio Utrecht (hierna: de opdracht).

Het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten (hierna: het Bao) is op deze procedure van toepassing verklaard. De Wet personenvervoer 2000 en het daarop gebaseerde Besluit personenvervoer 2000 schrijven het toepassen van het Bao voor bij de gunning van OV-consessies.

2.2. De oorspronkelijke inschrijvingsdata waren 30 en 31 augustus 2010. Deze datum is door BRU twee weken verdaagd naar 7 september 2010.

2.3. Connexxion en QBuzz hebben op voornoemde opdracht tijdig (beide op 7 september 2010) ingeschreven.

2.4. In de door Connexxion en QBuzz ingediende aanbiedingen zijn door BRU onduidelijkheden en omissies geconstateerd die zouden kunnen leiden tot ongeldigheid van de inschrijvingen. Connexxion en QBuzz hebben binnen de door BRU geboden termijn van zes dagen de mogelijke omissies hersteld.

2.5. Op 4 oktober 2010 heeft BRU het besluit kenbaar gemaakt de opdracht aan QBuzz te gunnen. De inschrijving van QBuzz is zowel prijstechnisch als kwalitatief door BRU beter beoordeeld dan de inschrijving van Connexxion.

2.6. Connexxion heeft conform de Wet Personenvervoer 2000 bezwaar gemaakt tegen het gunningsbesluit en in voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het CBb) schorsing van het besluit gevraagd.

2.7. Bij uitspraak van 3 februari 2011 heeft de voorzieningenrechter van het CBb het besluit tot verlening van de concessie aan QBuzz geschorst. De voorzieningenrechter van het CBb overweegt in die uitspraak dat het BRU niet vrijstond beide inschrijvers in de gelegenheid te stellen niet besteksconforme inschrijvingen te corrigeren. In dat geval ging het daarbij om aanpassing van de leasecontracten.

2.8. Naar aanleiding van de uitspraak van 3 februari 2011 heeft BRU de inschrijvingen van Connexxion en QBuzz opnieuw beoordeeld zonder daarbij de aanpassingen die na de inschrijving zijn gedaan te betrekken. Hangende de herbeoordeling zijn Connexxion en QBuzz verzocht hun biedingen gestand te doen tot 7 september 2011. Connexxion en QBuzz hebben aan dat verzoek gehoor gegeven en hun biedingen tot 7 september 2011 schriftelijk en zonder voorbehoud verlengd.

2.9. Bij besluit van 1 maart 2011 heeft BRU geoordeeld dat de beide inschrijvingen ongeldig zijn.

2.10. Connexxion en QBuzz hebben tegen het besluit van 1 maart 2011 bezwaar aangetekend.

2.11. Bij beslissing op bezwaar van 16 mei 2011 heeft BRU de gronden van het bezwaar van Connexxion en QBuzz ongegrond verklaard en het bestreden besluit van 1 maart 2011 in stand gelaten. De ongeldigverklaring van de inschrijvingen van Connexxion en QBuzz wordt door BRU gehandhaafd. De beslissing op bezwaar van 16 mei 2011 vermeldt, voor zover van belang, het volgende:

“Vervolg van de aanbesteding

Volledigheidshalve berichten wij u hierbij tevens over het vervolg van de aanbesteding. Nu alle inschrijvingen op de gehouden aanbesteding onregelmatig zijn, zullen wij de aanbesteding vervolgen met een procedure van gunning door onderhandelingen zonder voorafgaande bekendmaking, een en ander conform het bepaalde in artikel 30 lid 1, onder a jo. lid 2, van het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten (Bao). Wij zullen bij die onderhandelingsprocedure zowel Connexxion als QBuzsz betrekken. U ontvangt hierover te zijner tijd nader bericht.”

2.12. Tegen de beslissing op bezwaar hebben Connexxion en QBuzz beroep ingesteld bij het CBb.

Connexxion heeft beroep ingesteld tegen de ongeldigverklaring van haar inschrijvingen en Connexxion is van mening dat BRU in het kader van haar beslissing op bezwaar niet kon besluiten tot het volgen van een onderhandelingsprocedure als bedoeld in artikel 30 Bao.

QBuzz heeft beroep ingesteld tegen de ongeldigheid van haar inschrijving en tegen het feit dat Connexxion niet van de aanbestedingsprocedure – en daarmee ook van de aangekondigde onderhandelingsprocedure – wordt uitgesloten.

