Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR6658

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
30-08-2011
Datum publicatie
05-09-2011
Zaaknummer
16/710310-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van de ten laste gelegde opzettelijke brandstichting vanwege het ontbreken van wettig bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/710310-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 augustus 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1936] te [woonplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 8 en 16 augustus 2011. De verdachte is steeds in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. T.J. Roest Crollius, advocaat te Woerden.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van de standpunten door de raadsman van verdachte en door verdachte zelf naar voren gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht in haar woning, waardoor er gevaar voor die woning en de naastgelegen woningen is ontstaan en er levensgevaar was voor de bewoners van die naastgelegen woningen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld, dat de grote hoeveelheid brandhaarden en de verspreidheid daarvan wijzen op (voorwaardelijk) opzet op brandstichting. Aangezien verdachte volgens haar eigen verklaring en die van haar echtgenoot alleen thuis was, kan het niet anders dan dat zij degene geweest is die de brand heeft gesticht.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en heeft daartoe aangevoerd, dat uit het handelen van verdachte noch uit haar verklaring kan worden vastgesteld dat zij het risico van brand willens en wetens heeft aanvaard. Ook uit de overige zich in het dossier bevindende informatie kan niet worden afgeleid dat sprake is geweest van voorwaardelijk opzet bij verdachte.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt ten aanzien van het tenlastegelegde als volgt.

Vast staat, dat op 2 januari 2011 om 17.53 uur bij de politie de melding van een getuige binnen is gekomen, dat een gordijn in brand stond op de eerste verdieping van de woning aan de [adres] in [woonplaats]. De politie is snel ter plaatse en ziet inderdaad dat op de eerste verdieping een gordijn voor een raam in brand staat en dat er binnen ook een brand woedt tegen de voordeur aan. De brandweer forceert de voordeur en treft verdachte buiten kennis liggend op de bank aan. Zij wordt overgebracht naar het ziekenhuis. Verder is er niemand in de woning aanwezig. Het loopproces-verbaal vermeldt dat de brandweer constateerde dat de kranen van vier gaspitten in de keuken open stonden en dat deze door de brandweer zijn dicht gedraaid. Waarom er geen ontploffing is ontstaan, is pas tijdens de terechtzitting duidelijk geworden.

Een proces-verbaal van bevindingen van de brandweer ontbreekt geheel. Daarom is niet duidelijk welke situatie de brandweer in de woning aantrof, op welke plaatsen het nog brandde, of op sommige plekken het vuur alweer gedoofd was en zo ja, op welke wijze, in welke volgorde of op welke tijdstippen de brandjes gesticht moeten zijn, of er lucifers dan wel aansteker(s) gevonden zijn, of er al dan niet sporen van brandversnellers zijn aangetroffen, of de gaskranen openstonden, of de gasbranders in werking waren of dat het gas het huis instroomde, hoe de ontsteking van het gasfornuis werkt, enzovoorts. Er is evenmin een proces-verbaal van bevindingen, waarin beschreven wordt of verdachte beroete handen of roet op haar kleding had.

Ook wordt niet duidelijk vanaf welk tijdstip verdachte alleen in huis was. Haar echtgenoot verklaart die middag nog in huis te zijn geweest, maar vermeldt niet hoe laat en hoe lang. Ook bij de buren is hier geen navraag naar gedaan. Een onbekend gebleven getuige verklaart tegen de politie, dat haar dochter die middag al om 16.30 uur rook bij de woning gezien heeft. Omdat dit niet paste in het beeld dat de politie zich gevormd had, meende de politie dat de getuige zich vergist had en is deze informatie niet nader onderzocht.

Technisch rechercheur [A] stelt de volgende dag een onderzoek in de woning aan de [adres] in en beschrijft op de eerste etage en op de begane grond in totaal negen brandhaarden zonder technische oorzaak. Hij vermeldt als "informatie" dat de brandweer meerdere brandhaarden geblust heeft en dat van het gasfornuis de branderknoppen openstonden, waardoor er gas uit stroomde. Wat zijn bron van wetenschap is, blijft geheel onduidelijk. Hij acht het "zeer aannemelijk" dat verdachte in een depressieve gemoedstoestand open vuur heeft aangebracht op/aan de brandhaarden met het oogmerk om brand te stichten.

