Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BS1182

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
05-09-2011
Datum publicatie
09-09-2011
Zaaknummer
16.600467-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen diefstal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16.600467-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 5 september 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1976] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsman mr. J.G.M. Dassen, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 22 augustus 2011, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 9 mei 2011 samen met anderen heeft ingebroken in Het Lieve Vrouwetheater in Amersfoort en daarbij een kluis met daarin een geldbedrag van ongeveer

€ 12.300,-- en een groot aantal waardebonnen heeft gestolen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het feit samen met anderen heeft gepleegd. Zij baseert zich daarbij op de aangifte, de camerabeelden en de bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. De raadsman heeft aangevoerd dat de rol die blijkt uit de consistent afgelegde verklaringen van verdachte duidt op medeplichtigheid en niet op medeplegen. Verdachte heeft zich slechts beziggehouden met het op de uitkijk staan tijdens de inbraak en het vervoeren van de kluis na afloop van de inbraak. Nu alleen medeplegen tenlaste is gelegd moet verdachte van het tenlastegelegde worden vrijgesproken.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Namens het Lieve Vrouwetheater, gelegen aan de Lieve Vrouwestraat 13 te Amersfoort, doet [aangever] op 9 mei 2011 aangifte van een inbraak in genoemd pand. Hij verklaart dat het Lieve Vrouwetheater en bijbehorend filmcafé op 9 mei 2011 omstreeks 01.30 uur is afgesloten door het personeel en dat omstreeks 7.30 uur door een collega van hem is ontdekt dat er die nacht een inbraak had plaatsgevonden. [aangever] verklaart dat hij zag dat de stalen deur van de brandvrije kast in het kantoor was geopend, dat de slotplaat was omgebogen en dat er diverse gaten in de plaat zaten. De cilinder van het slot lag op de grond voor de geopende kast. De kluis die op de bodem van de brandvrije kast middels keilbouten aan de vloer en aan de muur was bevestigd was verdwenen, enkele keilbouten lagen op de grond voor de kast. In de kantoorruimte was een kast opengebroken: het hangslot was geforceerd en de schuifdeur stond open. Een kluisje dat normaliter in de brandvrije kast stond was opengebroken en lag op de grond. In de weggenomen kluis zaten 100 stuks VVV-bonnen, 50 stuks bioscoopbonnen, 50 stuks biebbonnen, 20 stuks theaterbonnen, een geldbedrag van € 6.300,- van het café en een geldbedrag van € 6.000,- van het theater.

Verdachte heeft bekend dat hij samen met anderen betrokken is geweest bij deze inbraak. Hij verklaart met zijn medeverdachten naar Amersfoort te zijn gereden en vanaf een parkeerterrein naar het Lieve vrouwetheater te zijn gelopen. Het was nacht toen ze met de inbraak begonnen. Ze spraken af dat medeverdachte [medeverdachte 1] en verdachte buiten het theater op de uitkijk zouden staan, terwijl verdachtes broertje [medeverdachte 2] en het neefje van [medeverdachte 1] met de naam [medeverdachte 3] het theater ingingen om de kluis op te halen. Toen hen dat met z’n tweeën niet lukte, is ook [medeverdachte 1] het pand binnen gegaan en heel kort daarna kreeg verdachte het telefoontje dat hij zijn auto achterom kon rijden. Vervolgens hebben ze de kluis in verdachtes auto gezet en naar de schuur van medeverdachte [medeverdachte 1] gebracht. Later op de dag hebben ze de kluis overgebracht naar een garage in Zeist met het doel om hem daar open te breken.

Aanvullende bewijsoverweging

Op grond van het hiervoor weergegeven bewijs acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij de inbraak van het Lievevrouwetheater op 9 mei 2011. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag hoe de rol die verdachte daarbij heeft ingenomen dient te worden gekwalificeerd. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van medeplegen dan wel medeplichtigheid is met name van belang de mate van betrokkenheid bij de activiteiten voorafgaande aan het delict en bij de verdere uitvoering van het misdrijf. Van medeplegen is sprake in het geval twee of meer personen gezamenlijk een strafbaar feit plegen en een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachten, dan wel een gezamenlijke uitvoering van het strafbare feit heeft plaatsgevonden. Niet noodzakelijk is daarbij dat alle delictsbestanddelen door alle betrokkenen vervuld zijn.

Verdachte heeft over de samenwerking verklaard dat hij niet meer precies weet wie van hen als eerste met het plan kwam om een inbraak te plegen, maar dat ze over de gang van zaken werkafspraken hebben gemaakt. Verdachte en [medeverdachte 1] zouden op de uitkijk blijven staan, omdat zij beiden een gezin hebben en - zo begrijpt de rechtbank deze opmerking - minder risico wilden lopen op betrapping. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] gingen naar binnen, maar toen het hen niet lukte om de kluis met zijn tweeën naar buiten te krijgen is ook [medeverdachte 1] het pand ingegaan. Verdachte heeft vervolgens zijn auto naar de medeverdachten gereden en gezamenlijk hebben zij de kluis in de auto gezet en vervoerd naar de schuur van [medeverdachte 1]. Later op de dag hebben hij en [medeverdachte 1] de kluis vervoerd naar de garage in Zeist, waar ook zijn broertje [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] aanwezig waren op het moment dat werd geprobeerd de kluis open te slijpen.