2.13. Bij uitspraak van 15 juli 2011 heeft het CBb het beroep van Connexxion en QBuzz ongegrond verklaart. Het CBb concludeert in haar uitspraak dat de inschrijving van Connexxion van 7 september 2010 en de inschrijving van QBuzz van 7 september 2010 ongeldig zijn. Ten aanzien van het vervolgen van de aanbesteding met een onderhandelingsprocedure overweegt het CBb in rechtsoverweging 6.4. van voornoemde uitspraak als volgt:

“Appellante (voorzieningenrechter: lees Connexxion) heeft (voorwaardelijk) een beroepsgrond aangevoerd tegen de in het bestreden besluit opgenomen mededeling van verweerder (voorzieningenrechter: lees BRU) dat wordt overgegaan tot een procedure van gunning door onderhandelingen in de zin van artikel 30, lid 1 en 2, van het Bao.

Ingevolge artikel 1:3 Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijk beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Ingevolge artikel 6:3 Awb is een beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit niet vatbaar voor bezwaar of beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft.

Naar het oordeel van Het College wordt met de mededeling van verweerder om over te stappen op de onderhandelingsprocedure met appellante en QBuzz geen rechtsverhouding vastgesteld of gewijzigd, zodat de mededeling als zodanig geen rechtsgevolg in het leven roept en geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, lid 1, Awb is. De vaststelling van die rechtsverhouding zal eerst plaatsvinden wanneer de onderhandelingen daadwerkelijk resulteren in het verlenen van de concessie. De voormelde mededeling is naar het oordeel van het College te beschouwen als een beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van dit besluit als bedoeld in artikel 6:3 Awb. Dergelijke beslissingen zijn uitsluitend voor bezwaar vatbaar indien de belanghebbende los van het voor te bereiden besluit hierdoor rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen. Dit doet zich niet voor, nu appellante tegen het besluit waarbij de concessie wordt verleend te zijner tijd rechtsmiddelen kan aanwenden en in die procedure de juistheid van de gevolgde onderhandelingsprocedure ten volle aan de orde kan stellen. Nu aan de voorwaarde, waaronder appellante deze beroepsgrond heeft aangevoerd, niet wordt voldaan, komt het College niet toe aan een inhoudelijke beoordeling ervan.”

2.14. Bij brief van 27 juli 2011 heeft BRU Connexxion en QBuzz uitgenodigd tot het vervolgen van de aanbestedingsprocedure met een procedure van gunning door onderhandelingen op grond van artikel 30 lid 1, onder a, Bao, waarbinnen de inschrijvingen uiterlijk op 16 augustus 2011 moeten zijn ingediend.

Connexxion is door BRU onder voorbehoud, inhoudende dat het CBb de deelname van Connexxion aan de aanbestedingsprocedure zal sanctioneren, uitgenodigd tot de onderhandelingsprocedure.

2.15. Bij brief van 29 juli 2011 heeft het CBb QBuzz meegedeeld er naar te streven voor 1 september 2011 uitspraak te doen in het door QBuzz ingestelde beroep gericht op het volgens QBuzz ten onrechte niet uitsluiten van Connexxion van de aanbestedingsprocedure en daarmee ook van de onderhandelingsprocedure waarmee de aanbestedingsprocedure wordt gecontinueerd.

3. Het geschil

3.1. Connexxion vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:

Primair

1. BRU te verbieden Connexxion en de andere inschrijvers enige beperking op te leggen ten aanzien van de door hen in het kader van de onderhandelingsprocedure in te dienen inschrijvingen;

2. BRU te gebieden de door Connexxion gestelde vragen adequaat te beantwoorden en Connexxion en de andere inschrijvers ten minste tien weken vanaf het moment van beantwoording te geven om nieuwe aanbiedingen in te dienen;

3. BRU te verbieden onderscheid te maken in de eisen die aan QBuzz en Connexxion worden gesteld:

Subsidiair

4. BRU te verbieden de onderhavige aanbestedingsprocedure voort te zetten voordat de procedure is aangepast conform het in deze door de voorzieningenrechter te wijzen vonnis;

Primair en subsidiair

5. BRU te veroordelen in de kosten van deze procedure, een tegemoetkoming in de door Connexxion gemaakte kosten van juridische bijstand daaronder begrepen, alsmede de nakosten ten bedrage van EUR 131,00 zonder betekening en van EUR 199,00 met betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, met de aantekening dat als niet binnen twee weken na wijzing van het vonnis aan de proceskostenveroordeling is voldaan daarover de wettelijke rente verschuldigd is;

6. Indien tot afwijzing van de primaire en subsidiaire vorderingen wordt geconcludeerd, het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, zodat Connexxion de zaak in spoedappel aan het Gerechtshof kan voorleggen zonder dat de onderhandelingsprocedure definitief wordt voortgezet en afgerond conform de tijdslijnen die BRU daarvoor hanteert en waardoor het Connexxion onmogelijk wordt gemaakt een geldige aanbieding te doen.