In de afvalbak worden leeg gedrukte medicijnstrips en doosjes van medicijnen aangetroffen, die de rechercheur kwalificeert als "antidepressiva". Ook de psychiater lijkt hierdoor op het verkeerde been te zijn gezet. Er is echter geen onderzoek verricht naar de aard van de medicijnen, de wijze waarop de verpakkingen in de afvalbak terecht gekomen zijn en de vraag of verdachte deze medicijnen kort voordat de brand uitbrak heeft ingenomen. De rechtbank neemt op de foto's waar, dat het gaat om doosjes van medicijnen tegen botontkalking, een ontstekingsremmer, een bloedverdunner en een in- en doorslaapmiddel. Geen antidepressiva dus. Ook ontbreekt de uitslag van bloedonderzoek in het ziekenhuis, waaruit zou kunnen blijken, welke medicatie in welke hoeveelheid verdachte op 2 januari 2011 heeft ingenomen.

Verdachte zelf herinnert zich slechts, zoals blijkt uit het proces-verbaal van haar verhoor op 1 februari 2011, dat zij op 2 januari 2011 een einde aan haar leven wilde maken. Ze stak het gas aan en merkte dat de lamellen in brand vlogen. Ze zag heel veel rook en dacht dat dat gifgas was. Ze ging liggen in de huiskamer, in de hoop dat zij bedwelmd zou raken en zou overlijden. Van de andere brandhaarden zegt zij niets te weten. Enig technisch bewijs hieromtrent ontbreekt.

Ter zitting verklaarde verdachte, dat zij – toen de gasflessen in het schuurtje leeg bleken te zijn – door de schuifpui weer naar binnen kwam en de knoppen van het gasfornuis opendraaide. Het was een nieuw gasfornuis, waar zij nog niet vertrouwd mee was. De branders gingen meteen aan, zodat er geen gas wegstroomde. Ze vermoedt dat zij ongewild de lamellen over haar schouder mee naar binnen heeft genomen en dat die – doordat zij zich omdraaide – door de plotselinge vlammen van de gasbranders in brand gevlogen zijn, want ze zag ineens veel rook. De rechtbank acht dit scenario met betrekking tot de brand van de lamellen zeer wel mogelijk.

De vraag is of dit handelen van verdachte als opzettelijke brandstichting kan worden gekwalificeerd. De rechtbank is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord.

Ook het feit, dat zij vervolgens is gaan liggen in plaats van de brand te doven, betekent naar het oordeel van de rechtbank nog niet, dat haar opzet gericht was op brandstichting, ook niet in de vorm van voorwaardelijk opzet. Wellicht zou gesteld kunnen worden, dat de brand van de lamellen in de keuken aan de schuld van verdachte te wijten is, maar die variant heeft de officier van justitie niet ten laste gelegd.

Zoals gezegd is voor het opzettelijk aansteken van de overige brandhaarden in de woning door verdachte onvoldoende wettig bewijs voorhanden. Er zijn geen getuigenverklaringen, de foto's vormen geen bewijs tegen verdachte en een deskundigenrapport ontbreekt. Alleen de doodswens van verdachte en het feit, dat zij als enige in de woning is aangetroffen, is voor het bewijs van de opzet van verdachte onvoldoende. De rechtbank merkt daarbij overigens op dat verdachte niet heeft gemerkt, dat haar man die middag wel degelijk binnen is geweest. De mogelijkheid blijft dus open dat niet verdachte, maar iemand anders deze brandjes wellicht eerder die middag gesticht heeft. Niet blijkt immers uit het dossier of de woning behalve via de voordeur, ook via een andere toegang te betreden was en of deze op slot zat of niet. Daarbij komt dat een onbekend gebleven getuige al anderhalf uur voordat de politie ter plaatse kwam rook bij de woning zou hebben gezien.

Het heropenen van het onderzoek, opdat een nader technisch onderzoek door de brandweer of de politie zou kunnen worden gedaan, acht de rechtbank thans niet meer zinvol.

Daarom zal de rechtbank verdachte wegens het ontbreken van wettig bewijs vrijspreken van de opzettelijke brandstichting in haar woning.

Uit de rapportage die over haar persoon is opgemaakt blijkt wel, dat verdachte grote persoonlijke en psychiatrische problemen kent. Het suïcidegevaar wordt groot geacht en daarmee kan zij tevens risico opleveren voor haar omgeving. Nu haar strafzaak in een vrijspraak eindigt, kan zij in het kader van de strafoplegging niet in een gedwongen kader geholpen worden. Het komt de rechtbank echter geraden voor dat een spoedige plaatsing van mevrouw in een psychiatrisch centrum wordt gerealiseerd, zodat zij daar de behandeling kan krijgen die zij nodig heeft, zonodig binnen het gedwongen kader van bijvoorbeeld de BOPZ.

5 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit;

Voorlopige hechtenis

- heft op het – reeds geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Veldhuijzen, voorzitter, mr. E.A.A. van Kalveen en

mr. I. Bruna, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. van Wageningen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 30 augustus 2011.