Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2011:BR6562

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
02-09-2011
Datum publicatie
02-09-2011
Zaaknummer
10/1212
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen vrijstelling en bouwvergunning voor het vernieuwen en vergroten van een flatgebouw aan Nijenheim in Zeist. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder in hetgeen eisers hebben aangevoerd aanleiding had moeten zien om de vrijstellingsbevoegdheid niet te gebruiken. Eisers beroepen zich daarnaast op het feit dat door het bouwplan de groene zone langs de Zeister Grift in onevenredige mate wordt aangetast. De rechtbank overweegt naar aanleiding hiervan dat het aannemelijk is dat de leefomgeving ten gevolge van het bouwplan geconfronteerd zal worden met veranderingen. Verweerder heeft zich echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan niet zodanige inbreuk maakt op de belangen van omwonenden dat de gevraagde vrijstelling hierom geweigerd zou moeten worden. Ook de andere beroepsgronden van eisers slagen niet. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 10/1212

uitspraak van de enkelvoudige kamer

inzake

Werkgroep Natuurlijk Zeist-West en Stichting Bewonersplatform Brugakker

gevestigd te Zeist,

eisers,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zeist,

verweerder.

Inleiding

1.1 Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 26 februari 2010, waarbij verweerder, met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), aan Stichting De Seyster Veste (verder: vergunninghouder) vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en bouwvergunning is verleend voor het vernieuwen en vergroten van een flatgebouw op het perceel, kadastraal bekend gemeente Zeist, sectie N, nummers 5187 en 6564 (ged.), plaatselijk bekend als Nijenheim 4101 t/m 4809 te Zeist (verder: het perceel).

1.2 Het beroep is behandeld ter zitting van 10 juni 2011, waar eisers zijn verschenen bij gemachtigden E. Schuler en E.B.C. Mangé. Namens verweerder zijn verschenen mr. H.J. Kolff en ir. D.T. Melman, beiden werkzaam bij de gemeente Zeist. Vergunninghouder is verschenen bij gemachtigde mr. J.S. Haakmeester, advocaat te Baarn, en H. Scholtalbers, projectmanager.

Overwegingen

2.1 Op 30 juni 2008 heeft vergunninghouder een aanvraag om bouwvergunning ingediend ten behoeve van het vernieuwen en vergroten van een flatgebouw op het perceel.

Ten behoeve van het bouwplan is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld. In het kader van de ruimtelijke onderbouwing is de ruimtelijke ontwikkeling tevens getoetst aan de vigerende milieuregelgeving, waarbij onder meer de aspecten parkeren, flora en fauna, luchtkwaliteit, geluid en water aan de orde zijn gekomen.

In een publicatie van 10 juni 2009 heeft verweerder bekendgemaakt voornemens te zijn voor het bouwplan vrijstelling en bouwvergunning te verlenen en dat de betreffende stukken gedurende zes weken ter inzage liggen en dat gedurende die periode zienswijzen kunnen worden ingediend.

Van deze gelegenheid hebben eisers gebruik gemaakt. De zienswijze van eisers zijn door middel van de Zienswijzennota van 29 september 2009 beantwoord.

Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 26 februari 2010 de gevraagde vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO en bouwvergunning verleend.

Toepasselijk recht

Uit het overgangsrecht bij de invoering van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), de opvolger van de WRO, per 1 juli 2008 vloeit voort dat op een verzoek om vrijstelling als de onderhavige, die is gedaan voor deze datum, het recht zoals dat gold ten tijde van de aanvraag van toepassing blijft. Nu het verzoek om vrijstelling dateert van 30 juni 2008 is daarop de WRO van toepassing.

Belanghebbende

2.2 Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

2.3 Blijkens artikel 3, eerste lid, van de statuten van de vereniging Werkgroep Natuurlijk Zeist-West (verder: de Werkgroep), zoals deze luidden ten tijde van het instellen van het beroep, heeft de Werkgroep ten doel: “het bewaren en verbeteren van natuur- en landschapswaarden in het Kromme Rijngebied in het overgangsgebied met de Utrechtse Heuvelrug, in het bijzonder Zeist-West en omgeving”.

In het tweede lid van voornoemd artikel is beschreven hoe de werkgroep tracht dit doel te bereiken.

