Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BS1183

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
08-09-2011
Datum publicatie
09-09-2011
Zaaknummer
16-711341-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontnemingsvordering ex artikel 36e lid 3 Wetboek van Strafrecht. De rechtbank verwerpt het verweer dat de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel zich zou moeten beperken tot de bewezen verklaarde periode.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/711341-07

vonnis van de rechtbank d.d. 8 september 2011

in de ontnemingszaak tegen

[verdachte],

geboren op [1976] te [geboorteplaats] (Marokko),

wonende te [woonplaats], [adres].

Raadsman mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht.

1. De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:

- de vordering, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;

- het strafdossier onder parketnummer 21-003646-09, waaruit blijkt dat verdachte op 1 februari 2011 door het Gerechtshof Amsterdam, zittinghoudende te Arnhem, is veroordeeld ter zake van witwassen, het medeplegen van witwassen en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, tot de in die uitspraak vermelde straf;

- de bevestiging mondelinge aankondiging ontnemingsvordering ter terechtzitting, waaruit blijkt dat de officier van justitie tijdens de terechtzitting van 16 juli 2008 kenbaar heeft gemaakt dat zij voornemens is een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken;

- het proces-verbaal van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

- de conclusie van antwoord van de raadsman van veroordeelde, mr. L. de Leon, d.d. 23 mei 2011;

- de conclusie van repliek van de officier van justitie d.d. 4 juli 2011;

- de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting d.d. 25 augustus 2011;

- de overige stukken;

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2011 en 25 augustus 2011. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is de officier van justitie gehoord. Tevens is de veroordeelde gehoord, bijgestaan door zijn raadsman mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht.

2. Het standpunt van de officier van justitie

De vordering van de officier van justitie, na vermindering bij repliek, strekt tot het aan de veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van € 227.764,00, te vermeerderen met de gegenereerde rente over de in conservatoir beslag genomen geldmiddelen vanaf 5 maart 2008 en te verminderen met de waarde van de in beslag genomen Seat Leon (in redelijkheid te stellen op € 10.000,00) en het in de Renault Megane aangetroffen en eveneens in beslag genomen geldbedrag van € 14.400,00 .

Dit bedrag is, blijkens het proces-verbaal van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, tot stand gekomen door middel van een berekening, waarbij gebruik is gemaakt van een zogenoemde uitgebreide kasopstelling. Bij een dergelijke kasopstelling worden de totale contante en girale uitgaven afgezet tegen de beschikbare legale contante en girale gelden, over een bepaalde periode, in dit geval over de periode van 1 januari 2005 tot en met 17 juli 2007. De berekening ziet er als volgt uit:

- € 44,00 zijnde het beginsaldo van legaal contant en giraal geld d.d. 1 januari 2005

en

- € 25.470,00 zijnde de legale ontvangsten van veroordeelde over voornoemde periode; ;

minus

- € 47.165,00 zijnde de feitelijke uitgaven van veroordeelde over voornoemde periode

en

- € 206.113.00 zijnde het eindsaldo contant en giraal geld op 17 juli 2007.

De uitkomst hiervan bedraagt € 227.764,00. Blijkens de conclusie van repliek van de officier strekt hierop in mindering € 10.000,00 (waarde Seat Leon) en € 14.400,00 (in beslag genomen geldbedrag). Aldus bedraagt de hoogte van de vordering per saldo € 203.364,00.

3. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bij antwoord gesteld dat:

1. de periode waarover het wederrechtelijk verkregen voordeel ontnomen kan worden, dient te worden beperkt tot de periode waarin de veroordeelde door het gerechtshof is veroordeeld, nu onvoldoende aannemelijk is dat veroordeelde in de periode 1 januari 2005 tot 1 januari 2006 voordeel uit andere strafbare feiten heeft verkregen. Deze bewezenverklaarde periode betreft 1 januari 2006 tot en met 17 juli 2007. Dit leidt tot een vermindering van het vermeend wederrechtelijk verkregen voordeel met € 4.434,00.

Indien de rechtbank dit standpunt niet volgt dient het bedrag betreffende de aankoop van de Renault Megane gematigd te worden tot € 1.200,00, nu veroordeelde deze uitgave deels heeft gefinancierd met de verkoop van zijn oude auto (€ 800,00) en zijn WWB-uitkering (€ 400,00) en het overige deel (€ 2.400,00) door zijn vriendin is gefinancierd;

2. ten aanzien van de bedragen, aangetroffen op bankrekeningen in Marokko, ad

€ 95.017,00 en € 90.757,00 niet uitgesloten kan worden dat deze afkomstig zijn van de vader van veroordeelde en een legale herkomst hebben. Derhalve dient het in het proces-verbaal genoemde eindsaldo zich te beperken tot een negatief saldo van

€ 166,00;

3. bij de berekening van de feitelijke uitgaven te weinig rekening is gehouden met de persoonlijke omstandigheden van veroordeelde, te weten: het regelmatig eten bij familie en een lager gemiddeld inkomen over 2006, namelijk € 660,67 per maand in plaats van de gehanteerde € 1.000,00 per maand. Het bedrag dat als uitgave is opgenomen voor voeding dient derhalve gematigd te worden;

Op grond van het bovenstaande concludeert de verdediging dat het wederrechtelijk verkregen voordeel gematigd dient te worden tot – maximaal – een bedrag van € 17.051,97.

4. De beoordeling

De rechtbank acht de uitgangspunten in het rapport “berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling” voldoende onderbouwd en maakt deze tot de hare.

De rechtbank zal vervolgens meer specifiek ingaan op hetgeen door de verdediging is aangevoerd.