Op grond van de inhoud van deze verklaring is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking en gezamenlijke uitvoeringshandelingen. In de aanloop naar het strafbare feit zijn werkafspraken gemaakt over de rolverdeling, maar de rechtbank is van oordeel dat deze werkafspraken meer praktisch van aard waren dan dat zij een hiërarchisch lijn aangeven, dan wel de mate van betrokkenheid bij het plegen van het feit weerspiegelen. Dit blijkt uit het verloop van de gebeurtenissen: wanneer het medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] niet lukt om de kluis uit het pand te krijgen, gaat medeverdachte [medeverdachte 1] - ondanks de gemaakte afspraak - toch het pand binnen. Gedurende de gehele uitvoering van het delict - van het ontvreemden van de kluis tot de poging tot openslijpen van de kluis - zijn zowel verdachte, als zijn medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] aanwezig en zijn zij op enige wijze betrokken bij de uitvoering. Op grond hiervan acht de rechtbank het bestanddeel van medeplegen bewezen.

Concluderend acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een diefstal met braak en verbreking, tezamen en in vereniging gepleegd.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 09 mei 2011 te Amersfoort tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een pand (gelegen aan de Lieve Vrouwestraat 13) heeft weggenomen een kluis met daarin een groot aantal bioscoop- en VVV- en theater- en biebbonnen en een geldbedrag van (ongeveer) EURO 12.300,-, toebehorende aan Het Lieve Vrouwetheater, in elk geval aan anderen dan aan verdachte en zijn mededaders, waarbij verdachte en zijn mededaders de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak op en/of verbreking van een slot

van de deur van een brandvrije kast in het pand en/of een hangslot van een

kast en/of (de bevestiging van) kluizen;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van de periode die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van een maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en met de bijzondere voorwaarde van verplicht contact met de reclassering.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de door de officier van justitie gevorderde straf niet overeenkomt met de door het LOVS vastgestelde oriëntatiepunten voor een bedrijfsinbraak. Op basis van die oriëntatiepunten is een lagere straf op zijn plaats, aldus de raadsman. De gevolgen die dit feit voor de verdachte heeft gehad: het persoonlijke verlies van zijn lievelingsbroertje en het effect van het gebeuren op verdachtes gezondheid maken het recidiverisico klein. De raadsman heeft betoogd dat er om die reden geen noodzaak is om verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen, met daaraan verbonden een verplicht reclasseringscontact.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een inbraak in een theater, waarbij een kluis met een groot geldbedrag en diverse waardebonnen zijn buitgemaakt.

Het spreekt voor zich dat de door dit feit ontstane materiële schade groot is geweest. Bij het wegnemen van geld en goederen uit het theater werd ook de kantoorinrichting beschadigd. Voor diverse medewerkers van het Lieve Vrouwentheater heeft dit tot ergernis en ongemak geleid. De eigenaar van het Lieve Vrouwentheater en bijbehorend filmcafé heeft bovendien als gevolg van dit feit schade geleden. De ontvreemde kluis met daarin een totaalbedrag van € 12.300,- en een paar duizend euro aan waardebonnen is tot op heden niet teruggevonden en vormt als zodanig een grote schadepost.

De rechtbank overweegt dat zij een dergelijk feit niet aanmerkt als een ‘gewone’ bedrijfsinbraak waarvoor het LOVS als oriëntatiepunt 6 weken gevangenisstraf heeft vastgesteld. Strafverzwarend acht de rechtbank het gegeven dat verdachte het feit niet alleen, maar samen met anderen heeft gepleegd. Daarnaast overweegt de rechtbank dat sprake is geweest van een aanzienlijke buit en dat om een dergelijke diefstal te kunnen plegen een gedegen voorbereiding vereist is, zoals ook uit de beschrijving van de camerabeelden tussen 22:05 en 00:19 uur en uit de verklaring van verdachte dat zijn broer [medeverdachte 2] al eerder op de plaats van het delict was gaan kijken. De rechtbank ziet hierin de noodzaak af te wijken van de vastgestelde oriëntatiepunten.

Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafmaat rekening met de tragische afloop die deze kluiskraak heeft gehad voor verdachtes broer [medeverdachte 2], die bij het openslijpen van de kluis een dodelijk ongeval heeft gehad. Dat deze gebeurtenis grote indruk op verdachte heeft gemaakt en dat hij als gevolg daarvan nog steeds kampt met gezondheidsproblemen en schuldgevoelens acht de rechtbank zeer goed voorstelbaar. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel op dit moment niet noodzakelijk is. De rechtbank neemt daarbij de coöperatieve opstelling van verdachte gedurende het strafrechtelijk onderzoek en op de terechtzitting in aanmerking, als ook het feit dat uit het uittreksel uit het justitieel documentatieregister van verdachte d.d. 12 juli 2011 blijkt, dat verdachte al sinds enkele jaren niet meer is veroordeeld voor strafbare feiten. Tenslotte heeft de rechtbank gelet op de inhoud van een over verdachte opgemaakt reclasseringsadvies d.d. 3 augustus 2011.

Alles overwegende acht de rechtbank een werkstraf van 240 uur passend en geboden, die indien niet of niet volledig verricht zal worden vervangen door 120 dagen hechtenis.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d en 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag;

Voorlopige hechtenis

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van de dag dat dit vonnis onherroepelijk wordt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Maanen, voorzitter, mr. R.P. den Otter en mr. M.H.L. Schoenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Scheffer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 5 september 2011.

Mr. Schoenmakers was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.