2.4 De Stichting Bewonersplatform Brugakker (verder: de Stichting) heeft blijkens artikel 2, eerste lid, van haar statuten onder meer ten doel een initiërende, signalerende, stimulerende en communicerende rol te vervullen ten aanzien van alle zaken die de wijk Brugakker, gemeente Zeist, aangaan. Zonder andere zaken uit te sluiten betreft dit: het woon- en leefklimaat, de natuur en het milieu, de cultuur, onderwijs, communicatie en historie, het verkeer en vervoer, wijkverzorgingsfuncties zoals diensten-, medische- en winkelcentra en wijkgerichte gemeentelijke functies, het waterbeheer, orde en veiligheid, stede- en woningbouw, van de wijk Brugakker en de omgeving van de wijk Brugakker in de gemeente Zeist, omringende gemeenten, de provincie Utrecht en het Rijk.

In het tweede lid van dit artikel is beschreven hoe de Stichting haar doel tracht te bereiken.

2.5 Hoewel het doel van de Werkgroep en de Stichting betrekkelijk algemeen is geformuleerd, acht de rechtbank, mede gezien de feitelijke werkzaamheden van de Werkgroep en de Stichting, het voldoende aannemelijk dat het belang waarvoor de Werkgroep en de Stichting in deze procedure opkomt, een belang is dat zij, gelet op die statutaire doelstellingen, in het bijzonder behartigt. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de Werkgroep en de Stichting belanghebbende zijn bij het in geding zijnde besluit.

2.6 Door vergunninghouder is voorts aangevoerd dat er geen besluit is van de algemene vergadering van de Werkgroep, waaruit blijkt dat besloten is tot het instellen van beroep tegen het besluit van verweerder van 26 februari 2010. Om die reden kan de Werkgroep naar de mening van vergunninghouder niet worden ontvangen in het ingestelde beroep.

De rechtbank volgt vergunninghouder hierin niet, nu in artikel 12 van de Statuten is vermeld dat de vereniging uitsluitend in en buiten rechte wordt vertegenwoordigd door het gehele bestuur en door de voorzitter en de penningmeester of de voorzitter en de secretaris gezamenlijk. Nu het beroep is ingediend door de voorzitter en de secretaris gezamenlijk - door hen is immers aan E. Schuler volmacht verleend om beroep in te stellen - moet naar het oordeel van de rechtbank worden geconcludeerd dat voldaan is aan de statutaire bepalingen.

2.7 De rechtbank is dan ook niet gebleken van beletselen om de Werkgroep en de Stichting te ontvangen in het door hen ingestelde beroep.

Inhoudelijke beoordeling

2.8 Ingevolge artikel 40 van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder bouwvergunning. Artikel 44 van de Woningwet bepaalt dat de bouwvergunning moet en alleen dan mag worden geweigerd in een aantal specifieke situaties. Een situatie waarin een bouwaanvraag moet worden geweigerd, is onder meer wanneer het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.

2.9 Tussen partijen is niet in geschil en ook voor de rechtbank staat vast dat het bouwplan in strijd is met het vigerende bestemmingsplan ‘Zeist West 2002’. Het bouwplan kan daarom op het betreffende perceel alleen worden gerealiseerd indien de strijdigheid met het bestemmingsplan wordt opgeheven door een vrijstelling. Verweerder heeft de aanvraag voor de bouwvergunning daarom terecht mede opgevat als een verzoek om vrijstelling op de voet van artikel 19, tweede lid, van de WRO.

2.10 Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in de door Gedeputeerde Staten (GS) in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. GS kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist.

GS hebben ter invulling van artikel 19, tweede lid, van de WRO in hun “Circulaire artikel 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening” (hierna: de Circulaire) aangegeven in welke categorieën van gevallen vrijstelling kan worden verleend van een bestemmingsplan zonder dat een voorafgaande verklaring van geen bezwaar is vereist.