3.2. QBuzz vordert in het incident primair dat het haar wordt toegestaan om tussen te komen in het geding tussen Connexxion en BRU en subsidiair dat het haar wordt toegestaan om zich in dit geding te voegen aan de zijde van BRU. Daarnaast vordert QBuzz dat Connexxion wordt veroordeeld in de kosten van het incident.

3.3. QBuzz vordert in de hoofdzaak dat bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

Connexxion niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen bij gebrek aan belang;

Subsidiair

De vorderingen van Connexxion ongegrond te verklaren;

In alle gevallen

Connexxion in de kosten van deze procedure te veroordelen, daaronder begrepen de nakosten, met bepaling dat deze kosten binnen twee weken na dagtekening van het vonnis aan QBuzz moet zijn voldaan, bij gebreke waarvan Connexxion zonder nadere aankondiging over die kosten wettelijke rente is verschuldigd.

3.4. Arriva vordert in het incident primair dat het haar wordt toegestaan om tussen te komen in het geding tussen Connexxion en BRU en subsidiair dat het haar wordt toegestaan om zich in dit geding te voegen aan de zijde van Connexxion. Daarnaast vordert Arriva dat BRU wordt veroordeeld in de kosten van het incident.

3.5. Arriva vordert in de hoofdzaak bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. Connexxion ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen en haar vorderingen toe te wijzen;

2.Primair

a. BRU te bevelen om Arriva binnen 48 uur na de datum van het in deze te wijzen vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, uit te nodigen voor deelname aan de onderhandelingsprocedure, en

b. BRU te bevelen om binnen 48 uur na de datum van het in deze te wijzen vonnis, althans binnen een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen termijn, de lopende onderhandelingsprocedure te staken zolang er minder dan drie partijen worden uitgenodigd tot onderhandelingen en/of inschrijving;

Subsidiair

BRU een andere maatregel op te leggen die de voorzieningenrechter in goede justitie passend acht en die recht doet aan de belangen van Arriva;

3. BRU te veroordelen in de kosten van het geding, daaronder begrepen de kosten voor rechtsbijstand van Arriva en de nakosten volgens het liquidatietarief, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na datum van dit vonnis.

3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

In de incidenten

4.1. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter de primaire incidentele vorderingen van QBuzz en Arriva strekkende tot tussenkomst in het geding tussen Connexxion en BRU bij mondeling vonnis, als op de wet gegrond, toegewezen.

De voorzieningenrechter heeft zich toen niet uitgelaten over de proceskostenveroordeling en bepaalt thans dat de proceskosten in de incidenten zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten in het incident zal hebben te dragen.

In de hoofdzaak tussen Connexxion en BRU

4.2. Connexxion stelt zich op het standpunt dat de keuze van BRU om in de huidige situatie van een onderhandelingsprocedure gebruik te maken, onrechtmatig is. Voorts heeft Connexxion ernstige bezwaren tegen de wijze waarop BRU de onderhandelingsprocedure opzet, omdat deze wijze volgens Connexxion meebrengt dat QBuzz op voorhand heeft gewonnen en Connexxion geen schijn van kans heeft.

4.3. BRU voert als meest verstrekkende verweer aan dat Connexxion niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vorderingen. Zij stelt daartoe dat de door BRU op grond van artikel 30 Bao gestarte onderhandelingsprocedure een voorbereidingshandeling betreft ten behoeve van het nemen van een concessiebesluit. Tegen een concessiebesluit kan op grond van artikel 105 Wet personenvervoer 2000 beroep worden ingesteld bij het CBb. In een dergelijk beroep wordt de rechtmatigheid van het besluit en de wijze van totstandkoming daarvan getoetst, aldus BRU.

4.4. Vooropgesteld wordt dat naar vaste rechtspraak (Hoge Raad 16 maart 1990, NJ 1990, 500) een eisende partij in een kort geding niet-ontvankelijk wordt verklaard wanneer de in een bepaalde situatie aangewezen rechter of rechtsgang voldoende rechtsbescherming biedt.

