Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR6966

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-09-2011
Datum publicatie
07-09-2011
Zaaknummer
16/504118-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

GBM gevraagd, niet opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/504118-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 september 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1993] te [geboorteplaats],

thans verblijvende in de Willem Arntsz Hoeve, afdeling Barentsz,

Dolderseweg 164, 3734 BN te Den Dolder.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2011, 14 juni 2011 en

23 augustus 2011. De verdachte is telkens in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. S.I. Fonds, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van de standpunten door de raadsvrouwe van verdachte en door verdachte zelf naar voren gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van haar ex-vriend, door hem met een mes te steken.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen gelet op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen en de bekennende verklaring van verdachte.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld, dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 14 juni 2011;

- de aangifte van [slachtoffer].

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 27 januari 2011 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] met een mes in de zij heeft gestoken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Poging tot zware mishandeling.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft zich over de persoon van verdachte laten voorlichten door drs. C.M.A. van Laarhoven, klinisch psycholoog en dr. M. Wiznitzer, kinder- en jeugdpsychiater, die beiden op 27 april 2011 een rapport hebben uitgebracht.

Uit het rapport van Van Laarhoven blijkt, dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens. Er is volgens Van Laarhoven sprake van trekken van een borderlinepersoonlijkheidsstoornis, ouder-kindproblemen en alcoholmisbruik. Verdachte kan als verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd, aldus Van Laarhoven.

Uit het rapport van Wiznitzer blijkt, dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in de vorm van ADHD, een gedragsstoornis en van een gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens in de vorm van een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met borderline trekken. Gezien haar voorgeschiedenis, haar gebrekkige woedebeheersing en haar impulsiviteit wordt de kans op recidive in de relationele sfeer zonder behandeling als hoog ingeschat. Volgens Wiznitzer heeft verdachte de gevolgen van haar handelen niet goed kunnen overzien. Hij adviseert om verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank neemt de conclusie van de deskundigen met betrekking tot de verminderde toerekenbaarheid over een maakt die tot de hare.

Verdachte is strafbaar, omdat ook overigens niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen jeugddetentie gelijk aan de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en de gedragsbeïnvloedende maatregel voor de duur van een jaar, met als bijzondere voorwaarden de maatregel Hulp en Steun en (voortzetting van de) behandeling in de Barentsz-kliniek.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, hoewel verdachte zeer gemotiveerd is voor behandeling, aan de gedragsbeïnvloedende maatregel bezwaren kleven. Zo vindt geen aftrek plaats van de tijd die reeds in voorlopige hechtenis is doorgebracht en bij mislukken van de maatregel zal vervangende jeugddetentie voor de duur van een jaar kunnen worden toegepast, hetgeen disproportioneel voorkomt, aldus de verdediging.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het strafbare feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, evenals de persoon zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van de na te noemen rapporten is gebleken. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie met betrekking tot verdachte d.d. 7 juli 2011, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden niet eerder met justitie in aanraking is gekomen. De rechtbank merkt op dat gezien de emotionele afhankelijkheid van verdachte ten opzichte van haar ex-vriend en het leeftijdsverschil tussen beiden, het op de weg van aangever had gelegen om zijn verantwoordelijkheid in deze te nemen en de sexuele verhouding met verdachte te beëindigen. Zij voelde zich door hem misbruikt en tijdens een ruzie hierover heeft verdachte haar ex-vriend met een mes in het bovenlichaam gestoken. Dat het letsel beperkt is gebleven, is niet aan verdachte te danken. Dit is een ernstig strafbaar feit en verdachte verdient hiervoor straf.

De rechtbank heeft kennis genomen van de over verdachte opgemaakte rapporten van de eerder genoemde Van Laarhoven en Wiznitzer en een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 19 augustus 2011, opgesteld door E. Sengul; ter terechtzitting heeft mevrouw Sengul haar rapport toegelicht. Het standpunt van Bureau Jeugdzorg Utrecht is ter terechtzitting verwoord door de heer M. van der Steen.

Naast hetgeen in de rapporten van Van Laarhoven en Wiznitzer is opgemerkt over de geestesgesteldheid van verdachte, waarover de rechtbank reeds onder het kopje ‘de strafbaarheid van de verdachte’ heeft overwogen en waarnaar zij hier verwijst, wordt in voornoemde rapporten het opleggen van een gedragsbeïnvloedende maatregel geadviseerd, gelet op de door beide gedragsdeskundigen als hoog ingeschatte recidivekans en de behoefte aan stevige begeleiding. Voor de invulling van de GBM is behandeling in de ortho-psychiatrische behandelsetting van de Barentsz-kliniek aangewezen.

Zowel de Raad voor de Kinderbescherming als Bureau Jeugdzorg pleiten ook voor voortzetting van de reeds ingezette behandeling bij de Barentsz-kliniek. Door de heer Van der Steen is verklaard, dat de behandeling van verdachte een positieve ontwikkeling laat zien.

In afwijking van de adviezen en de strafeis van de officier van justitie zal de rechtbank echter niet overgaan tot het opleggen van de gedragsbeïnvloedende maatregel. Uit voornoemde rapporten blijkt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende dat juist de gedragsbeïnvloedende maatregel geschikt is om de bij verdachte geconstateerde problematiek op te lossen bezien in het licht van de ernst van het begane misdrijf en het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte. De voorgestelde voortzetting van het de behandeling bij de Barentsz-kliniek kan naar het oordeel van de rechtbank ook gerealiseerd worden door deze therapie en behandeling te laten geschieden in het kader van een bijzondere voorwaarde die wordt gekoppeld aan een door de rechtbank op te leggen voorwaardelijke straf.

De rechtbank is van oordeel dat in het licht van een redelijke opbouw van na elkaar op te leggen straffen en maatregelen en de tot dusver gebleken inzet van verdachte zelf thans een strafvorm de voorkeur verdient die evengoed recht doet aan alle genoemde omstandigheden. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook een forse voorwaardelijke jeugddetentie met als bijzondere voorwaarde toezicht van de jeugdreclassering, met voortzetting van de behandeling bij de Barentsz-kliniek binnen de maatregel Hulp en Steun in deze situatie meer passend.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 1.250,00.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 500,00 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 Het beslag

8.1 De onttrekking aan het verkeer

Het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat het feit is begaan met behulp van dit voorwerp.

8.2 De teruggave

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp aan [slachtoffer], omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 45, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 302 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5.1 genoemde strafbare feit oplevert;

- verklaart verdachte daarvoor strafbaar;

Strafoplegging

veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van negen maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die in het kader van de maatregel Hulp en Steun worden gegeven door of namens Bureau Jeugdzorg afdeling Jeugdreclassering;

* dat verdachte meewerkt aan de behandeling bij de Barentsz-kliniek te Den Dolder of een soortgelijke instelling en aan psychiatrische begeleiding, zolang als de behandelaars dat noodzakelijk achten; voorzover verdachte klinisch moet worden behandeld bij de Barentszkliniek of een soorgelijke instelling is die duur niet langer dan het eerste jaar van de proeftijd.

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de eventuele tenuitvoerlegging van de opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomen voorwerp, te weten: een mes;

Beslag

- gelast de teruggave aan [slachtoffer] van het inbeslaggenomen voorwerp, te weten: een stofzuigerslang;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 500,00, ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], € 500,00 te betalen, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 10 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Voorlopige hechtenis:

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Veldhuijzen, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. J.E. Kruijff-Bronsing en mr. P.W.G. de Beer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. van Wageningen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 6 september 2011.

Mr. Veldhuijzen is buiten staat dit vonnis mee te ondertekenen.