2.11 Om te kunnen beoordelen of verweerder bevoegd was in dit geval gebruik te maken van de in artikel 19, tweede lid, van de WRO bedoelde vrijstellingsbevoegdheid, moet worden bezien of het bouwplan past binnen de reikwijdte van de Circulaire van 4 juli 2006, in het bijzonder binnen artikel 3.1.2 (Limitatieve lijst), onder B (Stedelijk gebied) van die Circulaire. De rechtbank is van oordeel dat het bouwplan past binnen de reikwijdte van de Circulaire, nu het bouwplan voorziet in een uitbreiding van het aantal woningen in het bestaande woongebouw met 30. Geoordeeld moet dan ook worden dat verweerder in zoverre bevoegd was om in dit geval gebruik te maken van de hem in artikel 19, tweede lid, van de WRO gegeven vrijstellingsbevoegdheid zonder voorafgaande verklaring van geen bezwaar.

2.12 Door eisers is aangevoerd dat het bouwplan belemmeringen veroorzaakt voor omringende functies, aangezien onder meer afbreuk wordt gedaan aan de recreatieve functie vanwege het verdwijnen van een voetbalkooi en andere speelvoorzieningen. Aangezien het bouwplan daardoor onevenredige hinder of belemmeringen veroorzaakt voor aangrenzende functies of bestemmingen, zijn eisers van mening dat verweerder geen gebruik kan maken van de in de Circulaire gegeven mogelijkheden.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.12.1 In artikel 3.1.2, onder D, van de Circulaire worden de voorwaarden genoemd waaraan voldaan moet worden om gebruik te kunnen maken van de in de Circulaire gegeven mogelijkheden voor de categorieën A tot en met C van dat artikel. Eén van die voorwaarden is dat het project geen onevenredige hinder of belemmeringen mag veroorzaken voor aangrenzende functies of bestemmingen.

De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder in hetgeen eisers in dit verband hebben aangevoerd aanleiding had moeten zien om de vrijstellingsbevoegdheid niet te gebruiken. Gelet op de voorhanden gedingstukken en het verhandelde ter zitting is niet gebleken dat het bouwplan tot een zodanige verstoring leidt dat deze onevenredige hinder oplevert of andere gebruiksfuncties belemmerd worden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat met het plan beoogd wordt het aanzien van de flat te verbeteren, terwijl blijkens de toelichting ter zitting naar aanleiding van het bouwplan ook plannen in ontwikkeling zijn tot revitalisering van de publieke ruimte; in die plannen is uitdrukkelijk aandacht besteed aan speelvoorzieningen. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook het algemeen belang, inhoudende dat door het bouwplan het woon- en leefklimaat zal verbeteren, in redelijkheid zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van eisers dat (kennelijk) gemoeid is bij handhaving van de bestaande situatie. Eisers beroepsgrond slaagt derhalve niet.

2.13 Eisers hebben verder aangevoerd dat door het bouwplan de groene zone langs de Zeister Grift in onevenredige mate wordt aangetast. Zij hebben in dat verband aangevoerd dat het te realiseren woongebouw onaanvaardbaar dichtbij een andere flat komt te staan, waardoor de privacy onvoldoende is gewaarborgd.

2.13.1 De rechtbank overweegt naar aanleiding hiervan dat het aannemelijk is dat de leefomgeving ten gevolge van het bouwplan geconfronteerd zal worden met veranderingen. Verweerder heeft zich echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan niet zodanige inbreuk maakt op de belangen van omwonenden dat de gevraagde vrijstelling hierom geweigerd zou moeten worden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het bouwplan is voorzien in een stedelijke omgeving en dat de afstand tot het andere flatgebouw niet van dien aard is dat dit als ongebruikelijk in een dergelijk gebied moet worden aangemerkt. Voor zover het bouwplan al zou leiden tot verlies aan privacy, is de rechtbank dan ook van oordeel dat die niet onaanvaardbaar kan worden geacht.

2.13.2 De rechtbank overweegt voorts dat de rapporten die aan de vrijstelling ten grondslag zijn gelegd, te weten de Natuurtoets Flat 40, Nijenheim, Zeist, van Tauw van 10 juni 2009 en het Vleermuizenonderzoek flat 40, Nijenheim, Zeist van Tauw van 18 september 2008, geen aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat de groene zone langs de Zeister Grift in onevenredige mate wordt aangetast. Uit bedoelde rapporten blijkt immers dat bij toetsing van het bouwplan aan mogelijk aanwezige natuurwaarden geen aantasting van beschermde soorten wordt verwacht. Evenmin worden negatieve effecten verwacht voor de aanwezige vleermuizen omdat er voldoende foerageergebied voorhanden is in de omgeving.