4.5. De wijze van inrichting door BRU van de onderhandelingsprocedure is naar het oordeel van de voorzieningenrechter een voorbereidingshandeling van het nog te nemen concessiebesluit waartegen geen zelfstandig rechtsmiddel openstaat.

Het CBb heeft in haar uitspraak van 15 juli 2011 (punt 2.13) overwogen dat “appellante (voorzieningenrechter lees: Connexxion) tegen het besluit waarbij de concessie wordt verleend te zijner tijd rechtsmiddelen kan aanwenden en in die procedure de juistheid van de gevolgde onderhandelingsprocedure ten volle aan de orde kan stellen.”

Dit betekent dat de bevoegde rechter heeft geoordeeld dat de keuze van BRU voor de onderhandelingsprocedure en de wijze waarop door BRU de onderhandelingen worden (uit)gevoerd pas kan worden getoetst nàdat terzake door BRU een concessiebesluit is genomen. Deze toets behoort uitsluitend tot de competentie van de bestuursrechter, zijnde het CBb.

Voor de civiele rechter is alleen een taak weggelegd indien blijkt dat van Connexxion in redelijkheid niet kan worden verlangd dat zij wacht op de toets achteraf door het CBb, omdat zij door de voorbereidingshandeling rechtstreeks in haar belangen wordt geschaad.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft Connexxion niet voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de toets achteraf door het CBb niet kan afwachten. Niet gesteld of gebleken is dat Connexxion op dit moment een belang heeft waaruit volgt dat een onmiddellijke voorziening geboden moet worden. Tegenover het door Connexxion niet aangetoonde belang staat dat BRU een belang heeft bij voortgang van de aanbestedingsprocedure door middel van de onderhandelingsprocedure. De gestanddoeningstermijn loopt immers op 7 september 2011 af.

4.6. Het voorgaande betekent dat geconcludeerd moet worden dat de Wet personenvervoer 2000 een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de bestuursrechter biedt, en dat Connexxion eerst het concessiebesluit dient af te wachten, waarna zij zich ingevolge artikel 105 Wet personenvervoer 2000 kan wenden tot het CBb.

Niet is gebleken dat er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat een onmiddellijke voorziening geboden moet worden.

4.7. Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat Connexxion niet-ontvankelijk is in haar vorderingen.

4.8. Connexxion zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van BRU worden begroot op:

- vast recht EUR 568,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.384,00

In de hoofdzaak tussen QBuzz enerzijds en Connexxion en BRU anderzijds

4.9. Gelet op het feit dat Connexxion in de hoofdzaak jegens BRU niet-ontvankelijk is verklaard in haar vorderingen, heeft QBuzz als tussenkomende partij geen belang meer bij haar vorderingen. De voorzieningenrechter zal de vorderingen van QBuzz derhalve afwijzen wegens het ontbreken van voldoende belang, zoals bedoeld in artikel 3:303 BW.

4.10. Nu Connexxion heeft bijgedragen aan het uitlokken van de vordering van QBuzz bij de verkeerde rechter, ziet de voorzieningenrechter aanleiding Connexxion in de proceskosten van QBuzz te veroordelen. De kosten aan de zijde van QBuzz worden begroot op:

- vast recht EUR 568,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.384,00

4.11. De nakosten, waarvan QBuzz betaling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot. De gevorderde wettelijke rente over de nakosten zal als volgt worden toegewezen.

4.12. De kosten aan de zijde van BRU worden begroot op nihil.

In de hoofdzaak tussen Arriva enerzijds en Connexxion, BRU en QBuzz anderzijds

4.13. Arriva stelt dat zij BRU heeft verzocht om deel te mogen nemen aan de ‘nieuwe’ aanbestedingprocedure tot gunning van de OV-concessie Regio Utrecht. Arriva wenst door BRU uitgenodigd te worden voor de onderhandelingsprocedure.

BRU heeft Arriva in haar brief van 2 augustus 2011 meegedeeld dat haar keuze voor een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking met zich meebrengt dat het haar ingevolge artikel 30 lid 2 Bao niet vrijstaat andere partijen dan de oorspronkelijke inschrijvers bij de onderhandelingen te betrekken. Arriva is van mening dat BRU haar verzoek tot deelname ten onrechte heeft afgewezen en stelt daartoe het volgende.

Uit artikel 30 Bao kan alleen worden afgeleid dat geen inschrijvers mogen worden uitgenodigd voor de onderhandelingsprocedure die niet aan de geschiktheidseisen voldoen. Hieruit kan niet worden afgeleid dat BRU Arriva niet zou mogen uitnodigen.