Ad 1

Het meest verstrekkende verweer van de verdediging heeft betrekking op de periode waarover de berekening is gemaakt. Dit verweer miskent dat de vordering van de officier van justitie haar grondslag vindt in artikel 36e lid 3 van het Wetboek van Strafrecht.

Ingevolge dit artikel kan aan de veroordeelde, die is veroordeeld wegens misdrijven waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel indien, gelet op het strafrechtelijk financieel onderzoek aannemelijk is dat de betrokkene ook uit andere strafbare feiten (dan de bewezen verklaarde feiten) op enigerlei wijze wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

Het standpunt dat ontneming op grond van artikel 36e, derde lid van het Wetboek van Strafrecht slechts mogelijk is indien er aanwijzingen zijn die moeten blijken uit wettige bewijsmiddelen dat er andere strafbare feiten zijn begaan, vindt geen steun in het recht. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 14 september 1999 (LJN: ZD1534) moet aannemelijk zijn dat de in artikel 36e, derde lid van het Wetboek van Strafrecht bedoelde strafbare andere feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Enige betrokkenheid van veroordeelde bij de andere strafbare feiten die tot voordeelsverkrijging hebben geleid hoeft niet te worden vastgesteld. Dit betekent dat er geen reden is de berekening te beperken tot de bewezen verklaarde feiten of de bewezen verklaarde periode.

De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat de veroordeelde ook uit andere strafbare feiten dan die waarvoor hij is veroordeeld wederrechtelijk voordeel heeft genoten. Dit volgt uit het feit dat zijn uitgaven zijn legale inkomsten ruimschoots overschrijden in de onderzochte periode, zoals blijkt uit de analyse die in het rapport “berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling” is gegeven.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair gestelde overweegt de rechtbank dat de aanschafwaarde van de auto (Renault Megane) is gesteld op € 3.600,00, hetgeen niet door de verdediging wordt betwist. Uit de verklaring van de toenmalige vriendin van veroordeelde blijkt dat zij veroordeelde destijds € 900,00 heeft gegeven voor de aankoop van de betreffende auto. Daarmee komt zij terug op haar eerder afgelegde verklaring dat zij voor € 2.400,00 heeft bijgedragen aan de auto. Om die reden is in de berekening van de officier als uitgave van de veroordeelde voor de desbetreffende auto een bedrag van

€ 2.700,00 (€ 3.600,00 min € 900,00) opgenomen. De rechtbank ziet geen reden niet uit te gaan van de door de vriendin van de veroordeelde in latere instantie afgelegde verklaring. De rechtbank verwerpt ook het onder 1 gevoerde subsidiaire verweer van de raadsman.

Ad 2 Banktegoeden Marokko.

De rechtbank is van oordeel dat door veroordeelde niet aannemelijk is gemaakt dat de banktegoeden in Marokko, op naam van veroordeelde, afkomstig zijn uit legale inkomsten dan wel afkomstig zijn van zijn vader.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en verwijst hiervoor naar de overwegingen die de rechtbank in het vonnis van 25 september 2009 en het gerechtshof oordelend over de strafzaak hieraan hebben gewijd. De veroordeelde heeft niets aangevoerd wat tot een ander oordeel zou kunnen leiden maar volstaat met een herhaling van ook al in de strafzaak door hem aangevoerde argumenten.

Ad 3 Feitelijke uitgaven voeding

De officier is in haar berekening uitgegaan van de voor de veroordeelde geldende nibud-normen (alleenstaande met minimuminkomen). De rechtbank acht dit uitgangspunt voldoende onderbouwd en ziet in het standpunt van de verdediging geen aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot de volgende uitgangspunten en berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode 1 januari 2005 tot en met 17 juli 2007:

- € 44,00 zijnde het beginsaldo van contant en giraal geld d.d. 1 januari 2005

en

- € 25.470,00 zijnde de legale ontvangsten van veroordeelde over voornoemde periode;

minus

- € 47.165,00 zijnde de feitelijke uitgaven van veroordeelde over voornoemde periode

en

- € 206.113.00 zijnde het eindsaldo contant en giraal geld op 17 juli 2007

De rechtbank houdt rekening met het bedrag van € 14.400,00, aangetroffen in de Renault Megane, welk bedrag door de officier van justitie bij haar conclusie van repliek in mindering is gebracht op haar oorspronkelijke vordering.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de tegenwaarde van de in beslag genomen Seat Leon, door de officier van justitie gesteld op € 10.000,00, nu de verdediging die waarde niet heeft betwist. Deze bedragen zullen in mindering worden gebracht op de uiteindelijke vordering.

Dit betekent dat de rechtbank het totale wederrechtelijk verkregen voordeel dat veroordeelde heeft behaald vaststelt op: € 203.364,00. De rechtbank zal aan de veroordeelde de verplichting opleggen dit bedrag aan de staat te betalen, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Beide bedragen zullen worden vermeerderd met de gegenereerde rente over de in conservatoir beslag genomen geldmiddelen vanaf 5 maart 2008.

5. De beslissing

De rechtbank stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 203.364,00, te vermeerderen met de gegenereerde rente over de conservatoir in beslag genomen geldmiddelen vanaf 5 maart 2008.

Zij legt [verdachte] de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 203.364,00, te vermeerderen met de gegenereerde rente over de conservatoir in beslag genomen geldmiddelen vanaf 5 maart 2008, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit vonnis is gewezen door M.A.A.T. Engbers, voorzitter, mr. J.R. Krol en mr. J.P. Killian, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier G. van Engelenburg en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 8 september 2011.