De rechtbank vindt in hetgeen eisers hebben aangevoerd ten aanzien van deze aspecten geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten medewerking te verlenen aan het bouwplan.

Deze beroepsgrond van eisers slaagt dan ook niet.

2.14 Eisers hebben verder aangevoerd dat het bouwplan in strijd moet worden geacht met de Flora- en faunawet omdat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar het effect van de bebouwing op de beschermde diersoorten.

De rechtbank overweegt naar aanleiding van deze beroepsgrond als volgt.

2.14.1 De vragen of voor de uitvoering van het bouwplan een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel aan de orde in een procedure op grond van die wet. Dat laat onverlet dat verweerder de vrijstelling ten behoeve van het bouwplan niet had kunnen verlenen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Flora- en faunawet aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan in de weg staat. Gelet op de resultaten van het onderzoek naar de gevolgen van het plan voor flora en fauna, zoals die zijn neergelegd in de hiervoor onder 2.12.2 genoemde rapporten van Tauw, moet het er echter voor worden gehouden dat er geen belemmeringen zijn te verwachten ten aanzien van de Flora- en faunawet. De rechtbank is van oordeel dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat deze rapporten zodanige gebreken of onjuistheden vertonen dat verweerder zich niet in redelijkheid op basis van die rapporten op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Flora- en faunawet niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het bouwplan. Ook deze beroepsgrond van eisers faalt.

2.15 Eisers hebben verder in beroep aangevoerd dat het bouwplan niet voldoet aan Bouwvisie van de gemeente Zeist, in het bijzonder aan de daarin verwoorde 'Jantje Betonnorm'. De rechtbank overweegt als volgt.

2.15.1 Blijkens de stukken geeft de Bouwvisie stedenbouwkundige aanwijzingen voor het in concrete gevallen bepalen van de aanvaardbaarheid van bouwhoogten. De Bouwvisie is geen rechtstreeks toetsingsinstrument maar is met name bedoeld voor het inzetten van een denklijn voor concrete gevallen. Bij nieuwbouw en herstructurering is de 'Jantje Betonnorm' het uitgangspunt. Deze norm houdt in dat wanneer bij intensiveren hoger bouwen dan de omgeving aan de orde komt, door nader onderzoek, voor elke potentiële bouwlocatie wordt bepaald wat de locatie kan verdragen. De rechtbank heeft verder geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat verweerder – zou dit stuk in de onderhavige zaak al direct van invloed moeten zijn - de in het bouwplan mogelijk gemaakte bouwhoogten in strijd met deze visie heeft toegestaan. Uit de voorhanden stukken blijkt immers dat de twee bouwlagen die worden toegevoegd op de bestaande lagen, terugliggen ten opzichte van de bestaande dakranden van de flat. Als gevolg hiervan is het visueel effect van het toevoegen van deze twee lagen beperkt. Ter zitting is ook nog toegelicht dat het bouwplan in zijn huidige vorm aan de gemeenteraad is voorgelegd en daar niet op bezwaren is gestuit, zodat van een afwijken van de politiek wenselijke stedenbouwkundige richting niet is gebleken.

Ook deze beroepsgrond van eisers slaagt niet.

2.16 Eisers hebben tevens aangevoerd dat het bouwplan niet voldoet aan het beleid van het Waterschap. De rechtbank overweegt als volgt.

2.16.1 Op 8 december 2008 is door Tauw het rapport ‘Watertoets Flat 40, Nijenheim Zeist’ uitgebracht, waarin onder meer wordt geconcludeerd dat de bodem niet geschikt is om hemelwater te infiltreren. Om die reden wordt afstromend dakwater direct geloosd op de Zeister Grift en wordt water van het parkeerterrein door middel van een filtervoorziening aangesloten op de Zeister Grift. Op basis van deze rapportage heeft het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden bij brief van 6 februari 2009 aan verweerder een positief advies verstrekt, onder overweging dat in het rapport Tauw duidelijke keuzes worden gemaakt wat betreft water. Gelet hierop kan ook deze beroepsgrond van eisers niet slagen.

2.17 Eisers hebben voorts aangevoerd dat het bouwplan niet voldoet aan de Welstandsnota, in die zin dat zij de motivering van het positieve advies van de welstandscommissie onduidelijk vinden. De rechtbank overweegt als volgt.