Voorts stelt Arriva dat BRU de onderhandelingsprocedure alleen kan voortzetten wanneer zij ingevolge artikel 44 lid 5 Bao voldoet aan de minimumeis van tenminste drie partijen die worden uitgenodigd tot inschrijving. De eis van artikel 44 lid 5 Bao geldt volgens Arriva ook voor situaties als bedoeld in artikel 30 lid 2 Bao. Door het verzoek tot deelneming van Arriva af te wijzen wordt aan deze eis door BRU niet voldaan.

4.14. Vooropgesteld wordt dat er voor Arriva als derde belanghebbende een rechtsgang openstaat bij de bestuursrechter. Het bestuursrecht biedt mogelijkheden voor een derde belanghebbende om op te komen tegen een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb dat hem rechtstreeks raakt. In dit geval heeft Arriva een rechtsgang bij het CBb nàdat BRU een concessiebesluit heeft genomen. Bij de toets achteraf door het CBb kan Arriva als derdebelanghebbende worden betrokken, indien het CBb tot het oordeel komt dat Arriva als derdebelanghebbende in de zin van artikel 1:2 Awb kan worden aangemerkt.

Arriva kan haar vordering alleen bij de civiele rechter voorleggen indien blijkt dat van haar in redelijkheid niet kan worden verlangd dat zij wacht op de toets achteraf door het CBb, omdat zij door de voorbereidingshandeling van BRU rechtstreeks in haar belangen wordt geschaad. Het is onvoldoende aannemelijk geworden dat Arriva een dergelijke toets achteraf niet kan afwachten. Niet gesteld of gebleken is dat Arriva op dit moment een belang heeft waaruit volgt dat een onmiddellijke voorziening geboden moet worden.

4.15. Uit het voorgaande volgt dat Arriva niet-ontvankelijk is in haar vorderingen.

4.16. Arriva zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Connexxion worden begroot op EUR 408,00 (1/2 van EUR 816 salaris advocaat). Ook de kosten van BRU worden op dit bedrag begroot.

4.17. De kosten aan de zijde van QBuzz worden begroot op nihil. Ter zitting is vastgesteld dat QBuzz geen stukken van Arriva heeft ontvangen en derhalve geen kosten heeft gemaakt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

in de incidenten tot tussenkomst

5.1. laat QBuzz en Arriva toe als tussenkomende partijen in de kort geding procedure tussen Connexxion en BRU, bekend onder zaak- en rolnummer 310697 KG ZA 11-692;

5.2. compenseert de proceskosten in de incidenten in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt;

in de hoofdzaak tussen Connexxion en BRU

5.3. verklaart Connexxion niet-ontvankelijk in haar vorderingen jegens BRU;

5.4. veroordeelt Connexxion in de proceskosten, aan de zijde van BRU tot op heden

begroot op EUR 1.384,00;

in de hoofdzaak tussen QBuzz enerzijds en Connexxion en BRU anderzijds

5.5. wijst de vorderingen van QBuzz af;

5.6. veroordeelt Connexxion in de proceskosten, aan de zijde van QBuzz tot op heden

begroot op EUR 1.384,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis;

5.7. veroordeelt Connexxion, indien niet binnen 14 dagen vrijwillig volledig aan dit vonnis wordt voldaan, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- EUR 131,00 aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

- te vermeerderen, indien de veroordeelde niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van EUR 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na voormelde aanschrijving tot de dag van volledige betaling;

5.8. veroordeelt Connexxion in de proceskosten, aan de zijde van BRU tot op heden begroot op nihil;

in de hoofdzaak tussen Arriva enerzijds en Connexxion, BRU en QBuzz anderzijds

5.9. verklaart Arriva niet-ontvankelijk in haar vorderingen jegens Connexxion, BRU en Qbuzz;

5.10. veroordeelt Arriva in de proceskosten, aan de zijde van Connexxion tot op heden begroot op EUR 408,00;

5.11. veroordeelt Arriva in de proceskosten, aan de zijde van BRU tot op heden begroot op EUR 408,00;

5.12. veroordeelt Arriva in de proceskosten, aan de zijde van QBuzz tot op heden begroot op nihil;

in alle hoofdzaken

5.12. verklaart dit vonnis wat betreft 5.4, 5.6, 5.7, 5.10 en 5.11 uitvoerbaar bij voorraad;

5.13. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C. Hagedoorn en in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2011.