2.17.1 Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS; zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 mei 2009, LJN: BI2952) staat slechts ter beoordeling de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat het bouwplan in overeenstemming is met de redelijke eisen van welstand. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in de regel geen nadere toelichting, tenzij de aanvrager of een derdebelanghebbende een tegenadvies heeft overgelegd van een andere deskundig te achten persoon of instantie. Dit is anders indien het advies van de welstandscommissie naar zijn inhoud en wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen. Ook indien een aanvrager of derdebelanghebbende gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria, kan dit aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van verweerder in strijd is met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet of niet berust op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

De rechtbank is niet gebleken dat het welstandsadvies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder het niet aan zijn oordeel over welstand ten grondslag had mogen leggen. Evenmin hebben eisers concreet onderbouwd op welke punten het welstandsadvies niet zou voldoen aan de terzake geldende criteria. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder het advies van de welstandscommissie aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen en het bouwplan in overeenstemming met redelijke eisen van welstand heeft kunnen oordelen.

Eisers beroepsgrond faalt dan ook.

2.18 Eisers hebben aangevoerd dat het bouwplan niet voldoet aan de normen in de parkeerbeleidsnota. De rechtbank overweegt naar aanleiding hiervan als volgt.

2.18.1 Verweerder heeft aangevoerd dat bij de berekening van de parkeerbehoefte is uitgegaan van de normen vastgelegd in de "Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom", van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water-, en Wegenbouw en Verkeerstechniek (CROW) (hierna: ASVV) en de Parkeerbeleidsnota Zeist van 3 mei 2004. Verweerder heeft daarbij aangevoerd dat voor het bouwplan volgens deze normen 127 parkeerplaatsen benodigd zijn en dat het bouwplan voorziet in de aanleg van 130 parkeerplaatsen, zodat ruimschoots wordt voldaan aan de gestelde normen.

2.18.2 Zoals de ABRS meermalen heeft overwogen, is hantering van de ASVV bij de berekening van het benodigde aantal parkeerplaatsen in beginsel aanvaardbaar (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 februari 2008, LJN: BC5267). Volgens vaste jurisprudentie van de ABRS hoeft voor de beoordeling of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRS van 20 juni 2007, LJN: BA7614). In de ruimtelijke onderbouwing wordt inzicht verschaft in de vraag welke cijfers zijn gehanteerd bij de berekening van het benodigde aantal parkeerplaatsen en op welke wijze in deze parkeerbehoefte wordt voorzien. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op het voorgaande, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in (ruimschoots) voldoende parkeergelegenheid ten behoeve van het bouwplan wordt voorzien. Ook deze beroepsgrond van eisers kan dan ook niet slagen.

2.19 Eisers hebben verder aangevoerd dat zij zich benadeeld voelen vanwege het feit dat verweerder slechts tegen betaling van € 0,75 per A4-copie bereid was afschriften van stukken te verstrekken. Deze beroepsgrond faalt, nu deze beroepsgrond geen betrekking heeft op het bestreden besluit en dus reeds om die reden niet kan leiden tot vernietiging van dat besluit.

2.20 Eisers hebben tenslotte aangevoerd dat het besluit in strijd is met de wet aangezien geen voorinspraak is verleend maar direct de zienswijzeprocedure is gevolgd.

Ook dit betoog van eisers kan niet slagen, nu het bieden van inspraak geen deel uitmaakt van de procedure als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO. Verweerder heeft overeenkomstig de wettelijke bepalingen daaromtrent aan belanghebbenden gelegenheid geboden op grond van afdeling 3.4 van de Awb tot het indienen van een zienswijze tegen het ontwerpbesluit, van welke gelegenheid eisers gebruik hebben gemaakt. Van een onzorgvuldige dan wel onjuiste procedure is de rechtbank dan ook niet gebleken.

Ter ondersteuning van dit oordeel verwijst de rechtbank naar een uitspraak van de ABRS van 2 maart 2011, LJN: BP6309.

2.21 Hetgeen door eisers in beroep is aangevoerd, kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. V.M.M. van Amstel en in het openbaar uitgesproken op

2 september 2011.

De griffier: De rechter:

mr. A.L. de Gier mr. V.M.M. van Amstel

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.